Hannah Arendt (LindenIn die tijd een aparte industriestad, direct ten westen van Hannover. Tegenwoordig een stadsdeel van Hannover. bij Hannover, 14 oktober 1906 – New York, 4 december 1975) was een Duits-Amerikaans Joods filosofe en politiek denker, die uit Duitsland vluchtte voor het nationaalsocialisme en de Jodenvervolging en zich met name verdiepte in totalitaire politieke systemen. Aanvankelijk schreef zij in het Duits, later vooral in het Engels.

Levensloop miniatuur|left|Het geboortehuis van Hannah Arendt thumb|Hannah Arendt in 1933

Kinderjaren Arendt werd op 14 oktober 1906 geboren in Linden bij Hannover. Haar ouders waren Paul Arendt en Martha Cohn. In 1910 verhuisde de familie naar het Oost-Pruisische Koningsbergen, een oude Hanzestad aan de Oostzee en de geboorte- en enige woonplaats van de filosoof Immanuel Kant (1724-1804). Haar vader en grootvader overleden kort na elkaar in 1913. In 1914 vluchtte het gezin naar Berlijn uit vrees voor de in aantocht zijnde Russische troepen. Na een paar weken keerden zij terug naar huis. In Berlijn, nabij het Denkmal für die ermordeten Juden Europas met de 2711 betonblokken, is een straat naar haar vernoemd: de Hannah-Arendt-Straße.

Studentenjaren In 1924 begon ze haar studie filosofie en theologie in Berlijn. Ze zette haar studie voort in Marburg bij Martin Heidegger. De Sofist van Plato was het onderwerp van het werkcollege. Op 10 februari 1925 kreeg zij de eerste brief van Heidegger, het begin van een liefdesrelatie die ongeveer een jaar duurde. In de herfst maakte zij kennis met Hans Jonas. Hierop volgde een semester college in Freiburg bij Edmund Husserl, de grondlegger van de fenomenologie. Bij Karl Jaspers in Heidelberg schreef ze in 1929 haar proefschrift Der Liebesbegriff bei Augustin (Het liefdesbegrip bij Augustinus). In 1929 trouwde zij met Günther Stern (pseudoniem: Günther Anders) uit Frankfurt am Main. Arendt kreeg een beurs en begon aan een biografie over de Duits-Joodse romantische schrijfster Rahel Varnhagen die ze pas in 1951 zou publiceren. Ze onderhield contact met de zionist Kurt Blumenfeld.

Jonge vrouw In 1933 werkte Arendt samen met een zionistische groep aan de aanleg van een documentatie over antisemitische uitingen en incidenten. In dit kader werd ze door de Gestapo gearresteerd en verbleef acht dagen in de gevangenis. Tijdelijk in vrijheid gesteld, vluchtte ze naar Parijs, waar ze ontmoetingen had met Raymond Aron, Alexandre Koyré, Albert Camus en Jean-Paul Sartre. Ze volgde colleges bij de politieke filosoof Alexandre Kojève. In 1934 begon zij haar vriendschap met Walter Benjamin. Van 1935 tot 1938 werkte ze voor Aliyah des Jeunes, een zionistische organisatie die kinderen van Joodse vluchtelingen naar het Britse mandaatgebied Palestina hielp uitwijken. Ze ondernam haar eerste reis naar het Britse mandaatgebied Palestina. In het voorjaar 1936 maakte zij kennis met Heinrich Blücher, een niet-Joodse Duitse filosoof en communist. In 1937 scheidde zij officieel van Günther Stern, en in 1940 trouwde zij met Blücher. In mei 1940 vielen de Duitsers Frankrijk binnen. Als stateloze van Duitse afkomst werd Arendt als potentieel vijandig gezien en door de Franse autoriteiten gedurende enkele weken geïnterneerd, eerst in een wielerstadion in Parijs en dan in Gurs, Zuid-Frankrijk. Na haar ontsnapping vond ze per toeval haar nieuwe man terug.

New York In 1941 vertrok zij naar New York en werkte daar tot 1945 mee aan het Duitstalige Joodse weekblad Aufbau. In Amerika ontwikkelde ze de inzichten die haar bekend zouden maken. Ze was toen nog steeds bevriend met Jaspers. In 1944 werkte Arendt als commissielid van de Organisatie voor Europese Joodse Culturele Wederopbouw en in 1948 nam zij de dagelijkse leiding op zich. In 1946 was Arendt lector bij de uitgeverij Salman Schocken in New York. Zij werkte mee aan de uitgave van de Engelse vertaling van het verzamelde werk van Franz Kafka, waaronder het dagboek van Kafka.

In november 1949 keerde zij voor het eerst na de oorlog terug naar Europa in het kader van haar werk voor de Joodse culturele wederopbouw met een bezoek aan Karl en Gertrud Jaspers in Bazel. In 1950 bezocht zij Heidegger in Freiburg na de opheffing van zijn doceerverbod. De verschijning van haar driedelig werk The Origins of Totalitarianism (1951), waarin ze het woord zijn hedendaagse betekenis gaf, maakte haar bekend bij het grote publiek. In hetzelfde jaar verwierven Arendt en Blücher het Amerikaanse staatsburgerschap na 18 jaar stateloosheid. Haar academische carrière in de VS kwam op gang met lezingen in Princeton, Berkeley, Columbia, Harvard en Notre Dame University in Indiana.

In de Verenigde Staten werd vanaf het midden van de jaren vijftig de rassensegregatie in de zuidelijke staten een nationale kwestie. Arendt publiceerde een artikel naar aanleiding van het sturen van federale troepen door president Eisenhower naar Little Rock, Arkansas, na gewelddadige incidenten op een middelbare school die geen zwarte leerlingen wilde toelaten. In 1958 verscheen haar werk Vita activa. De mens: bestaan en bestemming en Rahel Varnhagen. Het jaar daarop maakte zij meerdere studiereizen door Europa en ontving de Lessing-prijs van de stad Hamburg. In 1961 verscheen Between Past and Future.

miniatuur|Grafsteen van Arendt

In Jeruzalem begon op 11 april 1961 het Eichmann-proces, dat Arendt als journaliste nauwgezet volgde. Eind december van dat jaar werd het doodvonnis uitgesproken. In 1963 verscheen van haar hand Eichmann in Jeruzalem en twee jaar later Over revolutie. Ze werd hoogleraar aan de University of Chicago en bleef dat tot 1968. Daarna werd zij hoogleraar aan de New School for Social Research in New York tot aan haar dood in 1975. In 1970 gaf zij dertien lezingen over de politieke filosofie van Immanuel Kant. Na het overlijden van haar man Heinrich Blücher in 1970 en van haar vriend Jaspers wijdde ze zich volledig aan de filosofie. Op 18 april 1975 ontving Arendt in Kopenhagen de Sonningprijs voor haar bijdrage aan de Europese beschaving. Op 12 augustus bracht ze een laatste bezoek aan Heidegger in Freiburg.

Op 4 december 1975 overleed Arendt onverwacht aan een beroerte in haar New Yorkse appartement.

Filosofie Algemeen Tegen de achtergrond van het nationaalsocialisme is Hannah Arendts filosofie vooral een denken van vrijheid in politieke zin, een denken dat echter nooit volledig academisch is. Het voortdurend samengaan van denken en oordelen vormt de rode draad in haar werk. Haar bekendste werk in dit opzicht is The Origins of Totalitarianism uit 1951, waarin zij de historische (achter)gronden van de totalitaire staat analyseert. Hierin komen vrijheid van het individu, concentratiekampen en de verdwijning van het verschil tussen feit en fictie aan bod. In 1955 verscheen Men in dark times, een bundel essays, o.a. een over de Duitse revolutionaire Rosa Luxemburg en twee over Jaspers. De titel van deze bundel was ontleend aan de openingszin van het gedicht An die nachgeborenen uit 1939 ("Wirklich, ich lebe in finsteren Zeiten!") van Bertolt Brecht, aan wie ook een van de essays was gewijd. In The Human Condition (1958) (Nederlandse vertaling: Vita activa. De mens: bestaan en bestemming) staat de relatie tussen handelen en politiek centraal. Waar de mens voordien meer belang hechtte aan arbeiden, werken en handelen (ontleend aan resp. ponos, poeisis, praxis), ziet Arendt in het licht van de totalitaire staat dat dat belang omgekeerd is en politiek de boventoon voert. Dit heeft enorme consequenties voor de vrijheid en het vrije denken van de mens. Between Past and Future uit 1961 is een bundeling essays waarin ze poogt een manier te schetsen om dit vrije politieke denken te cultiveren. De gedachten in deze essays zal ze later uitwerken in The Life of the Mind (1978). De thema’s van denken en oordelen komen ook terug in Eichmann in Jerusalem: a Report on the Banality of Evil (1963). Ze bestudeert hier de processen van Eichmann, die de hoofdrol speelde in Hitlers Endlösungsprogramma. Het was, zo zegt Arendt, niet de aanwezigheid van kwade bedoelingen, maar de afwezigheid van kritisch denkvermogen en de kritiekloze opvolging van bevelen van hogerhand die ertoe hebben geleid dat zo veel Joden het leven verloren in de structurele vernietigingspolitiek van de nazi's. In The Life of the Mind, dat in 1978 postuum verscheen, analyseert ze systematisch het probleem van denken en weten. Hierin gaat het Arendt vooral om waarde en betekenis. De waarde van het denken is dat het betekenis kan geven aan bepaalde acties, situaties en ervaringen.

Het politieke denken van Arendt is beïnvloed door onder anderen Martin Heidegger, Friedrich Nietzsche, Immanuel Kant, Karl Jaspers en Aristoteles. Ze verwijst in haar werken geregeld en expliciet naar deze denkers. Omdat ze zich niet beperkte tot louter de academische filosofiebeoefening en het label 'filosoof' zelf verwierp, is evenmin aan te geven tot welke stroming ze behoort. Er zijn echter wel relaties te leggen met het werk van onder anderen Jürgen Habermas, Michel Foucault en Seyla Benhabib.

Verschijning van het radicale Kwaad Het bestaan van het absolute of radicale Kwaad openbaarde zich aan Arendt in het najaar 1943 toen haar de eerste berichten bereikten over het bestaan van een nieuw soort kampen in Midden-Europa. Arendt, niet op de hoogte van alle details ervan, geloofde in 1943 duidelijk dat er zich iets ongekends aan het voltrekken was. Vroegere concentratiekampen, bijvoorbeeld in de Oranje Vrijstaat en Transvaal, opgericht door de Engelsen tijdens de Boerenoorlog (1899-1902), hadden een strategisch doel en pasten in een oorlogslogica. Maar tijdens de Tweede Wereldoorlog ging het in stand houden van de Duitse kampen zelfs vaak ten koste van de eigenlijke oorlogsinspanning. Rijksminister Albert Speer vond trouwens dat hij de Joodse gevangenen beter kon inzetten in de Duitse oorlogsindustrie dan ze om te brengen in kampen. Arendt verklaarde later dat er zich bij dat plotse inzicht een gapende afgrond voor haar voeten opende. Niet de schaal van de misdaden trof haar, eerder de gehanteerde methode: het kwaad bedreven omwille van zichzelf. De ontdekking van het Kwaad, gesymboliseerd in "Auschwitz" als een ambtelijk-technologisch voltrokken genocide, werd het centrale thema in Arendts denken. Andere filosofen zoals John Rawls en Karl Popper gingen ook uit van een antitotalitaire reflex, maar zagen Auschwitz niet als een cesuur waarna het leven alleen mogelijk is bij gratie van een radicaal nieuw begin.

Eichmann of de banaliteit van het kwaad miniatuur|Adolf Eichmann tijdens zijn proces in 1961 Hannah Arendt bereikte het grote publiek met haar boek over het proces tegen Adolf Eichmann in 1961. In Jeruzalem was tijdens dat proces niet een of ander gruwelijk monster te zien, maar een onbetekenend mannetje (Eichmann), dat niettemin in staat bleek geweest te zijn om vele miljoenen Joden om te brengen. Zij stelde de vraag hoe een dergelijke tweederangspersoon tot zulke omvangrijke gruweldaden kon komen. In haar studie over dit proces laat ze zien, zoals ook Harry Mulisch dat al in zijn verslag van het proces-Eichmann had aangegeven, dat het kwaad iets banaals, iets raadselachtigs heeft. De Holocaust kon plaatsvinden omdat de nazi's het hele proces in stukjes hadden gebureaucratiseerd, waarbij niemand, behalve Hitler, verantwoordelijk was voor het geheel en ieder alleen maar voor een enkel klein onderdeel. Het kwaad (de Jodenmoord) krijgt dan een banaal karakter: duizenden ijverige ambtenaren die op hun deelterrein hun taak al dan niet gewillig uitvoeren. Het eindresultaat is echter wel de vernietiging van 6 miljoen mensen. Het kwaad is niet radicaal maar banaal, een optelsom van opgesplitste activiteiten.