De Slag bij Shiloh is een van de grootste veldslagen van de Amerikaanse Burgeroorlog. De veldslag vond plaats op 6 en 7 april 1862 in Hardin County, Tennessee. Deze slag staat ook bekend als de Slag bij Pittsburg Landing. Het Zuidelijke leger onder leiding van generaal Albert Sidney Johnston en generaal P.G.T. Beauregard voerde een verrassingsaanval uit op het Noordelijke leger onder leiding van generaal-majoor Ulysses S. Grant. De Zuidelijken verloren de confrontatie op de tweede dag van de strijd na initieel succes op de eerste dag.
Op de eerste dag van de slag hoopten de Zuidelijken het Noordelijk leger weg te duwen van de Tennessee en in de moerassen van Owl Creek te drijven. Met deze strategie probeerden ze het leger onder Grant te vernietigen voordat het leger van Don Carlos Buell zich kon aansluiten bij Grants leger. Deze strategie mislukte echter door de onverwachte harde strijd. De Zuidelijke linies geraakten ontregeld waardoor de Noordelijken zich richting Pittsburg Landing konden terugtrekken. Dankzij het verzet van de divisies onder de generaals Benjamin M. Prentiss en W.H.L. Wallace bij Hornet's Nest slaagden de Noordelijken erin hun linies te stabiliseren. Hierbij werden ze beschermd door sterke artilleriebatterijen. Tijdens de strijd was generaal Johnston gesneuveld. De tweede in bevel, generaal Beauregard, zag ervan af om de Noordelijke linies 's nachts aan te vallen.
Dankzij de aangevoerde versterkingen onder leiding van generaal Buell in de loop van de avond en nacht, slaagden de Noordelijken erin om een tegenaanval uit te voeren langs de volledige gevechtslinie. De Zuidelijken werden teruggedrongen en moesten zich uiteindelijk terugtrekken. Deze slag was tot dan toe de bloedigste slag uit het conflict. De Noordelijke opmars in het noorden van het Mississippigebied lag niets meer in de weg.
Shiloh In het zuiden van de Amerikaanse staat Tennessee, 33 kilometer ten noordoosten van de stad Corinth in Mississippi, ligt Pittsburg Landing. Het is een gehucht dat opgebouwd is nabij een bocht in de rivier de Tennessee. Vanaf de tijd dat het dorpje gesticht was tot aan 1862, was het altijd een vrij slaperig plaatsje geweest. Het enige object van enig aanzien in de gemeente was een pittoresk, houten kerkje genaamd Shiloh Church — naar het Hebreeuwse woord shiloh, dat vrede betekent.
Gedurende twee dagen in 1862 was deze kerk de plaats waar 110.000 Amerikanen elkaar bevochten en elkaar probeerden af te slachten in de bloedigste veldslag tot dan toe in de geschiedenis van de Verenigde Staten.
De voorbereiding en samenstelling van beide legers De plaats van de veldslag was niet toevallig. Desondanks was het een verrassing.
In maart 1862 nam generaal Henry Halleck het commando op zich van de federale troepen in het westen van de Verenigde Staten. Vrijwel onmiddellijk besloot hij tot de inname van Corinth, een spoorwegknooppunt van groot, strategisch belang. Om dit te bewerkstelligen, besloot Halleck twee van zijn legers samen te voegen tot een grote aanvalsmacht: het 42.000 man sterke Army of the Tennessee onder de nieuwe generaal-majoor Ulysses S. Grant en het Army of the Ohio met 25.000 man onder brigadegeneraal Don Carlos Buell. Grant trok naar het zuiden tot aan Pittsburg Landing en wachtte daar op Buell, die uit Nashville moest komen. Daarna zouden ze samen oprukken om het spoorwegknooppunt in te nemen dat van vitaal belang was, omdat het onderdeel was van de Memphis & Charleston spoorweg die Richmond aan de Atlantische Oceaan verbond met Memphis aan de Mississippi.Smith, p. 179; Woodworth, Nothing but Victory, p. 136.
Na de verliezen in de Slag om Fort Henry en de Slag om Fort Donelson in februari 1862 had de Zuidelijke generaal Albert Sidney Johnston zijn troepen teruggetrokken uit het westelijk deel van Tennessee en noordelijke Mississippi om op rust te komen en te reorganiseren.
Het feit dat Grant een maand op Buell moest wachten, gaf de Zuidelijke generaals Albert Sidney Johnston en P.G.T. Beauregard de gelegenheid op te rukken voor een aanval op Grant; niet alleen was Grant volgens Johnston de gevaarlijkste man van het Noorden, maar hij wilde ook koste wat kost verhinderen dat Grants leger zou combineren met dat van Buell en zo ook verhinderen dat Corinth verloren zou gaan.
Grants leger telde 48.894 soldaten ingedeeld in 6 divisies. De 1ste divisie werd aangevoerd door generaal-majoor John A. McClernand. De 2de divisie stond onder leiding van brigadegeneraal Wallace. De 3de en 4de divisie werden geleid door respectievelijk generaal-majoor Lew Wallace en brigadegeneraal Stephen A. Hurlbut. Brigadegeneraal William T. Sherman en brigadegeneraal Benjamin M. Prentiss voerden de 5de en 6de divisie aan.Eicher, The Longest Night: A Military History of the Civil War, p. 222. Vijf van deze divisies hadden hun tenten opgeslagen aan het westelijk uiteinde van de Tennessee. Tijdens de oorlog kreeg Grant een reputatie dat hij zich meer zorgen maakte omtrent zijn eigen plannen dan die van de vijand.Smith, p. 185; Eicher, p. 223. Het kampement bij Pittsburg Landing toonde dezelfde lacune. De meeste tenten waren opgesteld rond het kerkje van Shiloh zonder enige vorm van verdediging. Grant had nagelaten om grachten of andere defensieve maatregelen te nemen terwijl hij aan het wachten was op Buell. In zijn memoires zou Grant alle kritiek wegwuiven. Hij schreef: "De troepen onder mijn bevel, soldaten en officieren gelijk, hadden meer behoefte aan discipline en drill dan aan het leren omgaan met houweel en schop…. onder deze omstandigheden was discipline meer waard voor mijn soldaten dan fortificaties."Grant, pp. 211–12. De divisie van Lew Wallace lag 8 km verder stroomafwaarts nabij Crump's Landing. Hiermee had Grant een uitvalsbasis naar de spoorweg bij Bethel Station en kon hij voorkomen dat de Zuidelijken vanuit die richting zouden oprukken.Daniel, p. 139; Nevin, p. 105.
Het leger onder Buells bevel telde 17.918 soldaten. De vier divisies stonden onder bevel van de brigadegeneraals Alexander M. McCook, William Nelson, Thomas L. Crittenden en Thomas J. Wood.Eicher, pp. 222, 230. thumb|400px|Westelijk oorlogsgebied begin 1862
Het Zuidelijke leger was recent gevormd door generaal Johnston en had de naam Army of Mississippi meegekregen. Johnston concentreerde 55.000 soldaten rond Corinth, op ongeveer 30 km ten zuidwesten van Grants kampement. Op 3 april vertrokken 44.699 soldaten om Grants leger te verrassen en te voorkomen dat Buell tijdig aansluiting zou vinden bij Grant. Het Zuidelijke leger was samengesteld uit 4 grote korpsen, namelijk: Generaal-majoor Leonidas Polk met twee divisies geleid door brigadegeneraal Charles Clarck en generaal-majoor Benjamin F. Cheatham Generaal-majoor Braxton Bragg met twee divisies onder het bevel van brigadegeneraals Daniel Ruggles en Jones M. Withers Generaal-majoor William J. Hardee met drie brigades onder bevel van de brigadegeneraals Thomas C. Hindman, Patrick Cleburne en Sterling A.M. Wood Brigadegeneraal John C. Breckinridge als reserve met drie brigades onder de kolonels Robert Trabue en Winfield S. Statham en brigadegeneraal John S. Bowen met toegevoegde cavalerieEicher, p. 223.
Op de vooravond van de komende veldslag waren beide legers ongeveer even sterk qua soldaten. Het Zuidelijke leger was echter slechter uitgerust met veel antieke wapens. Veel soldaten droegen oude geweren, musketten of zelfs pieken met zich mee. De soldaten hadden weinig gevechtservaring. De mannen onder Braxton Bragg hadden nog de beste training gekregen. 32 van de 62 infanterieregimenten van Grants leger hadden al enige gevechtservaring opgedaan bij Fort Donelson. De helft van zijn artillerie en de meeste cavaleristen waren eveneens veteranen.Cunningham, pp. 93, 98–101, 120.
Beauregard, tweede in bevel na Johnston, wilde een aanval op Grants leger niet riskeren. Hij dacht dat het geluid van het testvuren van de Zuidelijke geweren na twee dagen van regen het verrassingselement zou tenietdoen. Johnston weigerde te luisteren naar Beauregard. Ondanks de terechte vrees van Beauregard hoorden de Noordelijke soldaten niets van het marcherende Zuidelijke leger en bleven ze zonder argwaan in hun kampement.Daniel, pp. 127–28.
Johnstons plan was om de linkerflank van Grants leger aan te vallen, met de bedoeling dat het gescheiden zou worden van de kanonneerboten op de rivier en van de aanvoer- en terugtrekkingsroute zou worden afgesneden. Johnston hoopte het Noordelijke leger in de moerassen van Snake Creek en Owl Creek te drijven waar het dan vernietigd zou kunnen worden. De aanval was oorspronkelijk voorzien op 4 april, maar werd 48 uren uitgesteld. Opnieuw verwoordde Beauregard zijn standpunt, maar opnieuw weigerde Johnston te luisteren.Daniel, pp. 119, 121–23; Cunningham, pp. 128–29, 137–40; Woodworth, Nothing but Victory, p. 108; Eicher, p. 223..
De slag op 6 april thumb|260px|Kaart van de slag bij Shiloh, de ochtend van 6 april 1862.
De aanval door de Zuidelijken Rond 6.00 uur in de vroege ochtend van 6 april staat het leger van Johnston opgesteld langs de Corinth Road. De voorbije nacht hadden ze onopgemerkt overnacht op nog geen 3 km van het Noordelijke kampement. Met hun ochtendlijke aanval behaalden ze een vrijwel totaal strategisch en tactisch verrassingseffect. De Noordelijken hadden bijna geen wachtposten of patrouilles om hun bivak te beschermen. De vorige dag had Grant een telegram gestuurd naar Halleck waarin stond dat "hij geen aanval verwachtte, maar mocht er toch één komen dan was hij paraat." Dit was een grote inschattingsfout van Grant. Sherman geloofde zelfs niet dat de Zuidelijken in de buurt waren en ook de eventuele richting waaruit ze zouden kunnen komen werd volledig verkeerd ingeschat. Sherman dacht dat een eventuele aanval uit de richting van Purdy, Tennessee zou komen, dus meer uit westelijke richting. Een van de weinige Noordelijke eenheden die eropuit gestuurd werd het gebied te verkennen was de 25th Missouri Infantry, die deel uitmaakte van de 1ste brigade onder Prentiss. Rond 5.15 uur stuitten ze op de linies van de Zuidelijken. Er barstte een gevecht los, maar de boodschap die teruggestuurd werd naar het Noordelijke hoofdkwartier kwam te laat door om enig effect te hebben.Woodworth, Nothing but Victory, pp. 150–54; Nevin, pp. 110–11; Cunningham, pp. 143-44; Eicher, p. 224; Daniel, pp. 141–42; Smith, p. 185; McPherson, p. 408.