Een reisverhaal in engere zin is een realistisch gepresenteerd reisverslag, waaraan algemeen een zekere literaire waarde wordt toegekend. Anders dan een reisverslag is het geen rapportage aan een belanghebbende, maar is het bedoeld voor een breder publiek.
Niettemin is voor de vroegste reisbeschrijvingen vaak moeilijk een onderscheid te maken tussen reisverslag en reisverhaal: historische reconstructie kan problematisch zijn, waardoor niet steeds het waarheidsgehalte of het bestaan van een opdrachtgever te achterhalen zijn. Daarbij komt dat deze oudste werken inmiddels hun rapportagekarakter goeddeels hebben verloren. Wel kunnen zij vaak nog als onmisbaar geschiedkundig onderzoeksobject dienen, maar voor de algemene lezer zijn zij evenzeer van belang als (literair) verhaal.
Fictie en non-fictie Het waarheidsgehalte van een reisverhaal kan in het geding zijn doordat niet langer te achterhalen valt of de schrijver een goed waarnemer was.
Het reisverhaal kan ook op geheel andere gronden in twijfel worden getrokken. Er bestaat een grote categorie reisverhalen die niet of nauwelijks op waarheid berusten doordat de auteur ze (grotendeels) heeft verzonnen, de zogeheten imaginaire reisverhalen. Enkele zeer bekende voorbeelden van imaginaire reisverhalen zijn Robinson Crusoe van Daniel Defoe, Gullivers reizen van Jonathan Swift en Reize door het Aapenland van Gerrit Paapehttps://web.archive.org/web/20090310023339/http://www.helenparkhurst.nl/verlichting/wiki/index.php/Episch-Didactische_literatuur%3A_Imaginaire_reisverhalen_/_Satire. Een verhaalgenre dat zeer nauw aan verwant is aan het imaginaire reisverhaal is de robinsonadeDautzenberg. J. Literatuur, geschiedenis en leesdossier. Den Bosch: Malmberg, pp. 104.. Vooral voor de tijdgenoten van de schrijver was het waarheidsgehalte in het verleden nauwelijks te controleren: de middelen tot reizen en tot communiceren ontbraken daartoe.
Dit fictieve karakter vormt bij oudere reisverhalen voorwerp van onderzoek. Het leidt er weliswaar toe dat zij niet zonder meer als historische bron kunnen worden gebruikt, maar aan hun literaire kwaliteit doet het niets af; de fictionaliteit kan het literaire belang zelfs vergroten. Zo is Daniel Defoe zeer bewonderd om de illusie van realiteit die hij aan zijn (geheel verzonnen) werken wist te verlenen, en zijn de technieken die de auteur daarbij toepaste, intensief bestudeerd.
Een andere vraag die zich voordoet, is die naar de doelstelling: draait het verhaal om die reis, of wordt de reis slechts als toevallige achtergrond gebruikt? Als dit laatste zeer sterk het geval is, heeft het weinig zin nog van een reisverhaal te spreken; maar vaak is het niet een kwestie van voorgrond of achtergrond: vele gradaties zijn mogelijk, en het element "reis"kan diverse functies vervullen in het verhaal.
Herkomst en thema's Het Verre Oosten Er bestaat een uitgebreide Chinese reisliteratuur. Die heeft vaak het karakter van een reisverslag, zie aldaar.
India De Indiase reisliteratuur is schaarser dan de Chinese. Wel is een biografie bekend van de Kasjmirse prins Goenawarman, die rond 400 als boeddhistisch zendeling naar de Indonesische Archipel kwam, om na 424 door te reizen naar China. Zijn levensbeschrijving ontstond een eeuw na zijn overlijden.
Japan In de Japanse literatuur bestaan reisverhalen van een hoog literair gehalte. In 804 ging Kūkai (774—835) scheep om zich in China in het boeddhisme te bekwamen; in 806 keerde hij terug naar Japan. Kūkai was een zeer veelzijdig man, bekwaam in de wetenschappen maar ook met literaire gaven. Zijn reisverhaal (Sjorai Moluroku) is een zeer persoonlijk verslag van zijn belevenissen, en van de ontmoetingen en gesprekken met de abt die zijn leermeester werd. Ruim een eeuw later werd het "Tosa-dagboek" (Tosa Nikki) geschreven (begin 10e eeuw, in de Heian-periode). Dit gaat over een reis binnen Japan, en verhaalt van de reis van een gouverneur. Het is een revolutionair werk omdat Ki no Tsurayuki als ik-verteller een vrouwelijk personage kiest. Zij vergezelt het gezantschap van de gouverneur, die van Tosa naar de hoofdstad teruggaat. Het is deels een verhaal van ontmoeting en afscheid, deels wordt het verhaal ook, zoals in de Japanse verhaalliteratuur verre van ongebruikelijk is, onderbroken door andere teksten: gedichten die men voor elkaar reciteert, een lied dat de matrozen zingen. De handeling van het reizen is tegelijkertijd prominenter aanwezig dan in het werk van Kūkai. Rond 1370 verscheen een romantisch werk over de keizers Gotoba en Godaigo, die geen van beide tegen de militairen waren opgewassen, allebei werden verbannen. Hoewel in deze Masukagami reizen worden beschreven, is het toch eerder een roman van politiek en verbanning. Het beroemdste Japanse reisverhaal, van de hand van de haiku-dichter Matsuo Basho, is De smalle weg naar het verre noorden (Oku no Hosomitsji, "De smalle weg naar Oku"). Het ontstond in de tweede helft van de 17e eeuw, en is het verhaal van een reis die de auteur werkelijk gemaakt had. De bezochte plaatsen worden beschreven; plaatsen vallen tegen of juist mee, er is een "lachende" en een "droevige" lagune, een berg weerspiegelt in het water, een groepje prostituees wil zich aansluiten maar wordt beleefd afgewezen. Toch heeft de rustige prozavertelling, onderbroken door eigen of andermans gedichten, weinig dramatiek. Niet de gebeurtenissen staan op de voorgrond, maar de sfeer van het landschap en de stemmingen van de schrijver. Er is een steeds voelbare wisselwerking tussen reis, bezochte plaatsen en persoonlijke beleving. In 1685 verscheen Ihara Saikakus "Verhalen uit de provincies" (Saikaku Sjokoku-banasji). Dit is eerder een verhalenbundel dan een reisverhaal, al is het wel op Ihara's reizen gebaseerd. Vanaf zijn jeugd had hij gewesten bezocht, en de meest belangwekkende verhalen die hem ter ore waren gekomen, bracht hij nu bijeen. De verschillende locaties dienen slechts als achtergrond voor de vaak anekdotische verhalen. Het in afleveringen gepubliceerde "Een voetreis" (Hizakurige, vanaf 1802) is een fictief werk. De auteur, Djippensja Ikku, had onmiddellijk succes met dit verslag van twee voetreizigers en hun grappige avonturen. Ook hier zijn het vooral die avonturen en de grappige invallen van de auteur, niet zozeer de reis zelf, die het verhaal dragen. Men arriveert in een herberg, verneemt dat de dames in het aanpalend vertrek heksen zijn, en besluit die te raadplegen teneinde in contact te komen met verschijningen van gene zijde. En ja, de overleden echtgenote van een der reizigers verschijnt, maar de ontmoeting is allesbehalve hartelijk: zij overlaadt hem met verwijten om het zware leven, in zijn gezelschap geleid, en beveelt hem de heks vooral veel geld te geven. Nu moet zij namelijk terug naar de hel. Aldus geschiedt; men doet zich tegoed aan sake, waarbij de snel intredende dronkenschap van de twee heren contrasteert met de onverzettelijke nuchterheid der heksen, en na vele grappen, "te saai om hier te herhalen", valt de nacht en beginnen de verwikkelingen pas.
De klassieke Oudheid Homeros' Odusseia ("Odyssee") is het epische, gefingeerde verhaal in dichtvorm van Odysseus' omzwervingen; nadat hij had geholpen de heilige stad Troje te verwoesten, kostte het hem en zijn manschappen nog tien jaar om zijn thuishaven te bereiken. De Odyssee dateert uit de 8e eeuw voor onze jaartelling, en is in het Grieks geschreven. Rond 400 voor onze jaartelling maakte Xenophon van Athene een militaire expeditie naar het binnenland van Azië mee, waarvan hij uiteindelijk de leiding op zich nam. Zijn Anábasis, ook in het Grieks, maar in proza, is het verslag van de heen- en terugtocht. De wederwaardigheden van de tochten worden uitgebreid beschreven, maar het boek is toch geen reisverslag in de vorm van een rapport; eerder is het Xenophons gedenkschrift. Het Latijnse prozawerk Commentarii dé bello Gallico van Julius Caesar heeft weer meer het karakter van een reisverslag, al is Caesars persoonlijke stijl erin herkenbaar. Dé bello Gallico werd in opdracht van de Romeinse Senaat geschreven, en rapporteert over de oorlogen die Caesar van circa 58 tot 50 voor onze jaartelling tegen de Galliërs voerde.
De Middeleeuwen Allegorie en didactiek In de middeleeuwse literatuur, waarin de christelijke benadering van het leven en van het beschrevene domineert, spelen allegorie en didactiek een grote rol in de letterkunde, die vaak bedoeld is om de lezer te stichten, te bekeren of te instrueren. Voor dit doel kon de reis als symbool worden gebruikt. De betreffende teksten zijn vaak niet erg streekgebonden wat hun lezerspubliek betrof: natiestaten bestonden nog niet of nauwelijks, en de taalbarrière werd overwonnen door hetzij gebruik van het Latijn, hetzij (vrije) vertaling en bewerking. In het toneeldicht Den Spyeghel der Salicheyt van Elckerlijk gaat het om een louter symbolische reis: de naam van de hoofdpersoon alleen al (Elckerlijck betekent "iedereen") geeft aan dat van realisme hier geen sprake is, en de reis staat voor de overgang van het ondermaanse naar het hiernamaals. Het gedicht Van Sinte Brandane gebruikt wel de reis als thematisch element. De Ierse abt Brendan of Brandaan leest een boek over wonderen, gooit het vervuld van scepsis in het vuur, maar krijgt bezoek van een engel die hem opdraagt op reis te gaan om "die waerheit" te vinden. Brandaan gaat scheep met een groep monniken, lijdt ontberingen, ziet fabeldieren en leeuwen, een kristallen paleis en onzijdige engelen. Brandaan leert zijn les. Overigens komt in dit verhaal een belangrijke karaktertrek naar voren van vele reisbeschrijvingen uit de Middeleeuwen: men had betrekkelijk weinig kennis van de omringende wereld, en het valt de moderne lezer op dat hetgeen door de reiziger op zijn weg wordt aangetroffen, een bonte mengeling is van feit en onmogelijkheid. Voor de middeleeuwse lezer of toehoorder was er geen duidelijk verschil: een wonder was iets om je over te verwonderen, niet iets onbestaanbaars. Allerlei zoektochten zijn door schrijvers gebruikt om hun verhaal te structureren, zoals de queeste naar de Heilige Graal in de middeleeuwse Brits-Keltische romances. Van een echte reis is hier geen sprake; het gaat om het zoeken. Ook de Grieks-Latijnse romances kunnen reizen beschrijven, zoals de veldtochten van Alexander de Grote, maar die reizen staan geheel op de achtergrond, deels doordat het beschrevene de schrijver niet bekend was: hij bewerkte een oud origineel. Iets vergelijkbaars zien we in Van den Lande van Oversee van Jacob van Maerlant: in tegenstelling tot wat de titel suggereert, ontbreekt iedere lokale kleur. Het rijmwerk is een oproep om het Heilig Land te bevrijden.
Uitloop Aan het einde van de Middeleeuwen maakt de allegorie allengs plaats voor groter realisme, maar haar rol is dan zeker niet uitgespeeld. Nog in The Pilgrim's Progress (1678) van John Bunyan is het de lezer duidelijk dat het niet om een werkelijke tocht gaat, maar om de reis naar de spirituele redding, met smalle paden en gevaren op de weg.
De reis kan ook een zoektocht naar persoonlijke ontwikkeling zijn: een voorbeeld is Siddharta (1922) van Hermann Hesse, waarin het doel van de reis tevens de persoonlijke bevrijding inhoudt. Hier is eerder sprake van vormingsromans dan van een reisverhaal. miniatuur|Fragment uit het middeleeuwse manuscript van het reisverhaal "Heilige Pelgrimage en de Reis van Jeruzalem". Kopie naar het origineel van Jan van Berchem, gemaakt in de 19de eeuw.
Realistischer reizen De Kruistochten openden de middeleeuwers de ogen voor de hen omringende wereld; bij de nieuwe informatie die tot hen kwam, waren ook reisverhalen als die over Richard Leeuwenhart. Er bleek een wereld buiten Europa te bestaan, en de kennis van die wereld werd allengs feitelijker. Niet alleen werd er veel over de kruistochten geschreven, ook bedevaarten waren interessante onderwerpen van de reisverhalen.