De komodovaraan (Varanus komodoensis) is een hagedis uit de familie varanen (Varanidae).

De komodovaraan is een van de bekendste hagedissen vanwege de aanzienlijke lengte; tot wel 3 meter lang. Hij is dan ook de grootste hagedis ter wereld. De varaan is dankzij de publieke belangstelling populair in dierentuinen en duikt op in documentaires door zijn afwijkende levenswijze ten opzichte van andere hagedissen. Deze varaan is door het kleine verspreidingsgebied een erg kwetsbare diersoort en is daardoor van bescherming afhankelijk.

De komodovaraan eet naast levende prooien ook wel aas. Veel van de kadavers die gegeten worden zijn indirect door de varaan gedood. De komodovaraan wordt daarom beschouwd als een carnivoor en een alfapredator, die aan de top staat van het ecosysteem. Vrijwel alle hagedissen worden door verschillende dieren gegeten, maar de komodovaraan heeft, eenmaal volwassen, geen natuurlijke vijanden.

De komodovaraan komt voor in het zuidoostelijke deel van Indonesië en leeft op het eiland Komodo alsook in enkele reservaten op het grotere eiland Flores en enkele kleinere omliggende eilanden. De varaan is pas in 1910 door biologen ontdekt en beschreven.

Er is veel onderzoek gedaan naar de komodovaraan, vooral in het Nationaal park Komodo. Daardoor is er veel bekend over de biologie, de levenswijze en de voortplanting van deze hagedis. Regelmatig worden nieuwe ontdekkingen gedaan, zo bleek pas in 2009 dat de komodovaraan goed ontwikkelde gifklieren bezit, die een complex gif produceren. Daarnaast bevat het speeksel van de varaan antistollingsmiddelen die ervoor kunnen zorgen dat een prooi doodbloedt. Lange tijd werd gedacht dat de giftige beet te wijten was aan de bacteriën in de bek.

miniatuur|none|250px|Een opgezet exemplaar in het Natural History Museum

Naam en indeling De wetenschappelijke naam van de soort werd voor het eerst voorgesteld door Pieter Anthonis Ouwens in 1912. De taxonomische geschiedenis is in vergelijking met de meeste reptielen eenvoudig. Sinds de komodovaraan in 1912 werd beschreven en benoemd door Ouwens is de soort nooit van wetenschappelijke naam veranderd. Wel werd in 1942 door Robert Friedrich Wilhelm Mertens, en in 2013 door Andre Koch en anderen, geopperd om de soort in een ondergeslacht Varanus te plaatsen (Varanus (Varanus) komodoensis) maar die opvatting vond weinig opvolging. Er zijn nooit ondersoorten onderscheiden.

De soortaanduiding komodoensis betekent 'van of uit Komodo'.

De komodovaraan heeft verschillende lokale namen die zijn ingegeven door de indrukwekkende gestalte. Door de Indonesiërs wordt de varaan wel ora genoemd, dat 'mond' betekent. Andere namen zijn biawak raksasa (reuzenvaraan) en buaja darat, wat landkrokodil betekent. Deze laatste naam is enigszins misleidend, omdat varanen niet behoren tot de krokodilachtigen.

Ontdekkingsgeschiedenis Op het eiland Komodo zouden volgens de lokale bevolking reusachtige draken leven met een lengte van zes tot zeven meter. In eerste instantie werden de verhalen over de vermeende 'landkrokodillen' afgedaan als fabeltjes door de toenmalige Nederlandse kolonisten. De komodovaraan werd pas relatief laat ontdekt in 1910 door Van Steyn van Hensbroek, luitenant in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL). Hij stuurde fotomateriaal en een huid van een meer dan twee meter lang exemplaar naar majoor Pieter Ouwens, curator van het Zoölogisch Museum in Buitenzorg (tegenwoordig Bogor) op Java. Ouwens stelde een diepgaand onderzoek in en beschreef de hagedis in 1912 voor de wetenschap waardoor de ontdekking al snel een grote bekendheid verkreeg. Ouwens wist met behulp van de lokale bevolking tevens vier levende exemplaren te vangen en over te brengen naar Bogor.

thumb|links|320px|Schedels van verschillende varanen en een korsthagedis:

De komodovaraan inspireerde later W. Douglas Burden tot een studiereis naar Komodo in 1926.Wild Indonesia - Enter the Dragon - Website Hij wist 27 exemplaren te vangen en onderzocht ongeveer 70 varanen voor hij terugkwam met twaalf geconserveerde en twee levende dieren. Burden was ook degene die de Engelse naam komododraak (Komodo-dragon) introduceerde. Drie van de geprepareerde varanen zijn opgezet en tot op heden te zien in het American Museum of Natural History.

Door de Tweede Wereldoorlog stokte het onderzoek naar de varaan en pas in de jaren 50 en 60 werd de studie naar de biologie en levenswijze weer opgepakt. Vooral Walter Auffenberg onderzocht de varaan intensief, hij verhuisde met zijn gezin naar Komodo om de varaan gedurende elf maanden te onderzoeken. Hij ving en markeerde daarbij meer dan 50 exemplaren en zijn onderzoek heeft veel aan het licht gebracht over het in gevangenschap houden van de varaan. Tot op de dag van vandaag vindt onderzoek plaats naar de komodovaraan, een bekende bioloog die recentelijk onderzoek heeft gepubliceerd is Claudio Ciofi. Het Nationaal Natuurhistorisch Museum te Leiden bewaart een geprepareerd exemplaar van de komodovaraan.

Evolutie miniatuur|250px|Schets van Varanus priscus Varanen stammen af van de Lepidosauria, een groep hagedisachtige reptielen die zich ongeveer 250 miljoen jaar geleden afsplitsten van de Diapsida aan het eind van het Paleozoïcum. De varanen uit het geslacht Varanus ontstonden ongeveer 40 miljoen jaar geleden, dus in het Eoceen, in zuidelijk Azië en Europa. Toen ongeveer 15 miljoen jaar geleden door tektonische activiteiten Australië tegen Zuidoost-Azië botste, verspreidden de varanen zich naar andere werelddelen, mogelijk kwam de komodovaraan vroeger voor in grote delen van Australië en Azië. Biologen vermoeden dat de varaan zich ongeveer 4 miljoen jaar geleden afsplitste gedurende het late Neogeen. Ongeveer 20.000 jaar geleden tijdens het laatste glaciaal stond het zeeniveau zo laag dat de zee tussen het eiland Komodo en de eilanden Flores, Rinca en Gili Motang droogviel. Hierdoor werden de eilanden met elkaar verbonden en kon de Komodovaraan zijn leefgebied uitbreiden. De varaan kwam vroeger voor in oostelijk Flores tot in Timor, maar na de ijstijd steeg de zeespiegel weer en dreef de varaan terug tot het huidige verspreidingsgebied. De achteruitgang van de komodovaraan begon in het Holoceen toen het dier verdween uit grote delen van Flores, vermoedelijk door toenemende menselijke activiteit.

De supervaraan Varanus priscus, tot voor kort ook wel bekend als Megalania werd als mogelijke voorouder van de komodovaraan beschouwd. Deze varaan werd maar liefst 5 tot 7 meter lang en stierf ongeveer 40.000 jaar geleden uit. Varanus priscus vertoonde enkele uiterlijke overeenkomsten zoals een opstaande rand tussen de ogen en gelijkende zaagachtige tanden. Onderzoek wijst echter uit dat de moderne reuzenvaraan (Varanus giganteus) sterker verwant is aan Varanus priscus dan de komodovaraan. Aan het einde van het Pleistoceen stierven dergelijke grote varanen uit, evenals veel grote zoogdieren zo'n 100.000 tot 10.000 jaar geleden. De reden van deze extinctie is nog niet bekend .

Lichaamskenmerken miniatuur|250px|Het skelet van de varaan De komodovaraan heeft een typisch hagedisachtige bouw: een langwerpig lichaam en een lange staart, vier gebogen poten en een brede, platte kop. De gespierde staart is langer dan het lichaam. De voor- en achterpoten hebben lange, gekromde en mesachtige nagels.

Afmetingen De komodovaraan behoort tot de langste hagedissen ter wereld en kan een lengte bereiken van meer dan drie meter. De komodovaraan kan tot 150 kg zwaar worden en wordt daarom geclassificeerd als de grootste nog levende hagedis ter wereld.

De afmetingen in lengte en gewicht worden soms sterk overdreven, zo zou het dier volgens de legenden zes tot zeven meter lang kunnen worden en in verscheidene bronnen wordt een maximale massa gegeven van 250 kg of meer. Dergelijke overschatte afmetingen zijn niet altijd het gevolg van de fantasie van de lokale bevolking, maar soms gebaseerd op onderzoek van serieuze wetenschappers. Zo is de vermeende massa van 250 kg een schatting van de bioloog Walter Auffenberg die veel onderzoek deed naar de komodovaraan in het wild. Uit de vondst van een 2,5 meter lang exemplaar met een massa van ongeveer 50 kg dat na een grote maaltijd bijna 100 kg woog, leidde Auffenberg af dat een drie meter lang exemplaar zo rond de 250 kg zou moeten wegen. Dit getal wordt dan ook vaak gebruikt als de maximale massa, maar dergelijke exemplaren zijn nog nooit aangetroffen.

miniatuur|De huid van de komodovaraan is verstevigd met schubben en huidbeentjes

Het langste exemplaar dat is beschreven was 3,13 meter lang en woog 166 kg inclusief eventuele verzwolgen prooien. Dit dier is opgezet en te bezichtigen in het Tilden Regional Park te Berkeley in Californië. De meeste exemplaren blijven echter kleiner, gemiddeld 2,5 meter en bereiken een gemiddelde massa van ongeveer 45 kg.

De forse lichaamslengte van de hagedis is te danken aan het feit dat er geen andere grote roofdieren voorkomen in het verspreidingsgebied. Daardoor heeft de komodovaraan de niche gevuld van grote carnivoren zoals die in andere werelddelen voorkomen.

Lichaamsbouw en kleur De huid van de komodovaraan is bedekt met schubben die zo dik zijn als een nagel, de huid van de kop en de staart zijn voorzien van huidbeenderen die naarmate de hagedis ouder wordt fuseren en een soort maliënkolder vormen. Bij oudere dieren vormen deze botjes vooral op de kop een soort helm; dergelijke structuren komen ook voor bij andere hagedissen en krokodilachtigen.

De huidskleur is bruin tot olijfgroen, de bovenzijde van de rug van heel oude exemplaren krijgt een gelige kleur door vele kleine gele vlekjes. Op sommige eilanden komen afwijkende kleuren voor. Zo zijn de dieren op Flores meer rood van kleur met een gele kop. Jongere dieren zijn veel helderder gekleurd en hebben een lichtere kleur met donkere vlekken. De kop en poten zijn donkerder tot zwart. De staart is opvallend dik en lang en is voorzien van een lage kam die met name aan de staartbasis wat meer geprononceerd is. De staart is gebandeerd met lichtere en donkere ringen, wat vooral bij de jongere dieren goed te zien is. Bij volwassen dieren vervagen de kleurschakeringen naarmate ze ouder worden.

Kop miniatuur|Kop met duidelijk zichtbare tong. De poten zijn voorzien van stevige klauwen. miniatuur|Schedel De snuit is relatief stomp, afgerond en breed maar plat, de uitstekende en omlaag gekromde bek doet denken aan de snavel van een eend. De ogen en neusgaten zijn vrij groot en duidelijk zichtbaar; boven het oog is een duidelijke benen rand aanwezig. De ongeveer zestig tanden zijn naar achteren gekromd waardoor ze als een zaag makkelijk door het vlees snijden en grote stukken van de prooi kunnen scheuren. De tanden hebben net zo'n vorm als die van grote haaien, zoals de witte haai.

Een ander gemeenschappelijk kenmerk met haaien is dat de tanden vele malen kunnen worden vervangen en daardoor altijd scherp zijn. De komodovaraan is een van de weinige reptielen waarvan de tanden dienen om te snijden; bij vrijwel alle hagedissen en krokodilachtigen dienen de tanden slechts om de prooi vast te houden.

Geslachtsonderscheid Mannetjes en vrouwtjes zijn nauwelijks van elkaar te onderscheiden, de mannetjes worden groter en forser dan de vrouwtjes. In het veld is dat moeilijk te zien doordat jongere en oudere exemplaren bij elkaar leven. Mannetjes hebben een meer gewelfd deel aan de onderzijde bij de cloaca door de aanwezigheid van de hemipenis, maar bij levende exemplaren is dat niet te zien. De buik van de varaan is kwetsbaar en wordt niet getoond. Alleen sonderen, het handmatig bepalen van de diepte van de cloaca, kan zekerheid brengen, maar dit is met name bij de grotere exemplaren in de praktijk niet uit te voeren zonder de dieren te vangen of te verdoven.

Zintuigen thumb|right|260px|Een video-opname van een komodovaraan, het flikkeren van de tong is duidelijk zichtbaar.