thumb|250px|Portret van Tipu Sultan, rond 1792 thumb|300px|Zomerpaleis van Tipoe Sultan in Bangalore Fateh Ali Tipu, beter gekend als Tipoe Sultan of Tipu Sultan, (Devanahali, ~20 november 1750 - Srirangapatna, 4 mei 1799), bijgenaamd de "tijger van Mysore", was van 1782 tot 1799 sultan van Mysore in het zuiden van India en een geduchte tegenstander van de Britten. Door hervorming van het bestuur en de handel en de invoering van nieuwe wapentechnologie wist hij zijn rijk lange tijd buiten de Britse koloniale invloed te houden. Hij werd daarbij gesteund door de Fransen, die na 1763 geen macht van betekenis meer in India vormden, maar wel de Britse imperialistische ambities probeerden te dwarsbomen. Mysore voerde viermaal oorlog tegen de Britten. Tipu Sultan kwam in 1799 om bij de verdediging van zijn hoofdstad Srirangapatnam in de laatste van deze oorlogen.

Levensloop Bevelhebber onder Haider Ali Bij Tipu's geboorte was zijn vader Haider Ali militair bevelhebber in dienst van de radja van Mysore. Haider Ali greep in 1761 de macht door de radja en diens ministers gevangen te zetten. Haider Ali hervormde het bestuur en liet zijn troepen opleiden in moderne, Europese strijdtechnieken, met als resultaat dat Mysore onder zijn leiding uitgroeide tot de meest serieuze bedreiging voor de Britten in India.

Op 15-jarige leeftijd voerde Tipu de legers van zijn vader aan bij diens veroveringen langs de Malabarkust, waardoor Mysore de lucratieve peper- en specerijenhandel in het gebied ging beheersen. Dit bracht Haider Ali in conflict met de Britten, met wie hij tussen 1767-1769 oorlog voerde (de Eerste Oorlog tussen Mysore en de Britten). Opnieuw onderscheidde Tipu zich door de troepen van Mysore tot in de villawijk van Madras te leiden, het bestuurlijke centrum van de Britse kolonies in het zuiden van India. Bij de vrede van 1769 dwong hij de Britten tot een defensief bondgenootschap in ruil voor teruggave van veroverd gebied. Toen de Maratha's in 1771 Mysore aanvielen en Haider Ali een jaar lang belegerden in zijn hoofdstad Srirangapatna, bleef Britse steun echter uit. Als gevolg ontwikkelden Haider Ali, en mogelijk ook zijn zoon Tipu Sultan, een grote persoonlijke afkeer van de Britten.Kaey (2000), p 1273 De Maratha's trokken zich terug nadat peshwa Madhav Rao ziek werd en in 1772 overleed.

thumb|Tipu voert zijn troepen aan tijdens het Beleg van Srirangapatna in 1792. In de opvolgende jaren consolideerde Haider Ali zijn macht. Hij ontving Franse versterkingen en liet betere wapens importeren en produceren. Op sommige vlakken was het leger van Mysore een van de modernste ter wereld, bijvoorbeeld door de inzet van raketwapens, die van veel betere kwaliteit waren dan die in Europa. Twee van deze raketwapens worden nu tentoongesteld in het Royal Artillery Museum in Londen. Na de val van Mysore in 1799 namen de Britten de rakettechnologie over. Ze zouden in de napoleontische oorlogen tegen Frankrijk en de oorlog van 1812 tegen de Verenigde Staten met succes deze wapens inzetten.

De Britse inname van de Franse kolonie Mahé vormde in 1780 de aanleiding van de Tweede Oorlog tussen Mysore en de Britten. Omdat de Britten op dat moment zelf in oorlog met de Maratha's waren, leek het moment voor Haider Ali gunstig. Bovendien was het Britse koloniale bestuur slecht georganiseerd. De bestuurders waren vaak uit op zelfverrijking en handelden tegen het algemene belang. In 1776 hadden de bestuurders van Madras de gouverneur van die kolonie, George Pigot, in de gevangenis geworpen.Kulke Rothermund (2004), p 236 Wel had de Britse regering met de Regulation Act van 1774 alle kolonies in India onder een centraal bestuur geplaatst, met aan het hoofd een gouverneur-generaal, die zetelde in Calcutta.

Aanvankelijk verliep de strijd voorspoedig voor Mysore. Tipu leidde de troepen in de slag bij Pollilur (10 september 1780), waarin de Britse troepen onder Hector Munro verpletterend werden verslagen. Later liet Tipu in het paleis in Srirangapatna een grote muurschildering van de slag maken om zijn overwinning te herdenken. In 1781 arriveerden Britse versterkingen uit Bengalen en ontwikkelde de strijd zich tot een impasse. De Britse gouverneur-generaal Warren Hastings sloot bovendien vrede met de Maratha's, zodat de Britse troepen zich volledig op Mysore konden richten. Desondanks hadden Haider Ali's troepen een reële kans gehad de Britten uit het zuiden van India te verdrijven. Slechts het op tijd arriveren van de Bengaalse versterkingen en het op cruciale momenten uitblijven van Franse zeesteun hielden Mysore af van een beslissende overwinning. Haider Ali overleed in december 1782 maar dit bracht de Britten geen respijt, omdat Tipu een even capabele heerser en geduchte tegenstander als zijn vader zou blijken. Pas nadat de Britse afgezanten om vrede smeekten kwam het in 1784 tot een vredesverdrag.

De vrede met de Britten gaf Tipu de kans terrein terug te winnen in een nieuwe oorlog met de Maratha's (1785-1787). De Maratha's zochten daarbij steun van de Britten, maar dezen hielden zich afzijdig.

Hervorming en modernisering Tipu overtrof zijn vader in wat door de latere Britse bestuurder Thomas Munro een "passie voor hervorming en modernisering" werd genoemd.Kaey (2000), p 1282 Als heerser over Mysore bouwde hij wegen, havens en paleizen, en stimuleerde hij de handel door de belasting laag te houden en handelaren uit andere gebieden aan te trekken. Hij wantrouwde de gevestigde elite van Dekani edelen en Nayars en probeerde in plaats daarvan een nieuwe Arabisch-Afrikaanse elite van handelaren te creëren. In de Malabar bevoordeelden zijn bestuurders de klasse van de moplahs, rijke handelaren die de staat van leningen konden voorzien.Bayly (1988), p 62, 96 Net als zijn vader probeerde Tipu zoveel mogelijk de tussenpersonen in de belastinginning uit te schakelen om in plaats daarvan directe afspraken met dorpsleiders te maken. De economie werd omgevormd naar voorbeeld van de Europese mercantilistische handelscompagnieën. Tipu streefde naar een staatsmonopolie van de economie en een agressieve expansiepolitiek.Bayly (1988), p 97-98 Sinds de verovering van de Malabarkust had Mysore controle over de eigen import van paarden uit het Midden-Oosten en de export van peper en teakhout.

thumb|300px|Tipu, gezeten op zijn troon. Tekening door Anna Tonelli, 1800. Tipu richtte naar Europees voorbeeld een eigen handelscompagnie op die aandelen uitgaf en de handelaren kans bood hun geld te investeren. Hij stuurde verzoeken naar overzeese machthebbers om op hun grondgebied handelsposten met factorijen op te mogen richten, zoals de Ottomaanse sultan en de heerser van Pegu in Birma. Op eigen grondgebied werden factorijen gebouwd die onder andere in de productie van suiker, papier, buskruit, wapens en gereedschappen voorzagen. Mysore was onder Tipu zelfvoorzienend in zijn wapenproductie.

Tipu introduceerde een nieuwe munteenheid en een nieuwe kalender. Ook had hij grote belangstelling voor de hervorming van de landbouw, met name de introductie van nieuwe gewassen. Een deel van de paleisgronden in Srirangapatna werden ingericht als kweekvijver voor experimenten met zaden en gewassen die uit andere delen van Azië of Europa waren ingevoerd. Tipu was verantwoordelijk voor de introductie van zijde in Mysore. In Bangalore liet hij de Lal Bagh-tuinen aanleggen.

Britse beambten die later in Tipu's gebied werden aangesteld verwonderden zich over de relatieve welvaart en het lage belastingniveau. Hoewel Tipu in de Britse propaganda werd afgeschilderd als een corrupte islamitische despoot, die met name zijn hindoeïstische onderdanen onderdrukte, lijkt het uitblijven van opstanden of protesten erop te duiden dat zijn heerschappij onder de bevolking in werkelijkheid tamelijk populair was. Desondanks was hij geen man van het volk: hij kon indien nodig wreed optreden en door het naar zich toetrekken van alle macht had zijn regering een hoog autoritair karakter.

Tipu Sultan in de Britse propaganda Tipu had aan het einde van de tweede oorlog de havenstad Mangalore op de Britten heroverd en bezette daarna het zuidelijke deel van de Konkankust, een gebied dat wel Kanara genoemd werd. Hoewel Tipu normaal gesproken tolerant was tegenover religieuze minderheden, vervolgde hij in Kanara en Mangalore de katholieken, omdat ze met de Britten hadden samengewerkt. Hij liet tussen de 30.000 en 80.000 katholieke gevangenen naar Srirangapatna deporteren,Prabhu (1999), p 231 en hun kerken met de grond gelijk maken. De Britten grepen dit aan om Tipu af te schilderen als een meedogenloos despoot en religieus fanaticus.

Het als autoritair, onbekwaam of onbevoegd afschilderen van inheemse heersers was echter vast onderdeel van de Britse propaganda, die bedoeld was om de agressie waarmee de Britse verovering van India gepaard ging te verantwoorden. In het geval van Tipu werd niet alleen gewezen op zijn veronderstelde onderdrukking van christenen en hindoes. Tipu's bevoordeling van de moplahs en Arabisch-Afrikaanse handelaren ten gunste van hindoeïstische grootgrondbezitters, de traditionele elite, werd ook dankbaar aangegrepen. Volgens de Britse propaganda werd de eeuwenoude hindoeïstische maatschappelijke orde omvergeworpen door een usurpatorBayly (1988), p 81-82 (Tipu regeerde in de plaats van de hindoeïstische Wodyardynastie, die door Haider Ali opzijgeschoven was en waarvan de radja zijn dagen onder huisarrest in Srirangapatna sleet).

thumb|300px|"Tipu's tijger", een mechanische automaat gemaakt voor Tipu Sultan. Het beeldt een Britse soldaat uit die door een tijger (het symbool van Tipu Sultan) wordt belaagd. Voor de Britten was met name Tipu's behandeling van Britse krijgsgevangenen (7000 Britse mannen en een onbekend aantal vrouwen en kinderen) uit de oorlog van 1780-1784 onverkropbaar. Deze stonden net als de katholieke gevangenen onder druk zich tot de islam te bekeren, waar meer dan 300 gevangenen gehoor aan gaven. Een groep Britse trommelaars werd als nautchdanseressen verkleed en opgedragen Tipu's hof met voorstellingen te vermaken. Na jaren gevangenschap zouden de Britse gevangenen in 1799 worden bevrijd. Een van de overlevenden, James Scurry, beschreef hoe hij na tien jaar gevangenschap zodanig aangepast was aan de Indische levensstijl dat hij nog slechts gebrekkig Engels sprak en vergeten was hoe met vork en mes te eten of in een stoel te zitten.Dalrymple (2002), p 26

De demonisatie van Tipu Sultan in de Britse publieke opinie ging vooraf aan de Derde en Vierde Oorlog tussen Mysore en de Britten. Beide oorlogen werden door de Britten begonnen, met als doel de specerijenhandel in handen te krijgen en een Franse bondgenoot uit te schakelen, die een bedreiging vormde voor de Britse koloniën en ambities.

thumb|300px|Ambassadeurs uit Mysore bezoeken de Franse koning Louis XVI. 18e-eeuwse illustratie.

Tipu's afgezanten in Constantinopel en Versailles Tegen de achtergrond van het uitbreken van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog en de Franse steun voor de Amerikaanse kolonisten stuurden de Fransen ook troepen naar Mysore, dat ze als bolwerk tegen de Britse expansie in India zagen. Mysore had zelfs een technologische voorsprong op de Europeanen opgebouwd, zowel op bijvoorbeeld het gebied van artillerie (waaronder de beste kanonnen en revolutionaire rakettechnologie) als de aanleg van forten en verdedigingswallen.