Mahakala is een geslacht van theropode dinosauriërs behorend tot de groep van de Dromaeosauridae dat tijdens het Late Krijt leefde in het gebied van het huidige Mongolië.
Het eerste fossiel van Mahakala is gevonden in 1993. Het geslacht kreeg in 2007 zijn naam toen de typesoort Mahakala omnogovae benoemd werd. Tot nu toe is er maar één skelet van Mahakala opgegraven. Dat was echter volledig genoeg om de wetenschappers een goed beeld te geven van de bouw van het dier.
Mahakala is met een lengte van een halve meter een van de kleinste bekende dinosauriërs die geen vogel is. Zijn geringe omvang wordt gezien als een aanwijzing dat de eerste Maniraptora klein waren want hij staat onder in de stamboom van de dromaeosauriden. Hij was een vleeseter die zijn prooi kon aanvallen met een geheven sikkelklauw aan de tweede teen. Mahakala was warmbloedig en bevederd. Zijn armen waren echter erg kort zodat hij niet kon vliegen. De geleerden zijn het er niet over eens of ook dit een oorspronkelijk kenmerk was of juist een eigenschap waarin Mahakala van zijn directe voorouders afweek.
Naamgeving en vondst De typesoort Mahakala omnogovae is in 2007 in het blad Science benoemd en kort beschreven door Allen Turner, Diego Pol, Julia Clark, Gregory Erickson en Mark Norell. De geslachtsnaam komt uit het Sanskriet en is de naam van Mahakala, een Dharmapala uit het Tibetaans boeddhisme. De soortaanduiding verwijst naar de provincie Ömnögovĭ in de zuidelijke Gobi.
Het fossiel, holotype IGM 100/1033, is in 1993 bij Toegroegjin Sjireh gevonden in lagen van de Toegroegjinafzetting van de Djadochtaformatie, die dateert uit het Campanien, ongeveer 75 miljoen jaar oud. Het bestaat uit een fragmentarisch skelet met gedeeltelijke schedel maar zonder onderkaken. Bewaard zijn gebleven: een stuk linkerbovenkaaksbeen, de voorhoofdsbeenderen, een quadratum, een hersenpan, een stuk dentarium met spleniale, een losse tand, drie halswervels, stukken van twaalf ruggenwervels, een sacrum, drie reeksen van acht, zes en drie staartwervels, drie losse staartwervels, drie chevrons, een schouderblad, beide armen, een stuk darmbeen, een rechterachterpoot en het linkeronderbeen. De vingers ontbreken. De botten zijn goed gepreserveerd en behoren aan een jongvolwassen individu.
In 2011 werd de soort, na verdere preparatie van het holotype, in detail beschreven.
Beschrijving Grootte, algemene bouw en onderscheidende kenmerken Mahakala is een erg kleine tweevoetige, bevederde, warmbloedige roofsauriër, ongeveer zeventig centimeter lang. In 2010 gaf Gregory S. Paul de afmetingen zelfs wat kleiner: een halve meter lengte en een gewicht van vierhonderd gram. Dit maakt het een van de kleinste dinosauriërs buiten de vogels. Het dijbeen heeft een lengte van slechts 76,2 millimeter. left|thumb|Een groottevergelijking met een mens De oorspronkelijke beschrijvers wisten enkele onderscheidende kenmerken vast stellen. De ellepijp is erg vlak en breed waarbij de achterkant uitloopt in een scherpe rand. Het dijbeen heeft een langgerekte zijkam aan de achterste onderkant. De voorste staartwervels hebben voorste werveluitsteeksels, prezygapofysen, die ongeveer horizontaal liggend schuin zijwaarts uitsteken. Twee andere kenmerken, het bezit van een hoge kam op het darmbeen boven het heupgewricht en het ontbreken van een groeve op de basis van het schaambeen voor de aanhechting van de musculus cuppedicus, zijn achteraf ook bij verwante soorten aangetroffen. De beschrijving uit 2011 wist daar een onderscheidend kenmerk aan toe te voegen: aan de achterkant van de schedel bevindt zich op de voorkant van de processus paroccipitalis bij de samenloop van de verticale richel op de metotica en de achterste recessus tympanicus een uitholling die een uitspringende rand heeft. Verder zou de combinatie uniek zijn van de bovengenoemde twee op zich niet unieke eigenschappen samen met de volgende kenmerken: het schouderblad vernauwt naar achteren toe; de voorpoot is verkort tot de helft van de dijbeenlengte.
Skelet Schedel en onderkaken thumb|Een schema van de belangrijkste bewaarde skeletelementen die in 2007 geïdentificeerd waren Het aantal tanden in het bewaarde stuk bovenkaaksbeen is niet vaststelbaar; uit de grootte van de tandkassen blijkt dat de maxillaire tanden vrij talrijk en klein zijn. De voorhoofdsbeenderen zijn gewelfd, net als bij de troödontiden. Op deze frontalia ontbreekt op buitenste hoek van het abrupte raakvlak met de neusbeenderen, waar de hoek van het traanbeen overlapt wordt, een inkeping, anders dan bij de dromaeosauriden. De overlapping met het traanbeen heeft bovenop een V-vormige groeve, met de punt naar achteren gericht, die aan de buitenzijde begrensd wordt door een lage richel. De ruimte tussen de oogkassen is smal, een aanwijzing dat de ogen groot waren. De bovenrand van de oogkas, iets naar boven gedraaid, gaat geleidelijk over in de achterrand, net zoals bij de troödontiden; de abrupte dromaeosauride overgang naar de tak richting het postorbitale ontbreekt dus. De bovenrand van het bovenste slaapvenster is zwak gebogen, niet golvend zoals bij de meeste dromaeosauriden. Het quadratum lijkt nog de kenmerken te hebben van een tweevoudige kop in plaats van het enkelvoudige balgewricht dat typisch is voor de Dromaeosauridae, in de zin dat aan de binnenkant van het rechthoekige bovenvlak zich een lagere driehoekige punt bevindt. Misschien raakte deze punt de hersenpan. De voorste beenstijl van het quadratum richting os pterygoides en de zijdelingse beenstijl naar het quadratojugale zijn gescheiden door een duidelijke verticale trog; bij veel dromaeosauriden ontbreekt deze.
Aan de achterkant van de schedel zijn de processus paroccipitales matig lang en slank en draaien naar buiten en weer naar voren, een dromaeosauride kenmerk. Daarbij wringen ze ook iets om hun lengteas, zodanig dat het achtervlak wat naar boven gericht wordt. Dit vlak is niet doorboord door foramina. Het achterhoofdsgat is zeer groot in de vorm van een afgeplatte ovaal. Het basioccipitale maakt een kleine gedeelte uit van de onderrand van het achterhoofdsgat. In de oorspronkelijke beschrijving werd gesteld dat de condylus occipitalis klein was; later bleek dat die in het geheel niet bewaard was gebleven. Boven het achterhoofdsgat is het midden van het supraoccipitale glad; aan weerszijden bevinden zich echter halvemaanvormige groeven, met de holle zijde naar buiten gekeerd. Deze herbergden vermoedelijk aders waarvan de uitgangskanalen vrij hoog in de groeven zichtbaar zijn. Naast iedere punt van het achterhoofdsgat ligt een relatief diepe uitholling. Het achterhoofd gaat met een vrij scherpe richel over in het schedeldak.
Van de hersenpan is slechts de zijkant bewaard die verdeeld is in een horizontaal gerichte zijde en een meer naar boven georiënteerd vlak, ervan gescheiden door een opvallende richel. Van de recessus tympanici zijn in ieder geval de achterste en de bovenste aanwezig. Bij de samenvloeiing van de verticale beenstijl van het metoticum met de achterste basis van de processus paroccipitalis wordt het metoticum ingesneden door een diepe groeve die een wat naar boven gerichte rand vormt, een kenmerk dat verder niet van dromaeosauriden of andere Paraves bekend is. Het prooticum toont nog een aangrenzende uitholling die het overblijfsel kan zijn van het gewrichtsfacet dat de vogels en troödontiden kenmerkt. De zijkant van de hersenpan mist ieder spoor van de otosfenoïdale kam van de troödontiden. De binnenzijde van de hersenpan toont een gladde uitholling voor de flocculus. De voorste en achterste halfcirkelvormige kanalen zijn relatief naar achteren gedraaid; hun raakpunt is verwijd.
In het verhemelte is het os ectopterygoides een driestralig element. De tak naar het jukbeen is sikkelvormig en rond in doorsnede. De achterkant heeft twee takken naar het os pterygoides, een binnenste en een platte buitenste die iets naar beneden gericht is. De bovenkant van het os ectopterygoides heeft geen uitholling. Van het os pterygoides is alleen de tak naar het verhemeltebeen bekend, die licht gegroefd is. Het langwerpige facet dat het raakvlak vormt met het verhemeltebeen, is iets naar beneden gedraaid en van het hoofdlichaam van de tak gescheiden door een lage richel.
In de onderkaak heeft het dentarium aan de binnenzijde een diepe groeve, de fossa Meckeliana. In de buurt van het bewaarde fragment van het dentarium werd een losse tand gevonden. De tand is zeer klein, heeft geen kartelingen en geen insnoering aan de basis.
Postcrania thumb|upright=1.7|Een diagram van het skelet door Jaime Headden
Wervelkolom In de nek is de draaier gepneumatiseerd, getuige de aanwezigheid van één foramen pneumaticum. Dit element had volgens de oorspronkelijke beschrijving kleine zijuitsteeksels; in 2011 werd gemeend dat het in feite om verschoven stukken wandbeen ging. De kleine epipofysen overhangen de postzygapofysen, de achterste gewrichtsfacetten, niet. Een van de bewaarde halswervels laat zien dat de nekrib stevig met de ribgewrichten vergroeid is, een ongebruikelijk kenmerk bij de dromaeosauridae. De wervelboog is opvallend hoog.
De ruggenwervels zijn amfiplat: met rechte gewrichtsfacetten van de centra. Er zijn geen pneumatische openingen bij waargenomen. De meeste fragmenten lijken van spoelvormige wervels te zijn met een insnoering in het midden. De uithollingen op de zijkanten van hun wervelbogen zijn ondiep of ontbreken zelfs, zoals op de eerste ruggenwervel. Hun zijuitsteeksels staan maar iets omhoog. De facetten van hun voorste gewrichtsuitsteeksels zijn opvallend klein.
Het sacrum bestaat uit zes vergroeide sacrale wervels die niet gepneumatiseerd zijn; de middelste zijn kort en breed. Hun doornuitsteeksels zijn vergroeid tot een enkele plaat. De staart is vermoedelijk vrij lang; pas tussen de elfde en de twaalfde wervel is de overgang naar de middenstaart.
Er zijn minstens twintig staartwervels maar het werkelijke totaal kan een stuk hoger hebben gelegen. De gewrichtsuitsteeksels van de staartwervels zijn opvallend horizontaal georiënteerd in plaats van schuin omhoog zoals bij de meeste Coelurosauria. De achterste, de postzygapofysen, blijven laag boven de wervelboog, gescheiden van de doornuitsteeksels, en steken niet verder naar achteren dan de rand van het wervellichaam; ook dit is uitzonderlijk bij coelurosauriërs. De chevrons of hemaalbogen van de staartwervels zijn erg afgeplat. De voorste staartwervels zijn relatief langwerpig. Hun wervellichamen zijn rechthoekig in doorsnede, met een diepe trog op de onderzijde maar zwak ontwikkelde raakvlakken met de chevrons. De facetten van hun voorste gewrichtsuitsteeksels zijn horizontaal en schuin zijwaarts gericht, de uitsteeksels zelf schuin zijwaarts zonder verbreding aan het uiteinde. Het doornuitsteeksel van de eerste staartwervel is hoog, smal, verticaal gericht en op het achterste deel van de wervelboog geplaatst. De achterliggende staartwervels hebben zeer korte doornuitsteeksels; de snelle verkorting is uitzonderlijk. Bij de eerste vijf staartwervels zijn de zijuitsteeksels zijwaarts gericht, een kenmerk dat verder bij de dromaeosauriden niet voorkomt, wel bij de Therizinosauria; vanaf de zesde schuin naar achteren waarbij de uitsteeksels verkorten tot een lage horizontale richel, net als bij Unenlagia. De chevrons van de middenstaart zijn in zijaanzicht langgerekt en driehoekig, zoals bij veel dromaeosauriden. Ze hebben echter geen breed onderste oppervlak noch een naar voren uitstekende punt.
Ledematen