Rolspinnen (Solifugae), ook wel bastaardspinnen of solifugen genoemd, vormen een orde van geleedpotige dieren die behoren tot de spinachtigen (Arachnida). Ze staan bekend als felle jagers die het voornamelijk voorzien hebben op insecten en andere ongewervelden, maar ook kleine gewervelde dieren worden gegeten. Rolspinnen gebruiken hun kaken om prooien te grijpen en te doden.
Rolspinnen zijn geen echte spinnen, hoewel ze erop lijken. Rolspinnen worden enkele millimeters tot maximaal zeven cm lang, exclusief de poten. Ze hebben altijd vier paar poten, maar lijken vijf paar poten te bezitten. Het voorste paar gelede aanhangsels bestaat uit sterk verlengde, pootachtige monddelen. Alle soorten hebben formidabele kaken (cheliceren) die duidelijk opvallen. Rolspinnen worden gekenmerkt door een dichte en relatief lange lichaamsbeharing. De meeste soorten hebben een geelbruine tot bruine lichaamskleur.
Rolspinnen hebben een gespecialiseerd ademhalingsapparaat waardoor ze over relatief veel zuurstof beschikken. Ze hebben hierdoor in vergelijking met andere ongewervelden een veel snellere stofwisseling. Rolspinnen zijn als gevolg hiervan zeer actieve jagers die bekend staan als vraatzuchtig. Vooral de grotere vrouwtjes zijn bijterig en agressief. Ze zijn niet giftig, maar de grotere soorten kunnen met hun cheliceren pijnlijk bijten en de hierdoor ontstane verwondingen kunnen gemakkelijk infecteren. Ze kunnen ook zeer snel rennen en worden vaak aangezien voor een pluisje dat door de wind wordt weggeblazen. Dit alles heeft geleid tot vele sagen en mythen over de dodelijkheid of gevaarlijkheid van rolspinnen.
Er zijn ongeveer 1200 soorten rolspinnen beschreven die verdeeld worden in twaalf families. De zonspinnen (Solpugidae) zijn een wat bekendere familie. De verschillende soorten komen vrijwel wereldwijd voor, behalve in Australië en Antarctica. Enkele soorten komen voor in zuidelijk en oostelijk Europa, voornamelijk rond het Middellandse Zeegebied. In België en Nederland komen geen rolspinnen voor, maar ze kunnen wel meereizen via exportproducten zoals bananen. Alle soorten leven in droge gebieden, zoals steppen, savannen en woestijnen. Het zijn uitgesproken bodembewoners, hoewel van enkele soorten is beschreven dat ze ook kunnen klimmen. Veel rolspinnen graven tunnels in de bodem waar ze in rusten en schuilen bij gevaar.
Naamgeving thumb|Tekening van een rolspin uit de Iconographia Zoologica (1881-1883). Rolspinnen staan onder verschillende Nederlandstalige namen bekend, zoals kameelspinnen, valse spinnen, windschorpioenen en zonnespinnen.
De naam 'rol'spinnen slaat op het vermogen om het achterlijf -net als voorkomt bij schorpioenen- omhoog te krommen als het dier wordt bedreigd. Ook in andere talen worden dergelijke namen gebruikt, zoals het Duitse 'walzenspinnen', of het Noorse 'valseedderkopper' (wals spinnen). In andere talen worden verschillende andere namen gebruikt, zoals het Zweedse 'skorpionspindlar' (schorpioenspinnen), het Spaanse 'arañas del sol' (zonnespinnen).
De naam kameelspinnen slaat niet op de vermeende gewoonte om kamelen aan te vallen, zoals vaak wordt beweerd, maar op de verhoogde plaat aan de voorzijde van de kop, die op een bult lijkt. De benaming zonnespinnen slaat op een aantal overdag actieve soorten die de directe hitte van de zon willen vermijden. Ze lopen hiertoe snel van de ene schaduw naar de andere.
In de Afrikaanse taal worden de dieren wel baardscheerders of haarscheerders genoemd, omdat ze aangetrokken zouden worden door menselijke beharing. Hierdoor zouden ze verstrikt raken in het lange haar van vrouwen en met hun kaken het haar afknippen om zich te bevrijden. Deze mythe is waarschijnlijk ontstaan doordat de vrouwtjes van sommige rolspinnen dierlijke beharing als nestmateriaal gebruiken. Ook andere Afrikaanse namen worden gebruikt, zoals gift-kankers en vetvreters.
De Grieken waren de eersten die spinnen en rolspinnen als aparte groepen zagen, spinnen werden 'Arachne' genoemd en rolspinnen werden aangeduid met 'Phalangium'. Plinius de Oudere was de eerste die de groep een wetenschappelijke naam gaf; hij noemde ze Solpuga in zijn verhandeling Naturalis historia. Deze naam is afgeleid van het Latijnse sŏlĭpūga en betekent letterlijk vertaald 'zonnevluchter'; fugere = vluchten en sol = zon. Deze benaming werd in die tijd algemeen voor giftige mieren of spinnen gebuikt.
De naam Solpuga werd lange tijd gebruikt voor de groep van rolspinnen, tot Carl Jakob Sundevall in 1833 voor het eerst de naam Solifugae voorstelde. De benaming Solpuga wordt tegenwoordig nog steeds gebruikt voor een geslacht van rolspinnen waarvan de vertegenwoordigers te vinden zijn in delen van Afrika. De naam Phalangia werd later onder andere gebruikt door Claudius Aelianus in zijn werk De natura animalium. Hierin beschrijft Aelianus hoe een bepaald gebied eens werd geëvacueerd vanwege de enorme aantallen rolspinnen die er voorkwamen.
Verspreiding en habitat thumb|Rolspinnen zijn typische bodembewoners, hier Galeodes caspius in de natuurlijke habitat in Kazachstan. Rolspinnen leven in warme, droge en bij voorkeur woestijnachtige gebieden. Ze komen op alle continenten voor, behalve Antarctica en Australië (inclusief Nieuw-Zeeland). Ook op Madagaskar komen geen soorten voor. Binnen hun verspreidingsgebied zijn rolspinnen meestal zeer algemeen. Omdat ze zich overdag in een ondergronds holletje bevinden, worden ze niet vaak gezien.
Rolspinnen zijn uitgesproken woestijnbewoners die leven in hete tot gematigde woestijnen, steppen, savannen, scrublands en droge bossen. In tegenstelling tot veel andere spinachtigen is geen enkele soort gespecialiseerd in het leven in grotten (troglofiel). De meeste vertegenwoordigers leven in Afrika en in delen van het Arabisch Schiereiland, maar ook in Azië en zuidelijk Europa komen soorten voor. In Noord-Amerika zijn de dieren bekend in uiterst zuidelijk Canada, in de zuidwestelijke woestijnachtige gebieden van de Verenigde Staten en via Mexico in delen van Zuid-Amerika. Hier leven de rolspinnen voornamelijk in kuststreken van het noorden en westen. Slechts van enkele soorten is bekend dat ze ook in tropische, vochtige gebieden zoals nevelwouden voorkomen. In het Amazonegebied komen echter geen soorten voor, ook niet langs de kust. In Afrika komen rolspinnen niet overal voor; in het drogere westen en noorden van Zuid-Afrika komen twee keer zo veel soorten voor als in het meer vochtige deel van het land in het oosten.
Vrijwel alle soorten zijn te vinden in relatief laaggelegen gebieden, vaak relatief dicht bij de kust. Van slechts enkele soorten is bekend dat het bewoners zijn van uitgesproken berggebieden. Een voorbeeld van een dergelijke bergbewoner is de soort Gylippus ferganensis, die op een hoogte van ongeveer 3000 meter boven zeeniveau is aangetroffen in het Pamir-gebergte.
In Europa zijn achttien verschillende soorten bekend die vier families vertegenwoordigen. Rolspinnen komen voor in negen Europese landen, de meeste soorten zijn bekend uit Griekenland (tien) en het eiland Cyprus (vijf). In Spanje en Portugal is de zonnespin (Gluvia dorsalis) een vrij algemene soort.
Uiterlijke kenmerken thumb|Sommige soorten hebben bonte kleuren zoals Metasolpuga picta uit Namibië. Rolspinnen bereiken in de regel een lichaamslengte van enkele centimeters, maar er zijn soorten die veel groter worden. De kleinst bekende rolspin is Vempironiella aguilari waarvan de mannetjes een lichaamslengte bereiken van 3,9 tot 5,8 millimeter. Veel soorten worden gemiddeld 1,5 tot 3,5 centimeter lang, exclusief de poten. De maximale lichaamslengte is ongeveer zeven centimeter. Rolspinnen hebben relatief lange poten en de grootste soorten bereiken inclusief poten een totale lichaamslengte tot zestien centimeter. Dergelijke soorten kunnen een gewicht hebben van meer dan 50 gram.
Rolspinnen lijken op 'echte' spinnen, maar er zijn enkele belangrijke uiterlijke en inwendige verschillen. Ze zijn bijvoorbeeld duidelijk sterker behaard en zowel de kop, de poten als het lichaam bevatten lange, dunne haren die dienen als tastzintuigen. De kop van de dieren is relatief groot en sterk gewelfd. De twee kleine ogen zijn boven op de kop aan de voorzijde gepositioneerd. Duidelijk zichtbaar zijn de zeer grote kaken of cheliceren. De cheliceren bestaan uit een onbeweeglijk deel aan de bovenzijde dat aan de kop is gehecht en een beweeglijk, scharnierend deel aan de onderzijde.
Bijna alle rolspinnen hebben een gele tot bruine lichaamskleur die voornamelijk veroorzaakt wordt door de beharing op het lichaam. Sommige soorten zijn donker gekleurd of hebben juist een lichtere tot bijna witte lichaamsbeharing. Ook komen soms patronen voor op het lichaam zoals lengtestrepen. Mannetjes zijn over het algemeen lichter van kleur en blijven kleiner; ze hebben relatief langere poten in vergelijking met de vrouwtjes. Mannetjes hebben tevens een kleinere kop en hun kaken zijn minder sterk.
Het lijf van een rolspin bestaat uit twee lichaamsdelen; de tagmata. Het eerste (voorste) tagmatum bestaat uit het kopborststuk of prosoma: dit deel wordt ook wel cephalothorax genoemd en is verdeeld in drie segmenten. Deze segmenten worden ook wel somieten genoemd. Het tweede (achterste) deel van het lichaam bestaat uit het achterlijf of opisthosoma. Het achterlijf is opgebouwd uit elf somieten, waarvan er tien zichtbaar zijn.
Rolspinnen lichten op als ze worden blootgesteld aan een bepaalde golflengte uv-straling, maar niet zo sterk als bekend is van schorpioenen. Deze eigenschap wordt wel gebruikt om ze op te sporen in het donker voor onderzoek of om ze te verzamelen voor de handel in exotische dieren. De functie van deze eigenschap is niet geheel bekend; mogelijk dient het vermogen om UV-licht te weerkaatsen als een soort beschermingslaag tegen de felle zon of om licht beter te detecteren.
Hoewel de meeste rolspinnen erg op elkaar lijken, zijn er enkele geslachten die een afwijkend uiterlijk hebben. Soorten uit het geslacht Metasolpuga bijvoorbeeld hebben bonte lichaamskleuren: ze bezitten een rode carapax en een gele tot groene lichaamsbeharing. Rolspinnen uit de familie Hexisopodidae hebben krachtige, maar extreem korte pootjes en een opvallende, zeer pluizige lichaamsbeharing. Ze worden daarom in de Engelse taal wel aangeduid als 'teddybeer-rolspinnen'. De vertegenwoordigers van deze familie kunnen door de zeer korte poten niet zo hard rennen, maar wel veel sneller graven in vergelijking met andere rolspinnen.
Kopborststuk thumb|Algemene lichaamskenmerken van een rolspin. Afgebeeld is de onderzijde van een Galeodes-soort. Merk op dat de lichaamsbeharing en de stekels zijn weggelaten. De kop is net als bij andere spinachtigen volledig samengegroeid met het borststuk en is niet gescheiden door een afsnoering zoals bij de insecten het geval is. Het kopborststuk staat bij de spinachtigen ook wel bekend als het prosoma of cephalothorax. Het kopborststuk is verdeeld in drie delen die net als de segmenten van het achterlijf somieten worden genoemd. Het voorste kopborststuksegment is veruit het grootst en wordt beschermd door een zeer dikke chitineuze plaat; het rugschild of carapax. Het omsluit aan de bovenzijde van het lichaam de kop en de eerste twee lichaamssegmenten, de segmenten die corresponderen met de eerste twee potenparen. Het tweede en het derde segment van het prosoma hebben ieder een eigen schild aan de bovenzijde.