Commodore is een Amerikaans-Canadese computerfabrikant. Het bedrijf begon in 1954 als reparatiebedrijf van schrijfmachines. In de loop der tijd werd het accent verlegd naar rekenmachines en daarna naar computers.
Commodore is enerzijds de geschiedenis ingegaan als een van de meest innovatieve computerbedrijven ooit, anderzijds wordt het bedrijf door velen vaak gezien als vergane glorie in de hoek van de computerspellen.
Geschiedenis 1954-1962: het prille begin Commodore werd opgericht door Jack Tramiel (geboren als Jacek Tramielski), die na Auschwitz te hebben overleefd naar de Verenigde Staten was geëmigreerd. Daar sloot hij zich aan bij het Amerikaanse leger. Tramiel bleek talent te hebben voor het repareren van apparaten en kreeg al snel de taak schrijfmachines te repareren.
In 1947 verliet Tramiel het Amerikaanse leger. Hij verhuisde naar New York, waar hem opviel dat er veel vraag was naar kundige schrijfmachinereparateurs. In 1954 begon hij in de Bronx zijn bedrijf. Tramiel werd er niet echt rijk van, en had zelfs een bijbaantje als chauffeur om rond te komen, maar hij slaagde erin een contract te sluiten met een Tsjechoslowaaks bedrijf voor assemblage van hun schrijfmachines.
Omdat men in de Verenigde Staten bevreesd was voor het communistische gevaar, was het echter niet eenvoudig om onderdelen uit Tsjechoslowakije in te voeren. Daarom werd besloten in Canada een nieuw bedrijf op te richten onder de naam Commodore International.
Naarmate het bedrijf meer kennis en ervaring kreeg, kwam Tramiel tot het inzicht dat het interessanter was eigen schrijfmachines te maken dan ze voor iemand anders in elkaar te zetten. Omdat er sterke concurrentie uit Japan op komst was vreesde Tramiel echter dat er met schrijfmachines op termijn weinig te verdienen zou zijn. Hij liet daarom de schrijfmachinemarkt links liggen, en besloot in de relatief nieuwe markt van telmachines te stappen. Zo ontstond in 1962 het bedrijf Commodore Business Machines. Commodore was vanaf nu niet langer een eenmansbedrijf, maar een door aandelen gefinancierde onderneming.
1962-1976: Commodore wordt een groot bedrijf right|thumb|300px|CBM 4032
De nieuwe onderneming kwam al snel in zwaar weer. Huisbankier C. Powell Morgan van Atlantic Acceptance Corporation werd aangehouden wegens fraude, en veroordeeld wegens oneerlijke zakenpraktijken en manipulatie. Ook Commodore werd aan een intensief onderzoek onderworpen, en alhoewel het bedrijf uiteindelijk werd vrijgesproken, was het door de slechte publiciteit dusdanig gehavend dat het in financiële problemen kwam. De Canadese durfkapitalist Irving Gould gaf het bedrijf een kapitaalinjectie, in ruil voor een bestuurspositie. De bedrijfsleiding bleef echter in handen van Tramiel.
De kapitaalinjectie hielp Commodore op de been, maar na verloop van tijd werd ook de markt voor telmachines langzaamaan moeilijker; de Japanse concurrentie leverde betere en goedkopere modellen af. Gould stuurde Tramiel naar Japan om de situatie daar nauwkeurig te bestuderen. Terwijl hij daar was, kwam Tramiel in aanraking met elektronische rekenmachines. Hij zag onmiddellijk in dat deze apparaatjes de telmachines overbodig zouden maken, en vormde Commodore om tot een fabrikant van elektronische rekenmachines.
Dit bleek een gouden zet. Commodore was een van de eerste fabrikanten van elektronische rekenmachines en haalde er vrijwel onmiddellijk mooie inkomsten uit. De overwinning was echter van korte duur. Commodore was afhankelijk van chipleverancier Texas Instruments. Toen dit bedrijf zag hoe goed de rekenmachinemarkt liep, lanceerde het een eigen lijn rekenmachines. De prijs van de chips werd voor Commodore en andere fabrikanten op een dusdanig niveau gehouden dat zij onmogelijk konden concurreren met de rekenmachines van Texas Instruments. In 1975 meldde Commodore een verlies van 5 miljoen dollar.
Deze gang van zaken was een keerpunt in de geschiedenis van het bedrijf. Tramiel en Gould trokken een belangrijke conclusie: zorg dat je nooit afhankelijk bent van één enkele leverancier. Tramiel beschreef het later als volgt: "Op dat moment had ik het idee dat de enige manier om door te gaan in de elektronica-industrie was dat ik mijn lot in eigen handen moet hebben."
1976-1985: voorspoed en glorie met het apparaat van de toekomst Deze conclusie leidde tot een nieuw actieplan. Gould verleende Commodore een lening van 3 miljoen dollar om leveranciers over te nemen die noodzakelijk waren voor de continuïteit van de productie. Tramiel zag dat het net opgerichte MOS Technology niet veel klanten had. Hij bestelde er een flinke berg chips, en hongerde het bedrijf vervolgens uit. Daarna bood hij aan MOS over te nemen, op voorwaarde dat alle belangrijke personeelsleden beloofden te blijven. Naast MOS Technology nam Commodore dat jaar de bedrijven Frontier en MDSA over.
Een van de ontwerpers van MOS Technology, Chuck Peddle, werkte destijds aan een nieuwe chip, de 6502-processor. Peddle probeerde Tramiel ervan te overtuigen dat rekenmachines reeds een gelopen zaak waren, en dat computers de toekomst waren. Peddle vertelde Tramiel over zijn 6502-project: "Onze nieuwe chip is feitelijk een kleine computer. En kleine computers, dat is de toekomst van de wereld." right|thumb|300px|PET 2001 thumb|right|PET 2001 geopend
Tramiel zag in dat Peddle gelijk kon hebben, maar was bang het risico te nemen. Hij deed een poging Apple over te nemen, maar kon het niet eens worden over de prijs. Teleurgesteld maar vastbesloten gaf hij Peddle opdracht zelf een computer te bouwen. Deze diende af te zijn voordat de Consumer Electronics Show in Chicago zou plaatsvinden. Peddle maakte lange dagen, en stond onder grote druk, maar hij bouwde de Personal Electronic Transactor ofwel de PET. De computer was op tijd voor de Consumer Electronics Show van januari 1977. Conceptueel gezien was dit de allereerste personal computer, nog voor de IBM-PC - welke overigens technisch gezien een compleet ander apparaat was.
De PET werd erg enthousiast ontvangen. Tramiel had echter geen flauw idee hoe succesvol het product zou worden en was bang een grote voorraad aan te leggen. Daarom publiceerde hij in kranten in New York een advertentie voor een computer die slechts 599 dollar zou kosten. Tramiel dacht dat hij dan nog net winst kon maken. De levertijd zou zes weken bedragen, en de helft van het bedrag diende vooruit betaald te worden. Na drie weken was er reeds 3 miljoen dollar op de bankrekening bijgeschreven. Het was duidelijk dat de toekomst van Commodore in computers lag.
Doordat de PET zo goed liep, hadden de chipontwerpers een rustige periode. In alle vrijheid konden ze chips voor de toekomstige computers ontwerpen. Om zichzelf een doel te geven, gingen ze chips ontwerpen voor de toekomstige videospellen. Terwijl de PET zijn intrede deed in bedrijven en scholen, kreeg Commodore in de loop der tijd aandacht voor computers bij mensen thuis. Het concept van de homecomputer was geboren.
Commodore lanceerde de VIC-20. Deze werd een groot succes. De machine was betaalbaar en kreeg daardoor een grote softwareondersteuning. Op het hoogtepunt kostte de VIC-20 55 dollar en werden er 9000 stuks per dag geproduceerd. Een neveneffect was echter dat Commodore nu als speelgoedfabrikant werd gezien. Dit imago zou het bedrijf de rest van zijn bestaan blijven aankleven.
Het succes van de VIC-20 vereiste dat er een opvolger kwam. De chips die men bij MOS aan het ontwikkelen was kregen rap een nieuwe ontwerpfocus, zij zouden in de VIC-30 gebruikt worden. De VIC-30 werd in slechts negen maanden ontwikkeld. Vanwege het lange voortraject was de technologie erin echter ver voor op de rest van de industrie. right|thumb|300px|Commodore 64
Voordat de VIC-30 in 1983 uitkwam werd de machine omgedoopt in de welbekende Commodore 64. In die tijd was dit een fenomenaal apparaat, en in de slagzin van Commodore "U koopt geen betere computer voor twee keer de prijs" zat veel waarheid. De computer haalde als meest verkochte computer het Guinness Book of Records en staat daar nog steeds. (Laatste verificatie editie 2002.) Hij had grafische vermogens die voor die tijd bijzonder waren, en voor het eerst beschikte een computer over geavanceerde geluidsmogelijkheden. De Sid-chip was een complete geluidssynthesizer die softwarematig werd aangestuurd. Tot op de dag van vandaag is deze chip erg geliefd; hij wordt als een van de belangrijkste chips ooit gezien.
Voor consumenten met een krappere beurs bracht Commodore twee goedkope modellen op de markt, de Commodore 16 en de Commodore Plus/4. Alhoewel ze redelijk verkochten, konden ze noch bij de Commodore 64, noch bij de VIC-20 in de buurt komen.
Achter de schermen ging het er echter een stuk minder netjes aan toe. Tramiel was ontevreden over de invloed die Gould op de bedrijfsvoering uitoefende, terwijl Gould vond dat Tramiel te veel in ontwikkeling stak en de voorsprong op de concurrentie groot genoeg was.
Dit leidde ertoe dat Tramiel in 1984 Commodore verliet. Gould was de nieuwe sterke man. Commodore kende in de volgende jaren verscheidene bedrijfsleiders, waarna Gould het heft in eigen handen nam. Tramiel was echter een vechter en kocht het noodlijdende Atari. Dit bedrijf had echter bij lange na niet de technologie om met Commodore te concurreren. Tramiel ging op zoek naar een nieuwe bron van techniek.
Amiga right|thumb|300px|Amiga 1000
Het bedrijf Amiga ontwikkelde een nieuwe geavanceerde computer die al het bestaande achter zich zou laten, de Lorraine. Het bedrijf had echter niet de middelen om deze droom te verwezenlijken. Tramiel was erg geïnteresseerd, maar had geen zin om het volle pond te betalen. Telkens verlaagde hij op het laatste moment zijn bod. Ten slotte stak Commodore een spaak in het wiel. Het deed een royaal bod, en werd zo de nieuwe eigenaar van Amiga. De techniek van Amiga was bijzonder geavanceerd en Commodore had nog anderhalf jaar nodig om het product te vervolmaken. In 1985 werd de Commodore Amiga-computer gelanceerd.
De vermogens van de Amiga waren voor die tijd niet mals. In plaats van de 16 kleuren van de Commodore 64 kon de Amiga er 4096 tonen, voldoende voor fotorealisme. Het tonen van een foto op een computerscherm was in die tijd al een spektakel op zich, en de Amiga kon zijn kleurrijke beelden ook nog op indrukwekkende wijze laten bewegen. In plaats van een synthesizer met drie stemmen bevatte de Amiga een synthesizer met realistisch 4-kanaals geluid. En in plaats van een 8-bits processor op 985 kHz had de Amiga een 32-bits processor (met 16-bits bus) op 8 MHz.
Ter vergelijking, een IBM-PC werd in die tijd verkocht met een 16-bits 8086-processor, een Herculeskaart of CGA-kaart, en een biepertje dat niets anders kon doen dan piepjes laten horen. Dit voor een veelvoud van de prijs. Overigens bestond de 80286 ook al, alleen kon die in prijs helemaal niet concurreren.
In 1985 behoorde Commodore tot de top van de computerindustrie, zowel op technologisch vlak als markttechnisch gezien, met de concurrenten mijlenver op afstand. De volgende jaren zou de lijn echter de andere kant op buigen.
1985-1994: het begin van het einde right|thumb|300px|Amiga 500 Commodore vond het oorspronkelijke model, de Amiga 1000, te duur om te produceren en niet geschikt voor de uiterst succesvolle homecomputermarkt. Het ontwikkelteam van Commodore Duitsland ontfermde zich over het ontwerp en dit resulteerde in de Amiga 500 voor de homecomputermarkt en de Amiga 2000 voor de professionele markt.
Van de Amiga 500 werd verwacht dat deze het succes van de Commodore 64 snel zou evenaren. De Amiga mocht dan een fenomenaal apparaat zijn, Tramiel was een fenomenaal zakenman. Met behulp van kant en klare componenten had hij de Atari ST in elkaar weten te zetten. En alhoewel technisch inferieur aan de Amiga, paste het apparaat in dezelfde markt als de Amiga 500 en concurreerde Tramiel op prijs. De Amiga kon vanwege zijn geavanceerde techniek niet onder de prijs van een Atari ST duiken.