De Lier is een plaats in de provincie Zuid-Holland. De plaats telt inwoners (). Tot 1 januari 2004 was De Lier een zelfstandige gemeente, maar door een gemeentelijke herindeling ging deze op in de gemeente Westland samen met de gemeenten Monster, Naaldwijk, 's-Gravenzande en Wateringen.
Voor De Lier, gelegen in het Westland, is de glastuinbouw de belangrijkste economische sector.
Naam De naam De Lier komt van het riviertje de Lee. In geschriften spreekt men van de Lihora (ook wel Liora, wat de heldere betekent). Maar het grootste deel van de plaatselijke bevolking sprak geen Latijn, waardoor het watertje bekendstond als de Leer, Lede of Lee. In het oud Germaans betekent dit: weg of doorgang, te water of op het land. Men had het dus over het dorp aan de Leer, later afgekort tot De Leer. Dit werd vaak zuiver uitgesproken als De Lier, de naam die de plaats tegenwoordig nog steeds draagt.
Ligging en geografie thumb|left|Kaart van de voormalige gemeente De Lier in 1869. Het Zuid-Hollandse De Lier grenst in het westen aan Naaldwijk, in het noordoosten aan Schipluiden en in het zuidoosten aan Maasland. De grens in het noordwesten valt samen met de waterloop Zwethkanaal en Kromme Zweth. Het grondgebied van de toenmalige gemeente is na de grondwetswijziging in 1848 driemaal gewijzigd. Tot 2004 viel de grens met Schipluiden samen met de Noord-Lierweg en de Oostbuurtseweg. In 1887 werd het gebied ten zuiden van Lierweg tot de Burgerdijkseweg dat hoorde bij Maasland, bij De Lier gevoegd. Deze weg bleef met de Oude Campsweg de scheidslijn met Maasland tot de herindeling in 2004. In 1957 is de zuidwestelijke grens met Naaldwijk van de Oudendijkseweg en het Sint Jorispad opgeschoven naar de Burgemeester Elsenweg. De laatste gebiedswijziging kwam met de herindeling van de gemeente in 2004. Tuinbouwgebieden die grensden aan De Lier in de Groeneveldse polder en Dorppolder die in Schipluiden lagen en in de Oude Campspolder en Kralingerpolder die bij Maasland hoorden, werden toen bij De Lier en de nieuwe gemeente Westland gevoegd.Atlas van het Westland, 10.000 jaar ruimtelijke ontwikkeling, door Marcel IJsselstijn en Yvonne van Mil, uitgeverij: THOTH Bussum, , pagina 182Gemeentebeschrijving De Lier, Monumenten inventarisatie project, door A. Schuurman, 1995, pagina 2
Tot het grondgebied van de voormalige gemeenten De Lier behoorden nog zes andere kernen of buurtschappen: Blaker, Nieuwe Tuinen, de Oostbuurt, Lierhand, Burgersdijk en Westerlee. De Lier, Oostbuurt, Burgersdijk en Westerlee zijn ontstaan op en langs dijken en zijn van oorsprong lintvormig. De Blaker en Lierhand zijn ontstaan na de Tweede Wereldoorlog en Nieuwe Tuinen ontstond tussen de wereldoorlogen, in het Interbellum.
De Lier ligt in een voormalig krekengebied waar de Lee onderdeel van was. Gedurende het Subboreaal tussen 2300 en 700 v. Chr. vormde zich oppervlakteveen op het grondgebied en in de rest van West-Nederland. Na deze periode werd in het Westland een deel van dit veen weggeslagen en bedekt met jonge zeeklei door overstromingen vanuit de kreken. Doordat het land niet overal evenveel overstroomde bevinden zich ten oosten van De Lier nog venige bestanddelen in de ondergrond. Tussen 1130 en 1170 werden door overstromingen een metersdikke kleilaag afgezet op het grondgebied van De Lier, het Westlanddek. Na deze overstromingen werd de Lee afgedamd, na daarvoor te zijn bedijkt. Een overstroming in de dertiende eeuw zette alleen in het zuiden van het dorp nog jonge zeeklei af. In de negentiende en twintigste eeuw zijn delen van het grondgebied voor de tuinbouw geschikt gemaakt waarbij de bovengrond is vermengd met zand en bagger uit sloten: opgevaren grond.Gemeentebeschrijving De Lier, Monumenten inventarisatie project, door A. Schuurman, 1995, pagina 3
Geschiedenis thumb|De Lier of De Lyer schematisch afgebeeld op een kaart uit 1566. Afgebeeld is de kerk met uivormige spits. Duidelijk is ook de Lee, de Lierweg en onder het dorp de Hoefpoldermolen te zien.
Middeleeuwen Wanneer De Lier voor het eerst bewoond werd, is niet precies te zeggen. Wel blijkt uit bodemvondsten uit de omgeving, dat het gebied al ver voor de Romeinse tijd bewoond werd. Omdat het gebied moerassig was en op weinig plekken bewoonbaar, woonde men op hooggelegen plaatsen en leefde men van akkerbouw en hield men schapen.
Vanaf 985 werd begonnen met het grootschalig ontginnen van het Midden-Delflandgebied toen het in handen kwam van de graaf van Holland. De inpoldering van het grondgebied van de voormalige gemeente De Lier geschiedde betrekkelijk laat. Door de lage ligging moest de getijdenrivier de Lee eerst worden bedijkt. Na de bedijking van de Lee zijn in de elfde eeuw de Hoefpolder, Kralingerpolder en de Dorppolder ontgonnen. De Oude Lierpolder werd in de twaalfde eeuw ontgonnen na de afdamming van de Lee.Gemeentebeschrijving De Lier, Monumenten inventarisatie project, door A. Schuurman, 1995, pagina 5
De Lee wordt voor het eerst genoemd in een brief van keizer Otto III als het riviertje Liora. Melis Stoke beschrijft in een van zijn werken het watertje Lihora. De vroegste vermelding van de plaats De Lier is in een oorkonde uit 1201, waarin graaf Dirk VII van Holland een schenking bevestigt van land uit De Lier aan de Abdij van Rijnsburg.
Op het grondgebied hebben een aantal kastelen gestaan zoals: Uiterlier, Diepenburch en Boekestein.
thumb|Kaart van De Lier uit 1712. Bij de Hoefpoldermolen of Hoofmolen (links) begint de latere Sportlaan.
Door het sluiten van de oude kerk was de Lierse bevolking aangewezen op de moederkerk te Maasland. De verre afstand en gevaarlijke, slechte wegen tijdens slecht winterweer maakte het geregeld onmogelijk hun godsdienstplicht te vervullen. Daarnaast zorgde de bevolkingsgroei in de 11e en 12e eeuw samen met de overname van de moederkerk door de Duitse Orde, dat het voorname geslacht Uyterliere aanleiding kreeg te vragen of zij een eigen parochie mochten stichten aan rivier de Lee. Uit een besluit van de bisschop van Utrecht in juli 1245 blijkt dat de familie Uyterliere en de andere parochianen het recht verkregen om zelf te begraven en te dopen met een daarvoor gebouwde kapel. Alle diensten mochten dus vanaf nu in De Lier worden gegeven, behalve de belangrijke jaarlijkse vieringen die nog steeds in Maasland moesten worden gevolgd. De gebouwde kapel blijkt uit onderzoek nog steeds een gedeelte te zijn van dezelfde kerk die tegenwoordig wordt gebruikt door de Nederlands Hervormde gemeente. Hieruit kan worden opgemaakt dat de toenmalige gemeente over een zekere welvaart beschikte aangezien het gebouw veel te groot wordt geacht voor de kleine gemeente. De kerk zelf was een behoorlijk gebouw met de hedendaags zware vierkante toren. Het hoofdaltaar en de kleinere altaren werden bediend door een pastoor en 2 kapelaans. De kerk zelf werd gewijd aan St. Joris met een St. Jorisgilde. Er stond een groot houten ruiterstandbeeld met zilveren harnas in de kerk waar genezende krachten aan toe werd geschreven en waar pelgrims van heinde en ver op af kwamen. Daarnaast werd vanaf de kerk jaarlijks een processie gehouden, met het beeld van St. Joris, naar de Waterslootse Poort in Delft.
De status van het dorp was een ambacht. Dit betekent dat er een baljuw en schout aan het hoofd van de gemeente stonden. Deze waren beide ook belast met de rechtspraak van het dorp. Daarnaast bestond het bestuur uit negen mannen van adel (welgeboren mannen), 7 zetters en 7 schepenen jaarlijks verkozen door de ambachtsheer.
Door gronddaling in de Late Middeleeuwen werd de grond te nat voor akkerbouw en gingen de boeren voornamelijk over op veeteelt en tuinbouw. Akkerbouw bleef bestaan maar werd van ondergeschikt belang.Gemeentebeschrijving De Lier, Monumenten inventarisatie project, door A. Schuurman, 1995, pagina 6
Vroegmoderne tijd Het dorp heeft in de 16e eeuw niet actief meegedaan aan de Beeldenstorm, maar de geloofsstrijd tussen rooms-katholieken en protestanten deed zich ook in De Lier voor. De Lierse parochie dacht aanvankelijk handig de reformatie te overleven. In die tijd dat overal de katholieke kerken werden bestormd door calvinisten, verklaarde de Lierse pastoor Arent Dircksz. Vos dat hij nu een protestantse predikant was geworden. Hij kon echter niet lang dienstdoen als predikant. Toen rond 1567 de Spaanse hertog van Alva op gezag van de Spaanse koning in Holland het gezag kwam herstellen, werd de Lierse predikant in het gevang geplaatst. Na drie jaar opgesloten te zijn geweest, werd de pastoor/predikant alsnog ter dood gebracht. De Spanjaarden hadden voor hem een katholieke opvolger benoemd, maar deze was ook geen lang leven beschoren. Toen de Geuzen twee jaar later in het gebied de overhand kregen, gingen zij even hardhandig te keer om het calvinistische geloof aan de Lierse parochie op te dringen. De katholieke opvolger werd door de Geuzen vermoord. In deze roerige tijd brandde ook de kerk en toren af, aangestoken door rondtrekkende geuzen. (2009): Geschiedenis van de Lierse Dom, Drukkerij Riezebos, De Lier NL,
In de zeventiende eeuw ontstond uit een boerderij de buitenplaats Hoofbosch in de Hoefpolder. Deze is eind achttiende eeuw verdwenen.
Landbouw, tuinbouw en de opkomst van de veiling thumb|left|Zicht over de Lee in 1904 en op de achtergrond de Lierse Dom uit de vroeg vijftiende eeuw. Voor de boeren in De Lier bleef veeteelt tot 1900 de belangrijkste bezigheid. De tuinbouw was tot die tijd nog van beperkte omvang en meestal alleen voor eigen gebruik. Door de goede bodem, verbindingen en klimaat waren de omstandigheden voor tuinbouw in het gebied wel gunstig. Met bagger en zand werd de bodem verder verbeterd. Gewassen die in de akkerbouw werden verbouwd waren onder andere tarwe, aardappelen en vlas. Met de komst van machines werd de vlasteelt tegen 1880 vervangen voor de tuinbouw. De groei van de steden en de export naar Engeland en Duitsland zorgde voor een stijging in de vraag naar tuinbouwproducten. Weilanden en akkers werden omgezet in tuinbouwgrond. Rond 1890 maar voornamelijk vanaf 1905 gingen tuinders over op het telen van groente en fruit onder glas. In De Lier was de omschakeling naar glas later vergeleken met andere Westlandse plaatsen door de slechtere verbindingen met de steden. Eerst werd nog verbouwd onder platglas, later in kassen. In het begin van de twintigste eeuw beleefde de Westlandse druif zo zijn glorietijd. De kassen verschenen langs waterwegen, met name langs de Lee, zodat kolen en mest makkelijk aangevoerd en tuinbouwproducten makkelijk afgevoerd konden worden. Eind negentiende eeuw waren tuinbouwbedrijven geconcentreerd in het westelijk deel van de Oude Lierpolder, de Nieuwe Tuinen. Vanaf de jaren twintig van de twintigste eeuw werden de wegen verbeterd waardoor het vervoer over water afnam. Tuinbouwbedrijven hoefden niet meer aan een waterweg te liggen. Hierdoor ontstonden tuinbouwbedrijven in het zuiden langs de tramlijn, de Burgemeester van Doornlaan, Burgemeester Elsenweg, Hoefweg, Hoogweg en de Oude Campsweg. Vanaf het midden van de negentiende eeuw is voornamelijk akkerland omgezet in lucratievere tuinbouwgrond. Tegen 1930 werd meer dan 65% van de agrarische grond gebruikt als grasland, meer dan 30% als tuinbouwgrond en minder dan 10% als akkerland.Gemeentebeschrijving De Lier, Monumenten inventarisatie project, door A. Schuurman, 1995, pagina 6-8