thumb|Big Pink, het huis in Woodstock thumb|Robbie Robertson, 1971 thumb|Levon Helm, 1971 thumb|Rick Danko, 1971 thumb|Richard Manuel, 1971 thumb|Garth Hudson, 1971 thumb|The Band met Bob Dylan in 1974, v.l.n.r. Richard Manuel, Rick Danko, Robbie Robertson, Bob Dylan, Levon Helm. Niet zichtbaar op de foto: Garth Hudson The Band was een Canadees-Amerikaanse rockband, die onder die naam bestond van 1968 tot 1976 en daarna in gewijzigde samenstelling van 1983 tot 1999.
Zij maakten voor het eerst naam in de tweede helft van de jaren zestig als begeleidingsgroep van Bob Dylan, nadat ze al eerder als The Hawks de band waren geweest van Ronnie Hawkins. Ze werden later op eigen kracht zeer invloedrijk als vertolkers van Americana en zorgden mede voor het opleven van de belangstelling voor diverse vormen van Amerikaanse traditionele muziek. In hun muziek versmolt country met folk, blues en rock-'n-roll.
Beschrijving The Band bestond uit vier Canadezen: Rick Danko (1943-1999) - basgitaar, viool, trombone, zang Garth Hudson (1937-2025) - keyboard/Lowrey-organ, piano, clavinet, accordeon, synthesizer, saxofoon Richard Manuel (1943-1986) - piano, mondharmonica, drums, saxofoon, keyboard, zang Robbie Robertson (1943-2023) - sologitaar, piano en de uit Arkansas afkomstige Levon Helm (1940-2012) - drums, mandoline, gitaar, basgitaar, zang. Sinds januari 2025 is geen van de oorspronkelijke vijf leden nog in leven.
Naast hun 'vaste' instrument (hier als eerste genoemd) bespeelden zij allemaal diverse andere instrumenten, zodat ze vaak van plaats konden wisselen. Vooral de klassiek opgeleide Hudson was een buitengewoon veelzijdig musicus. Zijn wonderlijke orgelklanken gaven de muziek een speciale klankkleur die door velen is nagebootst, maar door bijna niemand geëvenaard. Manuel, Danko en Helm, elk met een zeer markant stemgeluid, deelden de vocale partijen en Robertson, die zelden solo's zong, was de voornaamste componist en tekstschrijver. Producer John Simon (wel het zesde Band-lid genoemd) nam ook als sessiemuzikant op piano of saxofoon aan sommige opnamen deel.
De stijl van The Band kenmerkte zich, vooral op de eerste albums, door hun beheersing van allerlei instrumenten en hun aan gospelmuziek ontleende manier van zingen, waarbij zij de melodielijnen aan elkaar overgaven. Samen met bands als The Allman Brothers Band, The Byrds, The Flying Burrito Brothers, Grateful Dead, Creedence Clearwater Revival, Buffalo Springfield, Poco en Little Feat zorgde The Band voor een kritisch en vernieuwend geluid en een commercieel succes dat later werd opgepakt en verder gepolijst door onder meer The Eagles.
Een echte 'leider' had The Band niet, al is in de loop der jaren wel gesuggereerd dat het creatieve brein Robbie Robertson dan wel de enthousiasmerende Levon Helm de leiding had. Zeker de eerste jaren waren de vijf eensgezind en zonder onderlinge hiërarchie bezig met het maken, arrangeren en polijsten van hun muziek. Toen later spanningen ontstonden door botsende ego's, stress bij optredens, drank- en drugsgebruik en vooral geld, sloop animositeit de groep binnen die op den duur leidde tot ontbinding van The Band en ook daarna een lange nasleep had.
Geschiedenis Eerste jaren The Band formeerde zich voor het eerst onder de naam The Hawks, als begeleidingsband van de uit Arkansas afkomstige rockabillyzanger Ronnie Hawkins (1935-2022), een populaire grootheid in Canada met Toronto als basis. Helm, ook uit Arkansas, was de eerste van de groep die zich bij Hawkins aansloot, spoedig gevolgd door de nog zeer jonge Robertson. Ze kregen een warme vriendschap, die "zo dichtbij broederschap kwam als maar mogelijk was", zoals Robertson decennia later verklaarde. Manuel en Danko kwamen na enige tijd ook bij de Hawks, en de vijfmansformatie werd afgerond door de komst van Hudson. Hij had de meeste muzikale kennis en wierp zich op als 'muziekleraar' van de anderen, vooral om zijn familie tevreden te stellen, die alleen van klassieke muziek wilde weten.
De groep maakte zich in 1964 los van Hawkins en trad op onder allerlei namen. Aanvankelijk noemden ze zich The Levon Helm Sextet. Het zesde lid was saxofonist Jerry Penfound (1937-1994), die niet lang bleef. De groep, vooral Garth Hudson, beheerste zoveel instrumenten, dat er geen behoefte was aan een aparte saxofonist. Later heetten ze Levon and the Hawks en The Canadian Squires.
Ze hadden weinig commercieel succes, totdat Bob Dylan hun vroeg mee te werken aan een serie concerttournees van september 1965 tot februari 1966 in de Verenigde Staten en Canada en daarna in april en mei 1966 door Australië en Europa. Deze optredens markeerden Dylans transitie van "folkie" naar "rocker". Vanwege deze concerten is hij lange tijd verguisd door dogmatische aanhangers van folkmuziek, die luidop te kennen gaven dat ze het gebruik van elektrische gitaren en versterkers niet accepteerden.
De optredens verliepen zo tumultueus dat drummer Levon Helm zich in november 1965 terugtrok, omdat hij genoeg kreeg van de scheldpartijen. Hij werd vervangen door Bobby Gregg, die al na een maand plaatsmaakte voor Sandy Konikoff, en later Mickey Jones. Het bleek al snel dat Helm niet kon worden gemist. Hij werd opgespoord op een booreiland en gaf uiteindelijk toe aan de smeekbeden om zijn plaats weer in te nemen.
Toen Dylan in de zomer van 1966 een motorongeluk kreeg en langere tijd uitgeschakeld was, trok de groep, inclusief de teruggekeerde Helm, zich min of meer noodgedwongen terug in Big Pink, het huis dat Danko, Hudson en Manuel huurden in West Saugerties in Woodstock in de staat New York. Hier namen ze met Dylan tientallen nieuwe songs op, de vaak gekopieerde Basement Tapes. Hoewel ze hun eerste platencontract met Capitol Records tekenden als The Crackers ("it was a silly name", erkende Helm later), werd hun groepsnaam uiteindelijk het even bescheiden als onbescheiden The Band.
Eerste albums Hun eerste echte studioalbum, Music from Big Pink (1968), genoemd naar het huis waarin ze in Woodstock woonden en werkten, werd enthousiast ontvangen door publiek, critici en medemuzikanten. Eric Clapton verkondigde zelfs dat deze LP zijn leven had veranderd. De plaat bevatte drie nummers van Dylan (Tears Of Rage, I Shall Be Released en het samen met Rick Danko geschreven This Wheel's on Fire) en enkele nummers van Richard Manuel, waarvan Lonesome Suzie als een van hun meest "heart breaking songs" wordt beschouwd. De rest stond op naam van Robbie Robertson, waaronder hun bekendste klassieker The Weight, die later ook op de soundtrack van Dennis Hoppers film Easy Rider kwam te staan. Robertson ontwikkelde zich op de volgende albums tot de voornaamste songcomponist en tekstschrijver, hoewel alle vijf Bandleden een aandeel hadden in de uiteindelijke vorm en sound van de songs.
Na het succes van Music from Big Pink vertrok The Band naar Los Angeles om in de studio van een van Sammy Davis jr. gehuurd huis het vervolgalbum op te nemen: The Band (1969). Het hele album, van de 'rustieke' hoes tot de nummers en hun arrangementen, was een afwijzing van de toentertijd prevalerende hippie-cultuur van Californië. Het bevatte songs over het 'platteland', de Amerikaanse Burgeroorlog (The Night They Drove Old Dixie Down) en de arme landarbeiders die hun lot in handen gaven van de vakbonden (King Harvest Has Surely Come). Dit album, door de kleur van de hoes ook bekend als "The Brown Album", wordt algemeen als het hoogtepunt van hun werk beschouwd.
Impasse Na het uitbrengen van hun tweede album volgde een tournee, waarin ze voor het eerst zelf de hoofdact waren. De hieruit voortkomende spanningen, het meest gevoeld door Robertson die deze met hypnose probeerde te bestrijden, hadden grote invloed op hun volgende album, waarvan de titel Stage Fright (1970) boekdelen spreekt. Volgens sommigen was dit het laatste 'klassieke' werk van The Band en stelde al het volgende enigszins teleur (al gold voor velen het adagium "een mindere plaat van The Band is altijd nog beter dan de beste van iemand anders"). Van het volgende album Cahoots (1971) was een aantal songs gewijd aan de toenemende ongerustheid voor de toekomst van de aarde, maar ondanks deze duidelijke milieuboodschap werd dit album minder goed ontvangen dan de vorige. De groep leek in een creatieve impasse te verkeren.
Dat bleek ook uit de volgende twee albums. Op het live-album Rock Of Ages (1972), opgenomen tijdens concerten in New York tussen kerst en oudjaar 1971, werd gebruikgemaakt van een uitbundige blazerssectie onder leiding van Allen Toussaint. De muziek werd opzwepend uitgevoerd, maar het enige nog onbekende nummer Get Up Jake was een 'outtake' uit de tijd van het 'brown album'. Ook geen nieuw eigen werk bracht Moondog Matinee (1972), dat uitsluitend covers van beroemde songs van anderen bevatte. Het album eindigde met Sam Cookes A Change is Gonna Come, waarmee werd gesuggereerd dat de dip spoedig voorbij zou zijn.
Ondertussen leidde hernieuwde samenwerking met Bob Dylan, die was overgestapt van Columbia naar het label Asylum Records van Robertsons vriend David Geffen, in 1973-1974 tot het studio-album Planet Waves, een gezamenlijke tournee en het live-dubbelalbum Before the Flood.
Met Northern Lights - Southern Cross (1975) bleek dat de impasse inderdaad was overwonnen, zoals bij het nummer Acadian Driftwood, waarin The Band als vanouds schitterde in het aan elkaar doorgeven van lange melodielijnen. Niettemin had de vermoeidheid toegeslagen, vooral bij Robertson die het leven 'on the road' een "goddamn impossible way of life" noemde. Ook andere Bandleden bleken slecht opgewassen tegen de druk die hun status als megasterren met zich meebracht: Manuel raakte verslaafd aan alcohol en Danko aan drugs. Hun laatste studio-album Islands (1977) vertoont dan ook alle sporen van een werk dat uitsluitend vanwege contractuele verplichtingen tot stand is gekomen, al staat er ook een gedenkwaardig nummer op als The Saga of Pepote Rouge.
The Last Waltz Op initiatief van vooral Robbie Robertson besloot The Band in 1976 zichzelf als groep op te heffen en zich te richten op individuele projecten, al zagen de meesten dat toen niet als een definitief einde van de samenwerking. De Bandleden namen afscheid in Winterland in San Francisco met een groots concert "The Last Waltz" op 24 november, de Amerikaanse nationale feestdag Thanksgiving. Hierbij werd The Band geholpen door een compleet orkest en een lange lijst van gasten, onder wie Ronnie Hawkins, Bob Dylan, Muddy Waters, Neil Young, Joni Mitchell, Dr. John (Mac Rebennack), Van Morrison, Eric Clapton, Paul Butterfield, Neil Diamond, Bobby Charles, Ronnie Wood, Ringo Starr en de dichters Lawrence Ferlinghetti, die het gedicht Loud Prayer voordroeg, en Michael McClure.
Het concert werd op film opgenomen door Martin Scorsese en tezamen met interviews en enkele studio-opnamen, waaraan ook The Staple Singers en Emmylou Harris deelnamen, uitgebracht als "rockumentary" The Last Waltz en een drie-dubbel album.
Na nog het bovengenoemde studio-album Islands en een speciale, door Richard Manuel gezongen versie van de klassieker Georgia On My Mind voor presidentskandidaat Jimmy Carter gingen de bandleden uit elkaar. Het was niet de bedoeling de groep volledig op te heffen: in The Last Waltz Refrain zong Richard Manuel "It's the last waltz, but that don't mean the party is over". Toch werd het plan om door te gaan als studioband geen werkelijkheid. "Everybody just forgot to come back", verklaarde Robertson later.
Problemen