De Oud-Griekse keuken wordt gekenmerkt door soberheid, die wordt bepaald door de moeilijke omstandigheden voor de Griekse landbouw. Basis voor de Griekse kookcultuur is de "mediterrane drie-eenheid"Een uitdrukking geïntroduceerd door Sir Colin Renfrew in The Emergence of Civilisation: The Cyclades and the Aegean in The Third Millennium BC, Londen - New York, 1972.: graan, olijfolie en wijn.
Dagelijkse maaltijden thumb|Kylix of drinkschaal De oude Grieken kenden drie dagelijkse maaltijden: een ontbijt ( / akratismós) bestond uit gerstebrood gedoopt in ongemengde wijn ( / ákratos), eventueel aangevuld met vijgen of olijven een middagmaal ( / aristonBij Homeros en in de klassieke tragedie heet dit de eerste maaltijd, die niet noodzakelijk sober hoeft te zijn; de makkers van Achilles slachten in boek XXIV vers 124 van de Ilias een schaap voor het ontbijt.) werd gegeten rond of even na de middag een avondmaal ( / deĩpnon), de voornaamste maaltijd van de dag, meestal genuttigd na zonsondergang
Soms gaat er aan het begin van de avond een lichte versnapering ( / hespérisma) aan vooraf.
Meubelen en servies De Grieken aten zittend; ligbankjes werden uitsluitend gebruikt door de aristocratie of voor banketten., Siren Feasts: A History of Food and Gastronomy in Greece, Londen, 1996, pp. 13-14. Aanvankelijk zijn de tafels rechthoekig (laag voor banketten), vanaf de 4e eeuw v.Chr. zijn ze rond en krijgen ze poten in de vorm van leeuwen- of andere dierenpoten. Door het gebruik om gestorven kinderen meubeltjes in hun graf mee te geven, krijgen we een goed beeld van het toenmalige Griekse meubilair.
Platte koeken dienen soms als borden, maar meer gebruikelijk zijn schaaltjes van aardewerk of metaal. In de loop van de tijd wordt het serviesgoed steeds fraaier en gemaakt van kostbare materialen en - in het begin van de Romeinse tijd - van glas. Vorken kenden de Grieken niet; ze aten met hun vingers. Messen werden voor het snijden van vlees gebruikt, voor soep en dergelijke hadden ze een soort lepels zoals die ook nu nog in oosterse huishoudens in gebruik zijn.
Klaarblijkelijk aten de vrouwen gescheiden van de mannen; was het huis te klein, dan aten de vrouwen na de mannen., Siren Feasts: A History of Food and Gastronomy in Greece, Londen, 1996, p. 15. Slaven dienden het eten op. AristotelesPolitica 1323a4. schrijft in Politica, dat in arme gezinnen de vrouwen en kinderen de rol van de slaven vervulden.
Brood thumb|Een Griekse vrouw kneedt deeg (ca. 500-475 v.Chr., Nationaal Archeologisch Museum van Athene). Granen vormden de basis van het Griekse voedingspatroon. De oude Grieken kenden hoofdzakelijk tarwe, spelt en gerst. Tarwe werd geweekt om het te pellen en vervolgens òf verwerkt tot gruwel en gekookt, òf gemalen tot meel voor diverse broden en koekjes. Men bakte ze gewoon, of gemengd met honing of met kaas.
Men kende het gebruik van zuurdesem. Steenovens waren echter niet voor de Romeinse tijd bekend. Een voorschrift van de wetgever Solon uit de 6e eeuw v.C. luidde dat tarwebrood alleen op feestdagen mocht worden gegeten. In de klassieke eeuw (4e eeuw v.C.) was het wel dagelijks verkrijgbaar, maar het bleef erg duur. Gerst was veel eenvoudiger te verbouwen, maar het brood ervan was erg zwaar, hoewel voedzaam. Daarom werd het eerst geroosterd voor het tot meel werd vermalen. Men maakte er mãza van, het oud-Griekse volksvoedsel. Aristophanes gebruikt in zijn stuk De Vrede de uitdrukking: "slechts op gerstebrood", vergelijkbaar met onze uitdrukking: "op water en brood". Van dit gerste-menu bestonden verschillende vormen; rauw of gaar, als pap, knoedel of brood.
Groenten en fruit Deze basis van granen werd veelal opgediend met wat in het Oud-Grieks / ópson werd genoemd. Dat betekent in eerste instantie alles wat gekookt of gebakken was, en vervolgens alles bij het brood. In de Ilias wilde dat zeggen: vlees; in de Odyssee ook vis. Vanaf de klassieke tijd betekende het vooral groenten; kool, uien, bonen, linzen, erwten (van lathyrus en wikke) en kikkererwten; gekookt, gepureerd of als soep, en op smaak gebracht met olijfolie, azijn of een vissaus die nog het meest lijkt op het Vietnamese nước mắm en met aromatische kruiden.
Als we AristophanesDe Kikkers, vs. 62-63. mogen geloven, kon Herakles - die in de Attische komedie altijd als een Holle Bolle Gijs wordt verbeeld - nooit genoeg krijgen van bonensoep. Olijven, rauw of ingelegd, waren een courant bijgerecht. In de stad waren verse groenten echter schaars en erg duur; men moest het vaak doen met gedroogde groenten. Voor de gewone werkman was linzensoep ( / phakễ) het gebruikelijke voedsel., Siren Feasts: A History of Food and Gastronomy in Greece, Londen, 1996, p. 90. De allerarmsten op het platteland moesten het doen met eikels ( / bálanoi)., Siren Feasts: A History of Food and Gastronomy in Greece, Londen, 1996, p. 89. Uien waren typisch militair voedsel.
In De Vrede doet Aristophanes er verslag van. Hij spreekt van de typische "soldatenruften" door het gebruik van uien. Als de oorlog is afgelopen, verzucht het koor, dat het "nu eindelijk gedaan is met "de helm, de kaas en de uien". Fruit wordt gegeten als dessert; vooral vijgen, granaatappels (vers of gedroogd) en diverse noten. Soms worden deze ook als aperitief bij de wijn genuttigd, met diverse andere pitten en zaden.
Vlees en vis thumb|Hermes leidt een geit naar het offer, detail van een krater (ca. 360-350 v.Chr., Louvre). Vlees en vis zijn beschikbaar al naargelang de rijkdom van het huis, maar ook naar de situering. Op het platteland leveren jacht en stroperij een buit op van vogels en hazen. Men houdt er ook kippen en ganzen op het erf en wat beter gesitueerde boeren fokken geiten, schapen en varkens. In de stad is dat alles schaars en duur. In de tijd van Aristophanes kost een speenvarken drie drachmeDe Vrede, v. 374. - ofwel drie daglonen van een havenarbeider, ander vlees is nog duurder. In de Myceense cultuur bestond het mesten van runderen.
Hesiodos beschrijft in de 8e eeuw v.Chr. ook al zijn ideaal van een boerenfestijn: "Onder de schaduw van een rots, genieten van wijn van Byblos, vers brood, melk van niet meer zogende geiten, vlees van jonge vaarzen die in het bos zijn opgegroeid of schapen na de eerste dracht".Werken en Dagen 588-593. Na de archaïsche periode wordt de veefokkerij echter minder, waarmee ook de consumptie afneemt. Ze wordt beperkt tot religieuze feesten voor de burgers waarbij dieren worden geofferd; de ingewanden worden verbrand voor de goden, het vlees wordt uitgedeeld aan de burgers.
In deze tijd hebben de Spartanen de gewoonte om een soort "zwarte bloedsoep" ( / mélas zômós) of "ragout van varkensvlees" te eten. Dankzij een fragment van Dikaiarchos bij Athenaios kennen we haar samenstelling: spek, zout, bloed en azijn. Hierbij worden vijgen en kaas gegeten. Claudius Aelianus, een schrijver uit de 3e-2e eeuw v.Chr., beweerde dat de Spartanen hun koks verboden om iets anders leren klaar te maken dan vlees.XIV 7.
Op de Griekse eilanden of in de kuststreken zijn verse vis en zeevruchten (weekdieren, zoals pijlinktvissen en zeekatten) de meest voorkomende voedselbronnen. Ze worden ter plaatse geconsumeerd maar worden vooral in het binnenland verkocht. Zo zijn sardines en ansjovis in Athene goed verkrijgbaar. Hoewel ze ook vers worden verkocht, treft men ze meestal in gezouten vorm aan. Een stele van het eind van de 3e eeuw v.Chr. afkomstig uit de kleine Boeotische polis Akraiphia, gelegen aan het Kopaïsmeer, geeft een lijst van vissen en hun respectievelijke prijzen:SEG 32, 450 (in het bijzonder blok A col. II r. 23 (σ̣κ̣α̣ρήνας̣ {⁸1/2 ob., 2 cha.}⁸) en blok B r. 8 (ἴχλας {⁸1 ob., 7 cha.}⁸)). de goedkoopste vis is de skaren (waarschijnlijk papegaaivis), terwijl de ventrèche (het vette deel) van de rode tonijn drie keer zoveel kostte., Siren Feasts: A History of Food and Gastronomy in Greece, Londen, 1996, p. 67. Andere veelvoorkomende zeevissen waren; witte tonijn, harders, roggen, zwaardvis of ook nog steuren, die het liefst gezouten werden gegeten. Het Kopaïsmeer zelf was in heel Griekenland bekend voor zijn paling en deze wordt door de held in De Acharniërs van Aristophanes bezongen. Daarnaast kende men ook zoetwatervissen, zoals snoek, karper en de minder gesmaakte meerval.
Boter, kaas en eieren De Grieken hielden kwartels en kippen voor de eieren. Sommige antieke auteursAthenaios, Epitome 58b. noemen ook eieren van fazanten en ganzen, maar deze zullen eerder zeldzaam zijn geweest. Ze werden op verschillende wijzen gegeten, hard- of zachtgekookt, en gebruikt als voor- of nagerecht. Voor sommige gerechten gebruikte men het eigeel of -wit, of soms ook het hele ei., Siren Feasts: A History of Food and Gastronomy in Greece, Londen, 1996, p. 65.
Melk ( / gála) werd door boeren gedronken, maar blijkbaar nauwelijks gebruikt in gerechten. Men kende ook boter ( / boúturon), hoewel ook dit slechts zelden werd gebruikt. De Grieken beschouwden boter als een product van de Thraciërs, ten noorden van de Egeïsche Zee, en de komische dichter Anaxandrides gaf ze dan ook de bijnaam van « botereters ».Athenaios, Deipnosophistae 151b. Andere melkproducten werden wel geapprecieerd; een soort yoghurt ( / puriatế) werd bijvoorbeeld als een delicatesse beschouwd.Claudius Galenus, Over juiste eetgewoontes 15. Kaas ( / túros), en dan vooral geiten- en schapenkaas, was daarentegen weer basisvoedsel. Ze werd in speciale winkels verkocht, waarbij gerijpte kaas ongeveer een derde duurder was dan verse., Siren Feasts: A History of Food and Gastronomy in Greece, Londen, 1996, p. 66. Ook deze kaas werd soms gemengd met kruiden of met honing. Men benutte deze kaas verder als ingrediënt in tal van gerechten, ook visgerechten. Er is een enkel recept overgeleverd van de Siciliaanse kok Mithaikos (5e eeuw v.Chr.) (op Sicilië bevonden zich namelijk Griekse kolonies) dat luidt: "lintvis; ingewanden eruit, kop eraf, goed afspoelen en het vlees van de graat halen, daarna olie en kaas toevoegen."Athenaios, Deipnosophistae 325f.
Dranken thumb|Ryton in de vorm van de kop van een ram (460-450 v.Chr., Nationaal Archeologisch Museum van Athene). De meeste verbreide drank is water. Water halen is de dagelijkse taak van de vrouwen. Indien het echt noodzakelijk was om waterputten te slaan, wenst men uiteraard water « van een altijd vloeiende en opwellende bron, die niet troebel is ».Hesiodos, Werken en Dagen V 595. Water wordt gezien als voedend - planten en bomen floreren er immers bij -, maar meer dan dat: Pindaros beschrijft water van een fontein als even « aangenaam als honing ».fr. 198 B4. De Grieken onderscheidden in water verschillende kwaliteiten vergelijkbaar met die van wijn; zwaar, zacht, zuur, droog of prikkelend. Een personage van de komische dichter Antiphanesfr. 179 Kock. zwoer dat hij het onderscheid tussen alle Attische bronwaters kon herkennen aan haar goede smaak. En AthenaiosDeipnosophistae II 44. vertelt ons dat verschillende filosofen naar verluidt enkel water dronken, in combinatie met een vegetarisch dieet. Naast water werd geitenmelk en mede gedronken.
Men dronk meestal uit een skyfos van hout, aardewerk of metaal. PloutarchosLykourgos 9.7-8. die hier Kritias aanhaalt, meldt dat de Spartanen in het leger een speciale beker gebruikten, die zowel diende om de kleur van het water te verbergen, als ook om de drab op de bodem te houden. Verder werd de kylix gebruikt en bij banketten de kantharos of de ryton, de laatste vaak in de vorm van een dierenkop.
Wijn thumb|left|300px|Een deelnemer aan een symposion schept met een oenochoë wijn uit een krater om zijn kylix met wijn te vullen (ca. 490-480 v.Chr., Louvre).