thumb|Gutenbergbijbel Tekstkritiek van de Bijbel bestudeert de overlevering van de tekst van de Bijbel en tracht de oorspronkelijke tekst van het Oude Testament en het Nieuwe Testament vast te stellen door de werkwijze van de tekstkritiek toe te passen op de oude Bijbelse handschriften.
Fouten Bij het overschrijven kunnen allerlei fouten in de tekst zijn geslopen. Zo kan de kopiërende schrijver Per ongeluk een (gedeelte van een) vers verdubbelen (dittografie) of overslaan (omissie). Dat zal vooral gebeuren als het einde of het begin van twee zinnen gelijk zijn aan elkaar (homoioteleutikon of homoioarcton). Een ander voorbeeld is dat soms "onze" en "uw" (of "jullie") verwisseld zijn, omdat bij het dicteren ΗΜΩΝ (hêmoon) en ΥΜΩΝ (humoon) moeilijk te onderscheiden zijn, omdat ze vaak beide werden uitgesproken als himoon (jotacisme). Bij het kopiëren van een tekst konden letters verward worden, bijvoorbeeld De Hebreeuws R, W en D: , ד ,ו,ר of in het Grieks de Th en de O (θ , O) of de dubbel L en de M (ΛΛ en Μ) en andere. Wanneer de fout in de tekst bij een volgende kopieerronde werd opgemerkt trachtte men die te verbeteren en voegde zo soms juist een fout toe.
Daarnaast heeft men soms teksten willen verduidelijken, fouten verbeterd en daardoor fouten toegevoegd, gelijkluidende maar ietwat verschillende Bijbelteksten aan elkaar aangepast, een opmerking die in de kantlijn was geplaatst in een volgende kopie opgenomen in de Bijbeltekst (een glosse), toegegeven aan de psychologisch verklaarbare reden om meer toe te voegen dan te verwijderen.Een sterk voorbeeld is het laatste hoofdstuk van Marcus. Marcus heeft of geen slot, of een kort slot of een lang slot. Meestal, vooral in de jongere handschriften, biedt het handschrift zowel het korte als het lange slot (Kurt Aland, Der Text des Neuen Testaments, DBG 1982, bladz 293 vv)
Met name het Nieuwe Testament kent duizenden variabele lezingen, die echter meestal weinig invloed hebben op de betekenis van een passage of voor de betekenis van het betreffende Bijbelboek. De overgrote meerderheid van de Bijbeltekst is betrouwbaar overgeleverd.Bruce, F.F. "The Chester Beatty Papyrii," The Harvester 11 (1934): 163-164.
Tekstfamilies Soms zijn er zoveel handschriften beschikbaar, dat het ondoenlijk is om elk handschrift afzonderlijk te beoordelen. Het is dan nuttiger de handschriften te groeperen in families of teksttypes. Degenen die de handschriften vervaardigd hebben, beschikten niet over het origineel. Voor de uitvinding van de boekdrukkunst was de enige manier om boeken te vermenigvuldigen, kopieën te maken van de ene kopie die men in bezit had. Dat kon door stuk voor stuk overschrijven, of door het boek voor te lezen aan een groep mensen van wie de leden dan elk één kopie vervaardigden. Het gevolg van deze procedure is natuurlijk dat een fout in het handschrift dat gekopieerd werd, in alle kopieën terechtkwam en een fout bij het voorlezen eveneens. De kopieën dienden zelf ook weer als model, waardoor de fout vermenigvuldigd werd. Hierdoor ontstonden op den duur tekstfamilies.
thumb|Dode Zee-rollen; Fragmenten uit grot 4; De fragmenten van de Dode Zeerollen vormden een enorme legpuzzel, die met geduld en computers zo goed mogelijk is opgelost thumb|Codex Ephraemi Rescriptus, in de Bibliothèque nationale de France, Parijs. dit handschrift bevatte een middeleeuws heiligenleven. dat over de Bijbeltekst heen geschreven was, die daardoor moeilijk te ontcijferen is thumb|Papyrus 4; (ca. 250) het materiaal waarop de tekst gevonden is, was gebruikt om een filosofisch boek mee in te binden
Oude Testament: meerdere teksttypen
De Masoreten, door wie de belangrijkste tekst van het Oude Testament is overgeleverd, waren tekstcritici voordat het woord was uitgevonden. Zij telden hoe vaak een woord in hun tekst voorkwam, bepaalden hoeveel woorden een boek of een gedeelte had en welk woord precies in het midden van een boek stond. Dachten zij een fout aan te treffen, dan verbeterden zij die niet, maar plaatsten de klinkers van de voorgestelde verbetering tussen de medeklinkers van het woord uit hun tekst. In de kantlijn plaatsten ze dan de voorgestelde verbetering (Quere). Oude, moeilijk leesbare handschriften werden uit voorzorg plechtig begraven, na tijdelijk opgeslagen te zijn geweest in de genizah (opslagruimte) van de synagoge. De oudste Masoretische handschriften van het Oude Testament zijn dan ook naar verhouding niet oud (rond het jaar 1000), maar de tekst is zo betrouwbaar, dat ook een "kritische" editie als de Biblia Hebraica Stuttgartiensa in principe de tekst weergeeft van de Codex Leningradensis. (MT = Masoretische Tekst.)
Toch hadden tekstcritici nog wel iets van doen met het Oude Testament. Sommige onduidelijke gedeelten konden worden opgehelderd met de oude Griekse vertaling de Septuagint of met de Samaritaanse Pentateuch. Tussen 1947 en 1956 werden de Dode Zeerollen gevonden, die ten tijde van de opstand tegen de Romeinen, vóór het jaar AD 70, in veiligheid waren gebracht. Daarmee is het mogelijk onzekere passages uit het Oude Testament te onderzoeken met behulp van handschriften van voor of hooguit rond het begin van de jaartelling. Het Masoretische teksttype is ook aangetroffen in de Dode Zeerollen, en blijkt dus minstens duizend jaar lang vrijwel foutloos overgeleverd te zijn. Ook de op vrijere wijze overgeleverde teksttypes die bekend zijn van de Septuagint en de Samaritaanse Pentateuch blijken in de Dode Zeerollen al aanwezig, naast nog minstens een andere tekstfamilie.
Tekstkritiek van het Nieuwe Testament Algemeen Het Nieuwe Testament is tekstkritisch verreweg het beste overgeleverd van alle antieke teksten. Het Nieuwe Testament is binnen de algemene tekstkritiek een uitzonderingsgeval vanwege het grote aantal tekstgetuigen en vanwege de onmogelijkheid om een volledige overleveringsgeschiedenis op te stellen door de hoge mate van contaminatie.
Het Nieuwe Testament werd oorspronkelijk niet als compleet geschrift geschreven en overgeleverd. De afzonderlijke geschriften zijn op verschillende plaatsen en op verschillende momenten ontstaan en werden later in vier grotere tekstcorpora verenigd. Nog later werden deze in een gezamenlijke codex samengenomen. De vier delen zijn: De vier evangeliën; De Katholieke brieven (Corpus Apostolicum), vaak samen met de Handelingen van de apostelen; Het Corpus Paulinum inclusief de Brief aan de Hebreeën; De Openbaring van Johannes als afzonderlijk boek.
Veel handschriften bevatten hierom slechts afzonderlijke delen van het Nieuwe Testament. Complete handschriften gaan in hun afzonderlijke delen op verschillende voorgangers terug. Een volledig handschrift kan in de evangeliën een goede, maar in de overige delen een inferieure tekst hebben, of omgekeerd. De afzonderlijke overlevering van de afzonderlijke delen weerspiegelt zich tot in de Nieuwe Tijd, waarin zelfs in gedrukte uitgaven nog geen eenduidige volgorde van boeken valt te zien.
De meeste autografen van het Nieuwe Testament ontstonden tussen het midden van de eerste eeuw en het begin van de tweede eeuw na Christus. Deze autografen zijn verloren gegaan en alleen in afschriften bewaard. De eerste bekende papyrusfragmenten komen uit het midden van de tweede eeuw. Uit dezelfde tijd komen de eerste citaten bij de vroegchristelijke schrijvers en niet veel later de vertalingen in andere talen. De eerste volledig overgeleverde tekstgetuigen zijn op perkament geschreven en stammen uit de vierde eeuw.
Er zijn meer dan 5.000 tekstgetuigen in het Grieks, meer dan 10.000 Latijnse handschriften en verder ongeveer 10.000 handschriften van andere oude vertalingen. Verder worden de teksten regelmatig door vroegchristelijke schrijvers geciteerd.
De kopiisten wisselden vaak hun bronkopie, werkten met meerdere bronhandschriften tegelijkertijd of corrigeerden de kopie later met behulp van andere handschriften. Daardoor hebben veel handschriften niet één, maar meerdere oorsprongen: dit heet contaminatie. Het opstellen van een stemma, een stamboom van handschriften, is hierdoor zeer moeilijk en ten dele niet mogelijk. De nieuwtestamentische tekstkritiek omzeilde dit probleem sinds de achttiende eeuw door tekstgetuigen in groepen in te delen met een bepaald teksttype. Door de coherentiemethode is deze benadering vanaf de 21e eeuw achterhaald.
Ouderdom en indeling van de handschriften
In de achttiende eeuw ontstond de theorie dat de handschriften van het Nieuwe Testament in drie of vier families zijn in te delen. Deze theorie is door de coherentiemethode achterhaald. In deze teksttypentheorie onderscheidde men meestal de volgende teksttypen: In West-Europa circuleerde de westerse tekst. Die werd al gauw in het Latijn vertaald. Griekse getuigen voor de Westerse tekst zijn de Griekse gedeelten van tweetalige handschriften, zoals de Codex Bezae voor de evangeliën en de Codex Claromontanus voor de brieven van Paulus. De meeste getuigen van deze, nogal vrije tekst zijn echter oude Latijnse handschriften. Eeuwenlang zijn in de Grieks-orthodoxe Kerk handschriften gekopieerd. Dit teksttype wordt de meerderheidstekst of de Byzantijnse tekst genoemd. De oudste getuige van dit teksttype zijn de evangeliën in de Codex Alexandrinus uit de vijfde eeuw. De meeste getuigen van de Byzantijnse tekst zijn echter duizenden in cursief geschreven middeleeuwse handschriften. De Alexandrijnse tekstfamilie is van hoge kwaliteit. De Codex Sinaiticus en de Codex Vaticanus zijn zeer betrouwbare handschriften uit de vierde eeuw. Deze Alexandrijnse tekst werd niet of nauwelijks meer gekopieerd nadat haar verspreidingsgebied geïslamiseerd werd. (De Codex Alexandrinus hoort dus wat de evangeliën betreft niet tot de Alexandrijnse tekstfamilie). Sommigen onderscheiden nog een Caesareaanse familie, waarvan de minuskels van familie 1 en familie 13, die overigens zelf uit Italië afkomstig zijn, de belangrijkste getuigen zouden zijn.
Het probleem van deze indeling is dat de gegevens in de handschriften er niet mee overeenstemmen. Vanaf het eind van de 19e eeuw heeft men ongeveer 120 fragmenten van het kwetsbare papyrus met teksten van het Nieuwe Testament gevonden. Bijvoorbeeld de papyrus 52, een snipper Johannes evangelie uit 125 – 150 na Christus of de papyrus 66 en de papyrus 75 uit ongeveer 200. Het blijkt dat deze oude papyri vaak niet in te delen zijn in een van de klassieke families. De tekst van de papyri is vaak nog vrij, bijvoorbeeld Papyrus 45, 46 en 66, tonen dat de tekst nog niet geheel vast lag. Een vaste tekst, overeenkomend met de Codex Vaticanus geeft onder meer Papyrus 75. Aland onderscheidt daartussenin een normale tekst, die hij vindt in Papyrus 4, 5, 12 en andere. De tekst van sommige Papyri lijkt een voorloper van de Westerse tekst die Aland liever D-tekst noemt, omdat deze tekst volgens hem niet in het westen is ontstaan.Aland, Kurt en Barbara, Der Text des Neuen Testaments, Deutsche Bibelgesellschaft, 1982; bladz 105 In de eerste decennia van de 21e eeuw is met de coherentiemethode aangetoond dat de overeenkomsten binnen de vermeende teksttypen te klein zijn om van teksttypen te kunnen spreken. Eerder is er sprake van een continue ontwikkeling vanaf de vroegste tijd tot de laat-Byzantijnse meerderheidstekst.
Methode In het kort gaat de tekstkritiek van het Nieuwe Testament als volgt te werk: De tekst van de antieke handschriften wordt gereconstrueerd en ontcijferd. De manuscripten die zo voorhanden zijn worden met elkaar vergeleken en de varianten genoteerd (collatie). In de op coherentie gebaseerde genealogische methode (Coherence Based Genealogical Method) krijgt elk woord een uniek adres, waardoor de computer alle plekken van variatie kan opnemen en de pregenealogische coherentie tussen handschriften kan berekenen. De varianten worden geanalyseerd, in het bijzonder met het oog op hun ontstaan. Het blijkt dat varianten op de volgende manieren kunnen ontstaan: