thumb|Lidstaten van de Europese Economische en Monetaire Unie: De Europese Economische en Monetaire Unie (ook wel Economische en Monetaire Unie of Europese Monetaire Unie of in afgekorte vorm EMU genoemd) is het project dat is bedoeld om in de Europese Unie een monetaire unie met een geharmoniseerde economische politiek in te richten. Het project van de EMU werd in 1990 met een driefasenplan gelanceerd. De EMU kwam tot stand bij het Verdrag van Maastricht van 1992. In 1999 werd de EMU daadwerkelijk gerealiseerd. Anno 2026 nemen 21 van 27 EU-lidstaten aan de derde en laatste fase van de EMU deel. Zij gebruiken de euro als betaalmiddel en coördineren hun economische en financiële politiek in het raamwerk van de eurogroep. Deze groep van landen, waar de euro gebruikt wordt, staat ook bekend als de eurozone. De overige 7 EU-lidstaten zijn nog niet overgegaan tot de invoering van de euro. Toch nemen zij in zoverre aan de EMU deel, dat zij zich hebben verplicht om zich aan bepaalde fundamentele regels te houden, zoals de onafhankelijkheid van hun nationale centrale banken en de verplichting om op bepaalde terreinen hun economische en monetaire politiek met de leden van de eurogroep te coördineren.
De EU-lidstaten die deelnemen aan de derde fase van de EMU, hebben hun monetaire bevoegdheden overgedragen aan het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB). Hiervan maken de centrale banken van alle EU-lidstaten deel uit, maar bij cruciale vraagstukken hebben alleen de centrale banken van de lidstaten van de eurozone (dat ook als het eurosysteem bekendstaat) inspraakrecht. Aan de top van het ESCB staat de Europese Centrale Bank (ECB), die voor de lidstaten van de eurozone de verantwoordelijkheid voor een centraal gestuurde geldmarkt- en wisselkoerspolitiek op zich neemt.Zie Deutsche Bundesbank: Glossarium: EMU.
Het hoofddoel van de Europese Economische en Monetaire Unie was de vervollediging van de Europese binnenmarkt door een gemeenschappelijke munt met hoge prijsstabiliteit.Zie Friedrich-Ebert-Stiftung: Schwarzer, D.; Collignon, S. (1999): De monetaire Unie - een kans voor Europa: handboek voor de Europese Monetaire Unie. Het besluit om het driestappenplan in gang te zetten, werd reeds in december 1989, kort na die Wende door de Europese Raad genomen; de belangrijkste bepalingen werden in 1992 in het Verdrag van Maastricht vastgelegd. Het begrip Europese Economische en Monetaire Unie vindt zijn oorsprong in de politieke debatten uit deze tijd en is tot op heden in gebruik. In het Europese primaire recht zelf wordt deze term echter maar zelden gebruikt: in artikel 3, paragraaf 4 van het EU-verdrag wordt de oprichting van een "Economische en Monetaire Unie, waarvan de munt de euro is", als doelstelling van de EU genoemd. In het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU-verdrag) spreekt men daarentegen meestal alleen van een "economisch en monetaire politiek" van de EU van het VwEU-verdrag). De EMU-lidstaten worden hier aangeduid als "lidstaten, die de euro als munt voeren" (artikel 136 van het VwEU-verdrag), de overige lidstaten als "lidstaten, waarvoor een uitzonderingssituatie van toepassing is" (artikel 139 van het VwEU-verdrag).
Lidstaten van de Europese Economische en Monetaire Unie Formeel zijn alle 27 lidstaten van de EU ook lid van de Europese Economische en Monetaire Unie, hoewel het begrip zich in engere zin vaak beperkt tot de landen die aan de derde fase deelnemen, dat wil zeggen de landen die de euro als munt hebben ingevoerd. Hierbij gaat het om België, Bulgarije, (Zuid-)Cyprus, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Slowakije, Slovenië, Spanje en Kroatië. Op 1 januari 1999 is de EMU in werking getreden met de (formele) invoering van de euro in elf landen: België, Nederland, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje, Portugal, Oostenrijk, Ierland en Finland. Op 1 januari 2001 is ook Griekenland tot de EMU toegetreden, zodat de invoering van euromunten en -biljetten op 1 januari 2002 voor twaalf landen gold. Op 1 januari 2007 is Slovenië toegetreden tot de EMU, op 1 januari 2008 hebben Cyprus en Malta het gebruik van de euro ingevoerd en op 1 januari 2009 volgde Slowakije. Op 1 januari 2011 heeft Estland de euro ingevoerdHLN 13 juli 2010: Estland voert de euro in. Per 1 januari 2014 heeft Letland de euro ingevoerd en op 1 januari 2015 volgde Litouwen. Op 1 januari 2023 trad ook Kroatië toe tot de Eurozone.
Acht andere EU-landen hebben de euro tot nu toe niet ingevoerd: Denemarken, Polen, Roemenië, Tsjechië, Hongarije, het Verenigd Koninkrijk (EU-lid tot 2020) en Zweden. Voor deze landen gelden verschillende soorten van uitzonderingsregelingen: terwijl Denemarken en het Verenigd-Koninkrijk door een zogenaamde opt-out-clausule van meet af aan niet tot deelname aan de Europese Economische en Monetaire Unie verplicht zijn, moeten conform het EU-verdrag en het VwEU-verdrag alle andere landen, zodra zij aan de zogenaamde EU-convergentiecriteria voldoen (zie hieronder), de euro als munt invoeren. Een van deze criteria is het zogenaamde Wisselkoers-II-mechanisme (WKM-II), waarbij de munteenheid van het land gedurende twee jaar binnen een bepaalde bandbreedte aan de wisselkoers van de euro wordt gekoppeld. Sinds 1 januari 2023 nemen alleen Bulgarije en Denemarken aan het WKM-II deel.
De andere landen streven zo snel dat voor hen economisch mogelijk is de invoering van de euro na. De enige uitzondering is Zweden, dat eigenlijk voldoet aan de criteria voor invoering van de euro, maar dat zich doelbewust aan WKM-II onttrekt, dit omdat de bevolking van Zweden zich in een referendum tegen de invoering van de euro heeft uitgesproken. Deze praktijk is eigenlijk in tegenspraak met de geest van het verdrag. Dit gedrag van Zweden wordt door de Europese Commissie voorlopig getolereerd, aangezien Zweden op een moment tot de EU toetrad (1 januari 1995) toen de invoering van de EMU al wel was besloten, maar de derde fase echter nog niet was ingevoerd. Zweden heeft dus tot op zekere hoogte een "informele opt-out".Zie Görgens, Egon/Ruckriegel, Karl Heinz/Seitz, Franz: Europese monetaire beleid. Theorie, Empirie, Praktijk. 4., geheel herziene druk. Lucius & Lucius, Stuttgart 2004, (Lucius & Lucius) (UTB), (= UTB, Bd 8285; Wisu-Texte), pag. 20 e.v.Zie Baldwin, Richard [E.]/Wyplosz, Charles: The Economics of European Integration (De economie van de Europese integratie). McGraw Hill Onderwijs (UK), Maidenhead (Berkshire) 2004, , pag. 358 en pag. 363
EU-convergentiecriteria
Om aan de EMU deel te mogen nemen, moeten de lidstaten aan bepaalde voorwaarden voldoen. Deze voorwaarden beogen een zekere uniformiteit en stabiliteit van de economische en fiscale situatie in de eurozone te bewerkstelligen. Deze zogenaamde EU-convergentiecriteria (die naar het Verdrag van Maastricht ook als criteria van Maastricht worden aangeduid) zijn te vinden in artikel 140 van het VwEU-verdrag.Zie ook Mundschenk, Susanne/Schwarzer, Daniela/Collignon, Stefan: Die Währungsunion - Chance für Europa: Handbuch zur Europäischen Währungsunion, Kapitel 2.2, uitgegeven door de Friedrich-Ebert-Stichting, Afdeling internationale dialoog, Bonn 1999, .
Concreet gaat het daarbij om de onderstaande vier criteria: Prijsstabiliteit: De inflatie mag niet meer dan 1,5 procentpunt hoger liggen dan dat van de drie best presterende lidstaten. Stabiliteit van de openbare financiën: de staatsschuld mag niet meer dan 60%, het jaarlijkse begrotingstekort niet meer dan 3% van het bruto binnenlands product bedragen. Wisselkoersstabiliteit: de staat moet ten minste twee jaar zonder devaluatie deelgenomen hebben aan het Wisselkoers-II-mechanisme (WKM-II). Daarbij mag de munteenheid van het land zich slechts binnen een bepaalde bandbreedte (meestal 15%) van de eurokoers hebben bewogen; bij grotere variaties moet de centrale bank van het land interveniëren. Langetermijnrente: De rente op de langetermijnstaatsobligaties mag niet meer dan 2 procentpunt boven het gemiddelde van de drie best presterende lidstaten (landen met de laagste inflatie) liggen.
De Europese Commissie en de Europese Centrale Bank onderzoeken ten minste om de twee jaar of de lidstaten, die de euro nog niet hebben ingevoerd, voldoen aan de convergentiecriteria. Zodra een land aan alle criteria voldoet, kan dit land een aanvraag indienen om mee te doen aan de derde- en laatste fase van de EMU (lees om de euro in te voeren). Naar aanleiding van deze aanvraag doet de Europese Commissie vervolgens een aanbeveling, waarbij nog extra criteria, zoals marktintegratie, de lopende rekening en de arbeidskosten per eenheid product van het aanvragende land mee worden gewogen, hier zijn echter geen vaste kwantificeerbare grenzen van toepassing. Naar aanleiding van deze aanbeveling van de Europese Commissie komt er vervolgens een uitspraak van de Europese Raad en wordt er een hoorzitting in het Europees Parlement georganiseerd. Het besluit van de Raad Economische en Financiële Zaken is uiteindelijk beslissend. Zij neemt een besluit met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen, waarbij evenwel alleen die lidstaten stemrecht hebben, die de euro reeds hebben ingevoerd (artikel 140, paragraaf 2 van het VwEU-verdrag). Tot nu toe werd bij deze beslissingen altijd de aanbeveling van de Europese Commissie overgenomen.
Afbakening van de eurozone
De uitdrukking eurozone (ook euroruimte, euroland) wordt in engere zin meestal gebruikt als aanduiding voor de twintig landen, die de euro als munteenheid hebben ingevoerd. De uitdrukking is in deze betekenis synoniem met het begrip van de Europese Economische en Monetaire Unie in strikte zin.
Tot op heden wordt het begrip eurozone evenwel ook in bredere zin benut voor alle staten, die de euro gebruiken, zelfs als dit geen EU-leden zijn. Onder deze landen zijn Monaco, San Marino, Vaticaanstad en Andorra, landen die op grond van bilaterale verdragen met de EU het recht hebben de euro als enige munteenheid te gebruiken en in nauwkeurig begrensde omvang ook het recht hebben hun eigen euromunten te laten slaan. Daarnaast zijn er ook bijna twintig andere staten of delen van staten, die de euro eenzijdig als munt hebben ingevoerd of die de koers van hun munt aan de euro als reservemunt hebben gekoppeld.Zie EUabc.com: EuroZone en ook EUabc.com: Euroland. Gearchiveerd op 5 juni 2023.
Verdragsrechtelijke beginselen en doelstellingen De beginselen van het economisch- en monetair beleid van de EU zijn vastgelegd in artikel 119 tot artikel 144 van het VwEU-verdrag, waarbij men onder economische beleid hier in essentie operationeel beleid verstaat. Daarnaast zijn er nog talrijke andere beleidsterreinen, waarop de Europese Unie zich beweegt, zoals het Europese werkgelegenheidsbeleid, het Europese sociale beleid of de Europese binnenmarkt, die alle drie economisch politiek eveneens sterke implicaties hebben. Deze begrippen vallen normaliter echter niet onder het economisch-beleidsbegrip van de EMU, dit aangezien hun verdragsrechtelijke grondslagen al ouder zijn. In tegenstelling tot de EMU heeft de EU wat betreft deze zaken niet alleen een coördinerende functie, maar kan zij zelfs wetstellend optreden. De invloed van de Europese Commissie en het Europees Parlement is daarom op deze gebieden groter dan in het raamwerk van de EMU.