thumb|De marteling van Sint-Joris in de Sint-Romboutskathedraal in Mechelen miniatuur|Astyages herkent Cyrus (wandtapijt ca. 1590 karton van Michiel Coxie) in het Koninklijk Paleis van Aranjuez Michiel Coxie (soms ook Coxcie, Coxien, De Coxien, De Coxcie, Coxius, Van Coxcie of de bijnaam Michel de Malines) (Mechelen, 1499 – Antwerpen, 10 maart 1592) was een Vlaams kunstschilder. Hij wordt gerekend tot de Noordelijke renaissance en wordt gezien als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het "Vlaamse romanisme". Naast portretten en religieuze taferelen schilderde Coxie ook ontwerpen (de zogenaamde "kartons") voor glasramen en wandtapijten. Zijn werk staat al vroeg sterk onder de invloed van de Italiaanse hoogrenaissance, met name van Rafaël. Daarom wordt hij net als zijn jongere tijdgenoot Frans Floris soms de "Vlaamse Rafaël" genoemd.

Jan Coxie, ook een kunstschilder, was zijn achterkleinzoon.

Verblijf in Italië Volgens de Toscaanse schilder en kunstgeschiedschrijver Giorgio Vasari (die Coxie persoonlijk heeft gekend) kwam hij tijdens een verblijf in Rome (ca. 1530-1539) in contact met het werk van Rafaël.Giorgio Vasari, Le vite de' piu eccellenti pittori scultori ed architettori (1550, 2de herziene uitgave van 1568), moderne uitgave door G. Milanesi (1878–85): vol. V, 435–436, en 573 ; vol. VII, 582 Voordien genoot Coxie naar alle waarschijnlijkheid in Brussel een opleiding bij Barend van Orley. Geen enkel werk uit de periode voor zijn reis naar Italië is met zekerheid als dusdanig te identificeren.Nochtans werd bij Christie’s in London op 21 juli 1950 (lot 31) een paneeltje geveild met een annunciatie waarop een signatuur was aangebracht die men als die van Michiel Coxie meende te identificeren. Het paneeltje toonde de invloed van de Brugse schilder Adriaan Isenbrant In 1531 deed de Nederlandse kardinaal Willem van Enckenvoirt een beroep op Coxie om in Rome de Sint-Barbarakapel in de kerk van Santa Maria dell'Anima te decoreren met fresco's.Hierover getuigt Carel van Mander in zijn "Schilderboek" uit 1604 (fol. 258v°): Hy heeft gheweest een Discipel van Bernaert van Brussel (Bernard van Orley), en heeft grooten vlijt om leeren ghedaen, en is ghereyst buyten s'Landts: was langen tijt in Italien, daer hy vlijtigh was te teyckenen nae Raphaels en ander dinghen, heeft op t'nat geschildert, tot S. Pieters te Room in d'oude Kerck, een Verrijsnis, oock in de Duytsche Kerck S. Maria de la pace, en meer wercken die hy daer dede. Coxie was waarschijnlijk de eerste Nederlandse schilder die zich in deze typisch Italiaanse techniek bekwaamde. Deze opdracht nam vele jaren in beslag maar het resultaat werd in 1534 bekroond door de prestigieuze Accademia di San Luca, waarvan Coxie ook het lidmaatschap werd aangeboden. Deze gebeurtenissen wijzen er op dat Coxie door zijn Italiaanse collega's hooglijk werd geapprecieerd. Nadien voerde Coxie ook nog fresco's uit in de Santa Maria dell'Anima zelf, en in de oude Sint-Pietersbasiliek. Doordat dit laat-antieke bouwwerk enkele jaren later werd vervangen door de nieuwe constructie van Michelangelo blijft er van dit werk niets over.

Terugkeer naar de Nederlanden In 1539 keerde Coxie naar de Nederlanden terug. Op 11 november van dat jaar laat hij zich in het schildersgilde van zijn geboortestad inschrijven. Vier jaar later verwerft hij het poorterschap van Brussel. Uit zijn eerste huwelijk met Ida van Hasselt werden drie kinderen geboren die ook allen in het kunstenaarsvak zouden treden. Na de dood van zijn eerste vrouw in 1569 huwt Coxie voor de tweede maal met Jeanne van Schelle. Zij zal hem nog een dochter en twee zoons schenken waarvan de oudste ook schilder zal worden. Het beste werk dat uit de periode onmiddellijk na zijn terugkeer uit Italië bewaard bleef is de triptiek met de Heilige Familie (Kremsmünster, Stiftsgalerie). Deze triptiek is gesigneerd en 1540 gedateerd. Men neemt aan dat dit werk identiek is een het altaarstuk dat volgens de overlevering door Coxie werd geschilderd voor het Antwerpse gilde van de kousenwevers.Karl T. Johns, 'Peter Paul Rubens, Michael Coxcie und der Antwerpener Strumpfwirker-Altar' in: Die Malerei Antwerpens: Gattungen, Meister, Wirkungen: Studien zur flämischen Kunst des 16. und 17. Jahrhunderts. Internationales Kolloquium, Wenen, 1993 Dit werk bevond zich in de kathedraal van Antwerpen en werd onder meer door Pieter Paul Rubens erg bewonderd. Het architecturale kader en de poses van de figuren refereren aan het werk van Rafael dat Coxie in Italië uitgebreid had kunnen bestuderen. Coxie schiep hier een zeer uitgebalanceerde compositie naar het voorbeeld van de schilders van de hoogrenaissance. Ook het coloriet met zijn felle gesatureerde kleuren doet heel sterk aan Italiaanse voorbeelden denken en breekt heel bewust met de Nederlandse traditie.

In dienst van de Habsburgers thumb|250px|Portret van Christina van Denemarken, Allen Memorial Art Museum, Oberlin

Coxie introduceert in de Nederlanden een nogal schools aandoend romanisme dat aanvankelijk vooral bij het hof en in de hogere kringen zal worden gesmaakt. Vanaf het midden van de jaren 1540 voert hij regelmatig opdrachten uit voor het Habsburgse hof en haar relaties.zie: Bob C. Van den Boogert, 'Michiel Coxcie, hofschilder in dienst van het Habsburgse huis', Handelingen van de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen.Michel Coxcie, pictor regis (1499-1592) Internationaal colloquium, Mechelen, 5 en 6 juni 1992, LXXXXVII, 2 (1992): 118-140 Uit 1545 dateert bijvoorbeeld het portret van Christina van Denemarken (Oberlin, Ohio, The Allen Memorial Art Museum) die op dat moment aan het hof van haar tante Maria van Hongarije in Mechelen verbleef. Een document in het archief van Rijsel bewijst dat Coxie in 1554 werd betaald voor het schilderen van de portretten van "L'Empreur, l'Impératrice, la Royne très chrestienne et ladite Reine Régente à raison de trente cinq escuz chacun tableau" (dus van keizer Karel V, zijn overleden echtgenote Isabella van Portugal, Karels moeder Johanna van Castilië en Karels zuster de landvoogdes Maria van Hongarije.) Coxie werkt geregeld voor Karel V en zijn familie en ontvangt van diens zoon Filips II de titel "peintre de la cour". Van de Spaanse koning krijgt hij ook de opmerkelijke opdracht om gedetailleerde kopieën te vervaardigen naar beroemde oude schilderijen van de Vlaamse Primitieven die de vorst wenst te bezitten. Zo kopieert Coxie het "Lam Gods" van Jan van Eyck uit de Sint-Baafskathedraal in Gent (de onderdelen van de kopie zijn nu verspreid over de musea van Brussel, München en Berlijn). Joseph Duverger, 'Kopieën van het Lam Godsretabel van Hubrecht en Jan van Eyck', Bulletin van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten Brussel, 3 (1954): 55-67. Zijn kopie is bestemd voor het hoofdaltaar van de koninklijke kapel in het Alcazar (toenmalig koninklijke paleis) in Madrid. Enkele jaren later bestelt Filips bij Coxie ook nog een kopie naar Rogier van der Weydens Kruisafneming. Het origineelVoor het origineel van de Kruisafneming door Rogier Van der Weyden, zie: Kapel van Onze-Lieve-Vrouw-ginder-buiten in Leuven. was al in het bezit van de koning maar Filips wenst een kopie voor het altaar van de kapel van zijn jachtslot "El Pardo" bij Madrid (het origineel is nu in het Museo del Prado in Madrid, de kopie in het Escorial).

Coxie voert ook opdrachten uit voor belangrijke keizerlijke raadsleden en vertrouwelingen. Voor de familie van Guy Morillon, secretaris van de keizer, schildert hij in 1548 de "Morillontriptiek" (Leuven, Stedelijk Museum).Edward Van Even, 'Mausolée de la famille Morillon, à Louvain. Un triptyque de Michel Coxie, de Malines', Messager des Sciences historiques de Belgique, (1857): 5-20 Hier kan hij zijn talent als historieschilder combineren met zijn vaardigheden als portrettist. De zijpanelen van dergelijke altaarstukken bevatten immers steeds de bidportretten van de opdrachtgevers. Soortgelijke werken zijn ook de "Hosdentriptiek" (1571, Leuven, Stedelijk Museum) en de triptiek van Gillis van Busleyden en Leonard von Thurn und Taxis (Brussel, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten).

De latere jaren Coxie keerde terug naar Mechelen omstreeks 1559, waar hij zich als rijk burger vestigde in een herenhuis aan de Bruul. Zijn opdrachtgevers kwamen echter van over heel de Zuidelijke Nederlanden en ook daarbuiten. In 1572 werden zijn meubels gestolen door Spaanse soldaten, maar hij slaagde erin ze via zijn connecties bij het hof terug te krijgen. Rond 1585 verbleef hij in Antwerpen. Tussen 1586 en 1589 schilderde hij nog drie indrukwekkende triptieken, waaronder de triptieken van de "Gilde van de grote voetboog" voor de Sint-Romboutskathedraal in Mechelen en voor de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen. Coxies latere stijl vertoont niet meer zo sterk de rafaëleske invloeden van weleer. Het coloriet is versomberd en hij speelt met afwisselende partijen van licht en schaduw. De vormen van de figuren worden wat expressiever en gemaniëreerder. De composities zijn eerder onoverzichtelijk.

thumb|250px|Detail wandtapijt in het Geelvinck-Hinlopen Huis

Coxie schilderde de "kartons" voor de beroemde wandtapijtenreeks met de geschiedenissen van Mozes en Noah die koning Sigismund II August van Polen via tussenpersonen bij Brusselse wevers bestelde. De oorspronkelijke editie (er bestaan ook vele heredities) worden vandaag nog steeds in de koninklijke Wawelburcht in Krakau bewaard waarvoor ze ook waren bestemd.Jerzy Szablowski, Anna Misiag-Bochenska, en Maria Hennel-Bernasikowa, De Vlaamse wandtapijten van de Wawelburcht te Krakau : kunstschat van koning Sigismund II Augustus Jagello, vert. uit het Pools door Bert Decorte, Antwerpen, Mercatorfonds, 1972 Ook vele andere wandtapijten worden aan hem toegeschreven. Zowel in het Skokloster als in Museum Geelvinck Hinlopen Huis hangen latere edities van de series: De geschiedenis van Cyrus. De originele series zijn te zien in de Zaal van de Hellebardiers in het Palacio Real in Madrid.

Ook in dit genre introduceerde Coxie de vormentaal van de Italiaanse hoogrenaissance. De groots opgezette composities met monumentale figuren en klassiek aandoende naakten leunen aan bij de stijl van Rafaël. Toch is ook de invloed van Barend van Orley nog duidelijk aanwezig, met name in de fijne detaillering van de ontelbare details die aan achtergronden en omgeving werden toegevoegd en die in de verfijnde techniek van de Brusselse wevers op een schitterende manier zijn uitgewerkt.

Ook in zijn ontwerpen van glasramen treedt hij in het voetspoor van zijn vroegere meester. Wanneer van Orley de bestelling voor de glasramen van de Sint-Michiels en Sint-Goedelekathedraal in Brussel niet kan voltooien doet het hof in 1542 een beroep op Coxie om de ramen voor kapel van het Mirakel van het Heilig Sacrament te voltooien. Coxies ontwerpen sluiten goed aan bij het werk van zijn voorganger maar bezitten toch onmiskenbaar het karakter van Coxies meer Italianiserende stijl.Bob C. van den Boogert, 'Habsburgs imperialisme en de verspreiding van renaissancevormen in de Nederlanden: De vensters van Michiel Coxcie in de Sint-Goedele te Brussel', Oud Holland, CVI, 2, (1992):57–80.

Coxie overleed na een val van een stelling in het stadhuis van Antwerpen, waar men bezig was met restauratiewerken aan een van zijn schilderingen.

Catalogus Prenten en tekeningen Gesigneerde werken De Koperen Slang, ca. 1499 – 1592, 292 x 423 mm, gravure-ets, papier, Los Angeles, County Museum of Art, inv. nr. M.88.91.98 De Koperen Slang, ca. 1499 – 1592, 297 x 428 mm, gravure-ets, papier, Cambridge, Harvard Art Museum/Fogg museum, inv. nr. G9083 De Koperen Slang, ca. 1514 – 1592, 294 x 425 mm, gravure, papier, Londen, British Museum, inv.nr. V,2.16 De Koperen Slang, ca. 1514 – 1592, 296 x 426 mm, gravure, papier, Londen, British Museum, inv.nr. 1971,0918.2 De Koperen Slang, s.a., 293 x 425 mm, gravure, papier, Brussel, Koninklijke Bibliotheek prentenkabinet, inv.nr. S.II 24133