thumb|Te koop staande huizen in Nederland, 2009 thumb|Verlaten bouwproject in Lahinch, County Clare, Ierland. Het uitvoerende bouwbedrijf Keco, eens bijna het grootste in County Clare, ging failliet. thumb|In 2009 te koop staande appartementen in Saggart, Ierland
De kredietcrisis of bankencrisis is de aanduiding voor de crisis op de financiële markten die in de zomer van 2007 ontstond, in het najaar van 2008 een hoogtepunt bereikte en pas in de loop van 2011 afliep.
De crisis ontstond voornamelijk door problemen op de huizenmarkt in de Verenigde Staten. Die had in de voorafgaande jaren een sterke groei laten zien, met een sterke stijging van de huizenprijzen, onder meer als gevolg van innovaties op de financiële markten. Hypotheken werden traditioneel verstrekt door banken, die dit financierden met spaargeld van particuliere spaarders. De innovaties bestonden hieruit dat de door banken aan huiseigenaren verstrekte hypothecaire leningen door die banken werden gebundeld tot pakketten, die doorverkocht werden aan daarvoor opgerichte rechtspersonen. Die rechtspersonen betaalden de overgenomen leningen door het uitgeven van obligaties. Deze obligaties werden verdeeld in meerdere risicoklassen, afhankelijk van de vraag welke soort obligaties ("tranches") bij betalingsproblemen het eerst zouden moeten "inleveren". Dit had gevolgen voor de "rating" (kredietwaardigheidsbeoordeling) van die tranches.
Toen de huizenmarkt stagneerde (zie hieronder voor een opsomming van de oorzaken) daalde het vertrouwen van beleggers in de kwaliteit van de minst kredietwaardige obligaties (subprime) en daarna ook in die van de meer kredietwaardige obligaties. Dit leidde tot een daling van het vertrouwen in de bancaire sector en daarna van het vertrouwen in het gehele financiële systeem. Er moest uiteindelijk voor honderden miljarden worden afgeschreven op dergelijke obligaties. Doordat onduidelijk was welke instellingen hierdoor in de problemen zouden komen, droogde de interbancaire geldmarkt op, banken leenden elkaar geen geld meer. Verschillende banken werden genationaliseerd, andere banken gingen failliet of werden overgenomen. Negatieve ontwikkelingen op verschillende deelmarkten hebben elkaar versterkt.
De ontwikkelingen bedreigden al snel het ongestoord functioneren van het internationale geldverkeer, en ingrijpen van nagenoeg alle centrale banken bleek noodzakelijk. Vanaf oktober 2008 namen diverse overheden op grote schaal rechtstreeks deel in het risicodragend kapitaal van banken.
Door de onderlinge beïnvloeding van deelmarkten is niet exact aan te geven welke gebeurtenissen elkaar op welke wijze beïnvloedden. In het algemeen kan gesteld worden dat problemen rond Amerikaanse hypotheken de onmiddellijke aanleiding vormden tot de crisis, die oversloeg op de markt van andere, aan de hypotheekverstreking gerelateerde, complexe financiële producten. Een en ander werd versterkt doordat de, bij de waardebepaling van dergelijke complexe financiële producten gebruikte, aannames in wiskundige formules (zie David X. Li) op drijfzand waren gebaseerd. De achterliggende oorzaken van de crisis zijn zo complex, dat het nagenoeg onmogelijk is om een volledig beeld van de situatie te krijgen. Analyses van de problemen en de fundamentele oplossingen zijn vaak gericht op slechts een beperkt onderdeel van de crisis.
De aanduiding "kredietcrisis" dekt niet de gehele lading van de crisis. Er was niet uitsluitend sprake van een kredietcrisis in de zin van een beperkte beschikbaarheid van liquiditeiten en (langer lopend) kapitaal, doch op een aantal momenten ook van een algehele onderlinge vertrouwenscrisis in de financiële sector.
Vanaf begin 2010 veranderde de crisis van voorwerp: men maakte zich steeds meer zorgen over de financiële positie van een aantal overheden. Dit leidde in april 2010 tot een crisis rond Griekse overheidsfinanciën. Ook andere landen (met name Portugal, Spanje, Italië en Ierland) dreigden in een financiële crisis te komen. De EU-ministers van Financiën presenteerden op 10 mei 2010 een reddingsplan van in totaal € 500 miljard, terwijl het IMF tot € 250 miljard toezegde.
De oorzaak en de aanleiding: de Amerikaanse woning- en hypotheekmarkt Vanaf 2001 had de Amerikaanse woningmarkt een sterke opleving laten zien, waarvoor diverse oorzaken zijn aan te wijzen. Na de aanslagen van 11 september 2001 dreigde aanvankelijk een recessie, wat voor de Federal Reserve (het Amerikaanse stelsel van centrale banken) aanleiding vormde om de officiële rente in een aantal stappen sterk te verlagen, tot een historisch laag niveau van 0,25%. Hierdoor werden leningen (waaronder hypotheken) duidelijk goedkoper. Dit gold met name voor hypotheken met een variabele rente.
Een tweede factor werd gevormd door een toename van de hoeveelheid liquiditeit in het financiële systeem, enerzijds veroorzaakt door injecties door centrale banken en anderzijds door een toevloed van voor belegging beschikbaar kapitaal, met name vanuit Azië.
thumb|Etalage van aanbieder van achteraf riskant gebleken hypotheken thumb|ARM Indexes 1996-2006; het verloop van de rente van Amerikaanse hypotheken met variabele rente Een derde factor werd gevormd door de ontwikkeling van een groot aantal nieuwe hypotheekvormen in de VS. Dit had betrekking op de volgende aspecten: de verificatie van inkomensgegevens van hypotheekaanvragers werd versoepeld, variërend van het hanteren van summiere inkomensgegevens (bekend als low-doc loan) tot het geheel afzien van verificatie (bekend als no-doc loan); het verstrekken van een groter leenbedrag in verhouding tot de waarde van het onderpand, waarbij tevens de aankoopkosten werden medegefinancierd (bekend als piggyback loan); het hanteren van een lage aanvangsrente die na enige tijd zou stijgen (bekend als step-up loan); het hanteren van de mogelijkheid dat gedurende de eerste periode de rente slechts gedeeltelijk betaald werd, en het niet-betaalde deel aan de hoofdsom werd toegevoegd (bekend als negative amortization loan, dus lening met negatieve aflossing of pay-option loan, dus lening met een keuze ten aanzien van het te betalen bedrag).
Verder werd, aanmerkelijk meer dan voorheen, gekozen voor een hypotheek met variabele rente (adjustable rate mortgage of ARM). In de VS houdt dit in dat de rente gedurende een klein aantal jaren na de aanvang vaststaat en daarna variabel wordt. Vaak is de rente vast voor een periode van twee jaar ("2/28") of vijf jaar ("5/25").
De meest ingrijpende verandering had echter betrekking op de kredietwaardigheid van de hypotheekaanvrager. In de Verenigde Staten wordt hierbij veel waarde gehecht aan de credit score van de aanvrager: een cijfer dat is gebaseerd op zijn betalingsgedrag in het verleden. Debiteuren met een slechtere krediethistorie worden hierbij aangeduid als "subprime" ("minder dan eerste klas"); vanaf circa 2002 werden ook aan deze categorie huiseigenaren hypotheken verstrekt.
Het gevolg van deze ontwikkelingen was een gestage stijging van de huizenprijzen. Dit leidde tot een grotere belangstelling, hetgeen wederom tot een prijsstijging leidde. Het eigen huis werd niet langer gezien als onderkomen, doch als speculatieobject: het oogmerk van steeds grotere groepen huizenkopers was, een huis te kopen teneinde dit na vrij korte tijd met winst door te verkopen. Door de tamelijk lage "instaprente" kon men aanmerkelijke bedragen lenen, doch het huis diende dan wel verkocht te worden voordat de "normale" rente in zou gaan. Men had dus groot belang bij een tijdige verkoop. Dit proces van herhaalde aankopen en verkopen stond bekend als "flipping".
Een vierde factor werd gevormd door deregulatie (afschaffen van regelgeving) en een falend toezicht op het hanteren van de nog wel geldende regelgeving. De Amerikaanse minister van Financiën Timothy Geithner verklaarde tegenover het Huis van Afgevaardigden op 23 maart 2010 dat tekortschietende regelgeving en gebrekkig toezicht een belangrijke rol gespeeld hadden bij het ontstaan van de crisis:
Het IMF beschreef de situatie, overigens jaren later, te weten in zijn Global Financial Stability Report van april 2011, als "een periode van vrijwel onbeperkte beschikbaarheid van goedkoop krediet" ("a period of almost indiscriminate availability of cheap credit").
thumb|Ontwikkeling huizenprijzen VS, ultimo 1999=100
Achteraf bleek dat in een niet gering aantal gevallen leningen waren verstrekt die achteraf gezien slechts, zowel vanuit het oogpunt van de huiseigenaar als vanuit dat van de financier bezien, als uitermate roekeloos te kwalificeren waren Onder meer bleek dat er op grote schaal was uitgegaan van onjuiste gegevens omtrent de financiële positie van de aanvrager. Deels kwam dit doordat er 'stated-income' hypotheken verstrekt werden, waarbij de aanvrager zonder enig bewijs te hoeven overleggen, zijn inkomen kon opgeven. Anderzijds waren ook hypotheekadviseurs en -tussenpersonen verantwoordelijk voor het verschaffen van onjuiste informatie om een grotere hypotheekproductie en dus premies te kunnen realiseren. Opgemerkt moet worden dat het risico voor de huizenbezitters kleiner is dan dat in Europa zou zijn: in een aantal staten in de V.S. kan men "de sleutel inleveren" bij de bank als de hypotheekschuld hoger is dan de waarde van het huis; de restschuld wordt niet verhaald op de (voormalige) huiseigenaar.
Zolang de huizenprijzen bleven stijgen, ging echter alles goed. Door de gestegen huizenprijzen kon men zijn huis met winst verkopen en een groter huis kopen, of kon men op basis van dat extra onderpand geld lenen, en de vrijgekomen middelen aanwenden voor consumptieve bestedingen. Beide activiteiten vormden, in die jaren, een duidelijke positieve conjuncturele impuls. Ook werden huizen gekocht voor uitsluitend speculatieve doeleinden. Voor veel Amerikanen was speculatie met het eigen huis tevens de enige kans om financiële zekerheid te verwerven, gegeven de voorgaande twee decennia van loonstagnatie en bezuinigingen op de sociale zekerheid.
Door een aantal oorzaken stagneerde dit proces vanaf medio 2006. Een van de oorzaken was een serie renteverhogingen door de Federal Reserve, hetgeen een stijging van de hypotheekrente met zich meebracht. Een tweede factor was dat de woningprijzen een zodanig niveau bereikten dat ze voor steeds grotere groepen huizenkopers onbetaalbaar werden.
thumb|Ontwikkeling aantal foreclosures in VS vanaf begin 2007 thumb|left|200px|Veiling van Amerikaanse woningen op de stoep van het gerechtsgebouw, zoals voorgeschreven ("on the courthouse steps")
Vanaf medio 2006 namen betalingsachterstanden duidelijk toe, met name bij de subprime-hypotheken. Tevens bereikte een toenemend aantal leningen het einde van hun rentevaste periode, en werden de huiseigenaren geconfronteerd met een aanmerkelijk hogere rente: in het typische geval met circa 2 tot 2,5 procentpunt. Hun lasten namen daarmee sterk toe. Bij leningen met een lage instaprente kon deze stijging nog aanmerkelijk groter zijn. Bij de negative amortization loan kon tevens de mogelijkheid tot negatieve aflossing vervallen. In sommige situaties kon hierdoor sprake zijn van een verveelvoudiging van de maandelijkse lasten.
Door deze oorzaken daalde de belangstelling voor (steeds grotere en/of duurdere) huizen, hetgeen onder meer tot uitdrukking kwam in een afname van het aantal nieuwgebouwde woningen, en in een afname van het aantal verkopen van bestaande woningen. Het aantal gedwongen verkopen ("foreclosures") nam sterk toe. Dit proces ging nog geruime tijd door: over het derde kwartaal van 2009 bleek het aantal "foreclosure notices" te zijn gestegen tot ruim 900.000, wat 23% meer was dan in het derde kwartaal van 2008. In maart 2010 bleek dat er sinds 2008 meer dan 1 miljoen foreclosures hadden plaatsgevonden. 1 million U.S. homes lost to foreclosure since 2008
Vanaf eind 2006 moest een toenemend aantal (meestal kleinere, doch ook een aantal grotere) hypotheekbanken zijn activiteiten inkrimpen of soms geheel staken.