Het Mogolrijk of Mogulrijk (Perzisch: , Engels: ) was een rijk in Zuid-Azië dat tussen 1526 en 1858 door de islamitische Mogoldynastie werd geregeerd. Het kerngebied lag in de Indus-Gangesvlakte. In zijn bloeiperiode (de 17e eeuw) omvatte het Mogolrijk bijna geheel het Indische subcontinent. Het telde aan het einde van de 17e eeuw waarschijnlijk tegen de 150 miljoen inwoners. Met het Ottomaanse Rijk en het Safawidische Rijk domineerde het rijk onder de eerste zes Mogolkeizers de islamitische wereld. De Mogolkeizers bevorderden op vaak extravagante wijze de kunsten. Vooral de dichtkunst, schilderkunst en bouwkunst bereikten een hoog niveau. De Taj Mahal is hiervan een sprekend voorbeeld.

Ẓahīr-ud-dīn Mohammed Babur (1483-1530) was de stichter van het rijk. Deze avonturier uit Centraal-Azië versloeg in 1526 in de Slag bij Panipat de sultan van Delhi en nam diens gebied in. Babur en zijn opvolgers, die zich met de oeroude titel padishah (grote koning) tooiden, stamden af van de Turkse heerser Timoer Lenk (1336-1405) en van de Mongoolse veroveraar Dzjengis Khan (1167-1227). De termen Mogol en grootmogol verwijzen naar deze afkomst.

Het was vooral Baburs kleinzoon Akbar (1542-1605) die een hechte organisatie opbouwde, waarvan de instellingen tot in de Britse tijd de basis voor het bestuur van het Mogolrijk vormden. Akbar voerde een tolerant religieus beleid en een doordachte huwelijkspolitiek, waardoor hij ook vele hindoeheersers - onder wie de Rajput-vorsten - aan het Mogolregime wist te binden.

Tijdens de lange regeerperiode van Aurangzeb (1658-1707) bereikte het rijk zijn grootste omvang, maar de Mogollegers waren niet langer superieur aan tegenstanders als de Maratha's. Door de voortdurende oorlogen kwam de bodem van de schatkist in zicht. Aurangzeb verspeelde bovendien veel steun onder niet-moslims door zijn streng-islamitische beleid. Na zijn dood brokkelde het centrale gezag daarom in hoog tempo af, al bleef het rijk in naam nog tot 1858 bestaan. Na de Indiase opstand van 1857 werden de laatste delen van het rijk opgenomen in het koloniale rijk Brits-Indië.

Geschiedenis Het rijk was gesticht door islamitische krijgers uit Centraal-Azië (Afghanistan, Pakistan en omgeving), die het Perzisch als cultuurtaal hanteerden. Perzisch werd dan ook de administratieve taal van het rijk. In deze periode vond er een sterke onderlinge beïnvloeding plaats tussen de Centraal-Aziatische moslimcultuur en de inheemse hindoecultuur. Anders dan in eerdere islamitische rijken was de macht van de Mogolkeizers niet gebaseerd op één etnische groep. De padishah zelf was het middelpunt van de macht en het stelde hoge eisen aan diens leiderschapskwaliteiten om deze mengelmoes van etnische groepen en religies te beheersen. In de eerste twee eeuwen werd het Mogolrijk geregeerd door zes opmerkelijke heersers, die deze rol bekwaam wisten te vervullen. Ze regeerden ook nog eens lang (Akbar en Aurangzeb ieder zelfs 49 jaar), waardoor de chronische twisten om de opvolging minder destabiliserend waren dan anders het geval zou zijn geweest.

Babur Babur behoorde tot de Timoeriden, de nakomelingen van Timoer Lenk, die in Centraal-Azië het rijk van de grote veroveraar in stand probeerden te houden. De Timoeridische vorsten in Centraal-Azië waren voortdurend echter in een onderlinge strijd gewikkeld en waren begin 16e eeuw niet langer opgewassen tegen de opdringende Oezbeken. Babur ontpopte zich al op jonge leeftijd als een uitstekende legeraanvoerder. Op vijftienjarige leeftijd veroverde hij Samarkand, de vroegere hoofdstad van het rijk van Timoer Lenk. Maar door de strijd met de Oezbeken en andere Timoeriden slaagde hij er niet in om zijn veroveringen te consolideren. In 1504 verlegde hij zijn activiteiten naar Afghanistan, waar hij een eigen rijk vestigde met Kabul als hoofdstad. Vanuit deze machtsbasis viel hij verscheidene malen het noorden van India binnen. Uiteindelijk wist hij in 1526 in de slag bij Panipat de sultan van Delhi, Ibrahim Lodi, beslissend te verslaan. Babur dankte zijn overwinning aan zijn sterke cavalerie, maar vooral aan zijn kanonnen en musketten. Hij was de eerste die op het Indisch subcontinent van deze revolutionaire wapens gebruik maakte. Ibrahim Lodi beschikte over een leger van 100.000 man en 1000 krijgsolifanten, maar moest toch het onderspit delven tegen Baburs 12.000 manschappen. Babur maakte goed gebruik van zijn cavalerie en drong zijn tegenstanders in een mêlee, waarna zijn vuurkracht het pleit beslechtte. In 1527 later versloeg Babur met dezelfde strijdwijze bij Khanua een leger van 200.000 man onder leiding van Rana Sanga, de leider van de Rajputs, en Mahmud Lodi, de broer van Ibrahim. Met deze overwinningen legde Babur de basis voor het Mogolrijk.

Behalve een succesvolle generaal was Babur ook tuinarchitect, natuurliefhebber en een begaafd dichter en dagboekschrijver. Zijn memoires, de Baburnama, geven een unieke inkijk in zijn leven en ideeënwereld. Als veroveraar was Babur evenwel succesvoller dan als bestuurder van het nieuw verworven rijk. Hij verdeelde de buitgemaakte rijkdommen onder zijn volgelingen, maar verzuimde om reguliere inkomstenbronnen te organiseren. Zijn zoon en opvolger Humayun verloor mede daarom jarenlang de controle over het veroverde gebied.

350px|thumb|Het mausoleum van Humayun in Delhi, dat sterke gelijkenis met de Taj Mahal vertoont, maar bijna een eeuw eerder gebouwd werd. De door Humayun uit Perzië meegebrachte kunstenaars stonden aan de wieg van de Mogolstijl, zowel in de architectuur, literatuur als beeldende kunst. De strakke tuinen (in char bagh-stijl) en de hoge, uivormige koepel bij Humayuns mausoleum zijn voorbeelden van Perzische invloed

Humayun Baburs zoon Humayun (1508-1556) regeerde over het Mogolrijk tussen 1530 en 1540 en opnieuw in 1555 en 1556. Toen zijn vader in 1530 onverwachts aan een ziekte overleed, kwamen veel van de Afghaanse edelen in opstand, die na een lange strijd het gezag van de Mogols erkend hadden. De belangrijkste onder hen was Sher Shah Suri, de gouverneur van Bihar. Deze wist Humayun, die ondertussen ook met opstanden van zijn broers te maken had, meerdere malen te verslaan en ten slotte uit India te verdrijven. Na een dwaaltocht door Punjab, Sindh, Baluchistan en ten slotte Afghanistan kwam Humayun aan in Perzië, waar hij als banneling aan het hof van shah Tahmasp I leefde. Dankzij de steun van de shah wist hij zijn opstandige broers te verslaan en uiteindelijk, opmerkelijk genoeg, na 15 jaar ballingschap zijn voormalige rijk te heroveren op de Suridynastie (opvolgers van Sher Shah). Na zijn dood liet Humayun een veel groter rijk na aan zijn zoon Akbar, dan hij ooit van zijn eigen vader geërfd had. Humayuns verblijf aan het Perzische hof zorgde voor grote Perzische invloed op de literatuur, kunst en Mogol-architectuur aan het Mogolhof, waardoor de typische Mogolstijl ontstond die onder zijn opvolgers tot grote bloei kwam.

Akbar Het Mogolrijk werd definitief vormgegeven door Humayuns zoon Akbar de Grote (1542-1605). De door hem neergezette structuren hielden meer dan een eeuw stand. Akbar besteeg in 1556 op veertienjarige leeftijd de troon, maar tot 1560 trad Humayuns generaal Bairam Khan op als regent.

Aanvankelijk was slechts een gedeelte van het rijk onder zijn controle, maar Akbar breidde zijn macht aan alle kanten uit met onder andere Malwa, Gujarat, Bengalen, Kasjmir, Kabul en Khandesh. Het kostte Akbar dertig jaar van voortdurende militaire campagnes voordat hij het rijk gepacificeerd had. Zijn gevaarlijkste tegenstanders waren de krijgshaftige Rajputs in Rajasthan. Akbar wist deze hindoeïstische krijgerkaste met meedogenloze middelen te onderwerpen; zo bouwde hij in het begin van zijn loopbaan - in navolging van zijn voorvader Timoer Lenk - na gewonnen veldslagen torens van afgehakte hoofden van gedode tegenstanders.

Akbar bood opponenten die zich onderwierpen echter ook de mogelijkheid om een belangrijke positie binnen het Mogolrijk te verwerven. Door hun dochters in zijn harem op te nemen bond hij vele Indiase vorsten aan zijn imperiale systeem. In 1555 telde de Mogoladel, de omrah, 55 leden, voornamelijk niet-Indiase moslims (Perzen, Pasjtoen, Oezbeken en andere Turken). In 1580 was dit aantal gegroeid tot 222, waarvan bijna de helft uit India afkomstig was. De Rajputvorsten waren met 43 leden vertegenwoordigd.Keay (2000), pagina 313 Aan het eind van Akbars regering vormden de Rajputstrijders zo een van de betrouwbaarste steunpilaren van zijn regime.

thumb|350px|Keizer Akbar (links) en de muzikant Mia Tansen (midden) brengen een bezoek aan de hindoeïstische asceet swami Haridas. Miniatuurschildering met kenmerken van de Jaipur- en Kishangarhstijlen (Rajput), rond 1750 Akbar realiseerde zich dat hij het land nooit onder controle zou krijgen als hij niet een vorm van samenwerking kon opbouwen met zijn niet-islamitische onderdanen, die 80 tot 90 procent van de bevolking uitmaakten. Hij voerde daarom een tolerant religieus beleid en schafte verschillende discriminerende belastingen voor niet-moslims af, zoals de djizja. Hij propageerde het beginsel van sulakhul, universele verdraagzaamheid. Uiteindelijk kwam Akbar tot de conclusie dat geen enkele godsdienst de waarheid in pacht had en lanceerde hij zijn eigen cultus, Din-i-Illahi (God-religie), die aan elke godsdienst elementen ontleende. Centraal stond een almachtige, ondeelbare God. Buiten de hofkringen sloeg de nieuwe cultus echter niet aan. Akbar haalde zich met zijn vrijdenkerij wel de woede van de oelama (islamitische geestelijkheid) op de hals. In 1579-1580 moest hij een gevaarlijke opstand van de oelama, die gesteund werden door - opnieuw - de Afghaanse edelen, neerslaan.

In 1571 begon Akbar aan een megalomaan bouwproject in een dorpje ten westen van Agra. Hier verrees in rode zandsteen een nieuwe hoofdstad, Fatehpur Sikri. Gebrek aan drinkwater verhinderde echter dat Fatehpur Sikri ook daadwerkelijk als hoofdstad ging fungeren. Wel geldt het als een van de hoogtepunten van de architectuur uit zijn periode, samen met Humayuns tombe in Delhi. Aanleiding om juist deze locatie te kiezen voor de nieuwe hoofdstad was dat het dorp de woonplaats was van Salim Chishti, een soefimysticus, die Akbar voorspeld had dat deze nog drie zonen zou krijgen. Ondanks zijn uitgebreide harem slaagde Akbar er namelijk lange tijd niet in om een troonopvolger te verwekken. Salim Chishti's voorspelling kwam uit: Akbar kreeg nog drie zonen, onder wie zijn latere opvolger Jahangir, die bij zijn geboorte de naam Salim kreeg.

Op administratief gebied implementeerde Akbar een effectief belastingstelsel, gebaseerd op zorgvuldig bijgehouden registers van het landbezit. Hij bouwde daarmee voort op de innovatieve hervormingen van de sultan van Delhi, Sher Shah Suri. Dit stelsel genereerde grote sommen geld voor de Mogols en was de basis voor de bloeiperiode van het rijk.

Jahangir en Shah Jahan thumb|270px|Scène uit de Jahangirnama (memoires van Jahangir, circa 1615-1620). Jahangir weegt zijn zoon prins Khurram in goud Na Akbars dood in 1605 werd prins Salim tot keizer gekroond onder de regeringsnaam Jahangir (hij regeerde van 1605 tot 1627). Typisch ontstond vanaf Jahangir rond de dood van de keizer een strijd onder diens zoons om de opvolging. De strijd barstte vaak los zodra de keizer tekenen van lichamelijke zwakte begon te vertonen en vaak was de vader zelf ook partij. Hoewel deze burgeroorlogen interne tegenstellingen binnen de elite (die partij moest kiezen) veroorzaakten en kostbaar voor de schatkist waren, verklaren ze wellicht het opmerkelijke feit dat zes achtereenvolgende capabele keizers een lange, stabiele regeringsperiode genoten.Stein (2010), p. 169

Jahangirs regering begon met een opstand van zijn zoon Khusrau, die werd neergeslagen. De keizer liet zijn zoon de ogen uitsteken en Khusrau overleed in 1622 in gevangenschap. Omdat Goeroe Arjun, de vijfde goeroe van de sikhs, Khusrau geholpen had liet Jehangir deze terechtstellen.