thumb|Kalenderbladzijde voor februari uit het Breviarium-Grimani.
Het getijdengebed (Latijn Liturgia horarum), ook bekend als getijden, koorgebed, koorofficie, heilig officie, uren, horologium (in de oosterse en orthodoxe kerken), breviergebed of Opus Dei, is het dagelijkse officiële publieke gebed van de Rooms-Katholieke Kerk. Het is een canonieke verplichting voor monniken, monialen en geestelijken met hogere wijdingen. Het gebed bestaat uit de aan koning David toegeschreven 150 psalmen, aangevuld met hymnen, kantieken en lezingen. Het kan worden teruggevoerd op het joodse dagelijks gebed en is bewaard gebleven bij christelijke kerken. Binnen de christelijke tradities is het getijdengebed de vervulling van nieuwtestamentische aanmaningen om zonder ophouden te bidden.
Geschiedenis Judaïsme en het vroege christendom Het getijdengebed is afkomstig van het joodse gebed, meer bepaald uit de tijd van de Babylonische ballingschap die volgde op de verwoesting van de tempel van Jeruzalem in 586 v.Chr. door de Babyloniërs onder Nebukadnezar II. Die tempel kon toen niet langer gebruikt worden om (dieren)offers te brengen. Men schakelde over op lezingen uit de Thora en zingen of bidden van psalmen en hymnen op vaste uren van de dag.
Het Romeinse Keizerrijk kende een dagindeling van twaalf uren, zes voor en zes na de middag. De joden en de eerste christenen hebben hun gebedstijden daarop geënt, wat blijkt uit verwijzingen naar deze Romeinse uren in het boek Handelingen van de Apostelen (kortweg Handelingen) in het Nieuwe Testament. Zo werd bijvoorbeeld het eerste wonder van de apostelen, de genezing van een kreupele op de treden van de tempel, gesitueerd op het negende uur, toen Petrus en Johannes naar de tempel gingen voor het avondgebed.Handelingen 3:1 Ook de beslissing om niet-joden toe te laten in de vroege christelijke gemeenschappen was gebaseerd op een visioen dat Petrus had bij het gebed in de tempel, op het zesde uur.Handelingen 10:9-49
De aansporing om zonder ophouden te bidden is terug te voeren op een tekst uit het Lukasevangelie en diverse oproepen uit de Brieven van Paulus. Een letterlijke oproep in deze zin is niet op grond van de evangeliën te herleiden tot Jezus Christus. Wel wordt in Lucas 18 de parabel van de onrechtvaardige rechter beschreven, die zich door een volhardende weduwe laat overhalen om recht te doen. De evangelist ziet hierin een bewijs van de noodzaak om onophoudelijk te bidden. De Brieven van Paulus bevatten wel expliciete aanmaningen aan christenen om zonder ophouden te bidden, met een beroep op de wil van Jezus Christus.De oproep in 1 Tessalonicenzen 5 is bekend, maar kanttekeningen bij Herziene Statenvertaling, Lukas 18 geven ook andere tekstplaatsen uit de Brieven van Paulus: Romeinen 12:12, Efeze 6:18, Kolossenzen 4:2. Gearchiveerd op 2 juni 2023.
Uit Handelingen is ook bekend dat de vroege christelijke gemeenschappen de psalmen badenHandelingen 4:23-30 en die psalmen vormen nog altijd de ruggengraat van het getijdengebed. In de Didachè, het oudst bewaarde document met voorschriften voor de eredienst en het kerkelijk leven, wordt voorgeschreven om driemaal daags het Onze Vader te bidden. Plinius de Jongere (63 – ca. 113) beschrijft in zijn brieven aan keizer Trajanus, dat de christenen baden op vaste tijden gedurende de dag en uit zijn beschrijving kan men opmaken dat het niet over de eucharistie ging.Plinius de Jongere, Epistulae, Boek 10.
Vanaf de tweede en derde eeuw beschreven kerkvaders zoals Clemens van Alexandrië, Origenes en Tertullianus de praktijk van het morgen- en avondgebed alsook de gebeden bij het derde, het zesde en het negende uur. Deze gebeden konden individueel of in groep worden gebeden. De woestijnvaders, de voorlopers van de monniken, begonnen de opdracht van Paulus om "zonder ophouden te bidden" letterlijk uit te voeren door verschillende groepen de verschillende gebedsstonden steeds na elkaar te laten reciteren.
Middeleeuwen In de kloosters die vanaf de vierde eeuw in het oosten ontstaan en vanaf de vijfde eeuw ook in het westen, werden de gebeden aangepast, ze werden langer en de dagelijkse gebedscyclus werd snel de regulerende factor voor het leven in de kloosters. Aanvankelijk werden dagelijks de 150 psalmen gebeden, maar dit nam te veel tijd in beslag en men ging het psalmengebed spreiden over een week, waarbij elke dag op de verschillende gebedstijden een aantal psalmen werden gebeden.
Benedictus van NursiaVolgens A.H. Bredero is er een goede kans dat Benedictus van Nursia een legendarische en geen historische figuur is. Benedictus is vooral bekend van zijn biografie in de Dialogen van paus Gregorius de Grote. De echte doorbraak van de Regula Benedicti kwam er vooral dankzij Benedictus van Aniane (±750-821). Adriaan H. Bredero, De ontkerstening der middeleeuwen, 2000 heeft in de 6e eeuw een dergelijk gebedsschema opgezet, dat als Opus Dei (het Werk van God) zeer snel vrij algemeen werd gebruikt. Na verloop van tijd kregen deze psalm-koorboeken toevoegingen zoals antifonen, responses, collecta's en korte gebeden, als hulpmiddel voor diegenen die niet zo bedreven waren in het improviseren van dergelijke gebeden.
Uiteindelijk had men voor het koorofficie een ganse reeks boeken nodig: een "Antifonarium", de Bijbel met het Oude en het Nieuwe Testament, de "Legendarius" (Legendae Sanctorum: levensbeschrijving van de heiligen en martelaars), de "Homiliarium" (homilies over de evangelies), de "Sermologus" (collectie van sermoenen), de werken van de kerkvaders naast het "Psalterium" en het "Collectarium". Om niet telkens over een ganse bibliotheek te moeten beschikken werd het "Breviarium" ontwikkeld, zeg maar een verzamelwerk.
Al in de 9e eeuw had bisschop Prudentius van Troyes een "Breviarium Psalteri" opgesteld voor leken, met voor elke dag een paar psalmen. Alcuinus voegde daaraan nog een dagelijks gebed en enkele andere gebeden toe. Het echte breviarium komt echter pas in de 11e eeuw tot stand. Het vroegste (bewaarde) manuscript dat het ganse koorofficie omvat dateert van 1099 (Bibliothèque Mazarine).
Eind 11e eeuw vereenvoudigde Paus Gregorius VII de liturgie van de getijdengebeden en gaf het geheel de naam "Breviarium". Er zijn meerdere Breviaria uit de 12e eeuw teruggevonden, die allemaal Benedictijns van oorsprong zijn. Innocentius III (paus van 1198 tot 1216) voerde het "Officium Romanum abbreviatum" in. Dit werd door de Franciscanen overgenomen, ze vervingen de "Gallische" versie van het Psalterium door een "Romeinse" en verspreidden deze versie over gans Europa. Deze versie werd tot aan het Tweede Vaticaans Concilie (Vaticanum II) in aangepaste vorm gebruikt. De andere boeken (Legendaria, Responsaria etc.) verdwenen uit het dagelijks gebruik en uiteindelijk legde Nicholaas III (paus van 1277 tot 1280) het gebruik van deze Franciscaanse versie op aan de curie en de kerken van Rome. Naast deze Romeinse versie kennen we nog tal van andere versies zoals de Benedictijnse, de Dominicaanse, de Mozarabische in Spanje en de Ambrosiaanse in Milaan om slechts de bijzonderste te noemen.
Ook in de Nederlanden was het zingen van de getijden een taak die oorspronkelijk uitgevoerd werd door alleen monniken in een klooster en later ook van kanunniken verenigd in een kapittel. Die zongen de getijden in hun kapittelkerk. Met name in belangrijke parochiekerken werd het als een groot gemis ervaren dat in hun kerk de getijden niet gezongen werden. Hier ligt de grondslag voor het ontstaan van de zeven-getijdencolleges van betaalde en professionele zangers van midden vijftiende eeuw. In Vlaanderen heetten ze ook wel Commuun (van communitas chori, koorgemeenschap).
Nieuwe tijd en heden Tot het Concilie van Trente (1545 – 1563) kon elke bisschop het Breviarium opstellen of aanpassen voor zijn diocees en dit werd ook bijna overal gedaan: elke kloosterorde en elk bisdom had zijn eigen Breviarium, vandaar de term "voor gebruik in ..." die meestal vermeld wordt bij de beschrijving van een middeleeuws brevier. Pius V (paus van 1566 tot 1572) verplichtte in 1568 het gebruik van het Breviarium "ad usum Romanum", behalve voor Breviaria die een staat van dienst van meer dan 200 jaar hadden. De Romeinse invloed heeft echter bijna alle andere vormen doen verdwijnen en is het universele type geworden. Sedertdien werden nog verschillende revisies doorgevoerd waarvan de laatste in 1902 door Leo XIII en in 1960 door Johannes XXIII.
Als gevolg van het Tweede Vaticaans Concilie werd het getijdengebed door de Kerk herzien. Hiermee werd getracht zijn zuiver klerikale karakter te verminderen en het getijdengebed terug ingang te doen vinden bij de ganse Katholieke Kerk. Deze hervorming van het getijdengebed werd uitgevaardigd door Paus Paulus VI en gepubliceerd door de Libreria Editrice Vaticana.
Het concilie zelf verwijderde het officie van de nachtwake en gaf een verdeling van de psalmen over vier weken in plaats van een week. Het karakter van de metten (de nachtwake) werd licht gewijzigd en omgevormd tot de lezingendienst, opdat het op elk moment van de dag gebeden kon worden. Deze dienst bevat zowel lezingen uit de Heilige Schrift als hagiografische als andere spirituele teksten.
Inhoud Traditionele officie thumb|Ave Maria in Heures de Charles d'Angoulême Met "traditionele officie" wordt bedoeld het 'skelet' van de verschillende officies van voor het Tweede Vaticaans Concilie. Tegen het einde van de vijfde eeuw telde het getijdengebed zeven officies, waarvan de completen het laatst waren toegevoegd. De Apostolische constitutiesEen verzameling van acht boeken van het einde van de vierde eeuw waarvan gezegd werd dat ze teruggingen op de traditie van de apostelen. vermelden namelijk het bidden in de morgen, op het derde, het zesde en het negende uur, in de avond en bij het kraaien van de haan.
De priem zou zijn toegevoegd door Benedictus van Nursia in de zesde eeuw. De acht gebedsstonden zijn: De metten gedurende de nacht, om middernacht. De lauden rond zonsopgang De priem rond 6 uur De terts rond 9 uur De sext rond 12 uur De none rond 15 uur De vespers rond 17 uur De completen rond 20 uur
Dit schema werd toegeschreven aan Benedictus van Nursia en vervolgens overgenomen van Johannes Cassianus. Deze beschreef het monastieke leven van de woestijnvaders in zijn werken De Institutis (coenobiorum et de octo principalium vitiorum remediis) en Collationes (patrum in Scithico eremo commorantium). Hieruit putte Benedictus bij het opstellen van zijn regel. Momenteel is dit nog steeds de dagindeling die door de Cisterciënzers en sommige Benedictijnse abdijen wordt gehanteerd.
Moderne officie Na Vaticanum II is het brevier bijna onherkenbaar gewijzigd, de structuur van de uren, de verdeling van de psalmen over de gebedsstonden en de gebeden zelf werden aangepast. Men spreekt trouwens ook niet meer van brevier maar van de Liturgia Horarum, de "liturgie van de gebedstijden". Die ziet er als volgt uit: Een inleidend gebed dat gebeden wordt voor de eerste dienst De metten worden nu de "lezingendienst" genoemd. De lauden of het morgengebed De priem is afgevoerd. De terts, sext en none zijn samengevoegd tot het "middaggebed", hoewel ze ook nog afzonderlijk kunnen worden gebeden. De vespers of het avondgebed De completen of de dagsluiting
Structuur van de officies Moderne of Ordinaire Officie Zoals opgemerkt, verschilt het getijdengebed van na Vaticanum II grondig van het vroegere getijdengebed.
Inleidend gebed Het inleidend gebed wordt gebeden voor de eerste dienst. Het bestaat uit: Psalmvers (ps. 50:15). De Latijnse tekst luidt: "Domine labia mea aperies et os meum annuntiabit laudem tuam". Psalm 94 ("Venite exultemus"); deze psalm kan vervangen worden door psalm 23, psalm 66 of psalm 99.
Lezingendienst Komt overeen met de vroegere metten Hymne 3 psalmen met antifonen Lezing Beurtzang Lezing Lofzang (Kantiek) Afsluitend gebed
Morgengebed Komt overeen met de vroegere Lauden Hymne 2 psalmen met antifoon