thumb|250px|Het gebouw van het Bundesverfassungsgericht Het Bundesverfassungsgericht is het grondwettelijk hof van Duitsland. Het hof is sinds zijn oprichting in 1951 gevestigd in Karlsruhe.

Geschiedenis Het Bundesverfassungsgericht is een van de markantste resultaten van het constitutionalisme in het naoorlogse Duitsland. Tegen de achtergrond van het nazisme is het vanaf de oprichting overgegaan tot het formuleren van democratische principes. Ondertussen is het tot een van de belangrijkste politieke en juridische instellingen van het federale Duitsland uitgegroeid. Het is geen Supreme Court aangezien het zich niet bezighoudt met hogere beroepen tegen beslissingen van lagere rechters, maar wel enkel met voorzieningen waarin de Duitse grondwet betrokken is. Het is dan ook niet het hoogste rechtscollege van Duitsland maar staat eerder buiten het Duitse juridische systeem. Het bevindt zich in de grijze zone tussen recht en politiek. In eerdere grondwetten was er reeds sprake van rechtbanken die zich met constitutionele aangelegenheden bezighielden. Zo was er in 1850 als eerste de “Bayerischen Staatsgerichtshof”. De grondwet van 1871 voorzag echter niet in een grondwettelijk hof, terwijl de Weimar Grondwet van 1919 dan weer een (beperkte) constitutionele rechtbank inrichtte.

Het Bundesverfassungsgericht zoals we het vandaag kennen werd ingevoerd door de Grondwet van de Bundesrepublik Deutschland in 1949. Twee jaar later, in 1951, opende het zijn deuren. Voor het eerst was er een rechtbank bevoegd als finale arbiter in grondwettelijke aangelegenheden zodat de bindende kracht van de hele grondwet gewaarborgd werd. De positie van het Bundesverfassungsgericht is tweeledig. Enerzijds staat het op gelijke voet met de andere hoogste constitutionele organen zodat het zelf ook dat statuut verkrijgt en zijn onafhankelijkheid verzekerd blijft. Anderzijds is het een rechtbank die uitsluitend bevoegd is voor het vellen van juridische beslissingen. Daar waar andere rechtbanken enkel bindende beslissingen tussen partijen kunnen nemen, zijn de beslissingen van het Bundesverfassungsgericht bindend voor alle rechtbanken en autoriteiten van het federale Duitsland.

In de beginjaren van het Bundesverfassungsgericht, namelijk de jaren 50, werd het door de conservatieve regering van Adenauer aangezien als een gevaarlijke tegenstander. Voorbeelden hiervan zijn de Televisie zaak (1962) en de Lüth zaak (1958). Vanaf de jaren 60 en 70 houdt het Bundesverfassungsgericht zich bezig met actuele thema’s zoals gendergelijkheid en vrije meningsuiting. Als in 1969 de socialistische democratische coalitie aan de macht komt, verandert de houding van het Bundesverfassungsgericht aanzienlijk. Het doet er alles aan om de sociale en politieke hervormingen van de nieuwe regering binnen de perken te houden, bijvoorbeeld in verband met abortus. Vanaf 1982, als kanselier Kohl aan de macht komt, probeert het Bundesverfassungsgericht een gulden middenweg te zoeken tussen vriendelijkheid naar de regering toe en de controle op de maatregelen die deze regering neemt. In de vroege jaren 90 krijgt het te maken met problemen die rijzen naar aanleiding van de eenmaking van Duitsland. Kortom, het Bundesverfassungsgericht heeft bijgedragen tot de liberalisering van de federale republiek en is op wereldvlak het model bij uitstek voor nieuwe grondwettelijke hoven in de voormalige Sovjetlanden en elders ter wereld.

Daar waar het Bundesverfassungsgericht vooral bedoeld was om conflicten binnen het Duitse rechtssysteem op te lossen, acht het zichzelf ook bevoegd op vlak van het Europese communautair recht. Solange 1 (1974), Solange II (1986), het Maastricht Urteil (1993) en het Lissabon Urteil (2009) zijn hier voorbeelden van.

Grondwettelijke positie Het Bundesverfassungsgericht is een gerechtshof sui generis, dat voornamelijk wordt beheerst door 2 soorten regels. In de eerste plaats is er de Grondwet (Grundgesetz, GG.). In 1949 werd de oprichting van een Bundesverfassungsgericht in de Grondwet ingeschreven in hoofdstuk IX van de Duitse Grondwet. In artikels 92 tot en met 94 bevinden zich de voornaamste bepalingen. In art. 92 van de Duitse Grondwet (Grundgesetz, GG.) wordt het Bundesverfassungsgericht genoemd als deel van de Duitse rechterlijke macht. Art. 93 GG. heeft het over de bevoegdheid. De samenstelling en rechtskracht van de arresten worden toegelicht in art. 94 GG. Verdere regels met betrekking tot organisatie, bevoegdheid en procedure bevinden zich in het zogenaamde “Gesetz über das Bundesverfassungsgericht” (BverfGG), aangenomen op grond van art. 94, lid 2 GG. Deze wet omvat 3 grote delen. Ten eerste is er de oprichting en de bevoegdheid van het hof, vervolgens de procedure. Het merendeel van de wet omschrijft evenwel specifieke procedures die dienen te worden gevolgd wanneer specifieke soorten wetten ter toetsing worden voorgelegd. Deze wet werd aangenomen op federaal niveau en geldt dus zonder uitzondering in heel Duitsland.

Structuur Het Bundesverfassungsgericht bestaat uit zestien rechters. Verschillend met de aanstelling van de rechters in de andere rechtbanken, worden deze verkozen door de twee federale wetgevende instanties. De ene helft wordt verkozen door de Bondsdag, de andere helft door de Bondsraad, elk met een tweederdemeerderheid. Gezien de grote politieke invloed van het Bundesverfassungsgericht is dit een poging om het zo op zijn minst een indirecte democratische legitimiteit te geven. De vereiste van een tweederdemeerderheid helpt de positie van de politieke minderheidspartijen in elk orgaan te versterken. Normaal kan een enkele partij geen tweederdemeerderheid behalen in de Bondsdag of de Bondsraad, zodat steeds een compromis moet bereikt worden tussen de verschillende politieke strekkingen. Het nadeel van dit systeem is dat de verkiezing van de rechters kan leiden tot een ongewenste politisering van het Bundesverfassungsgericht. De helft van de rechters wordt in gesloten, bijna geheime vergaderingen van een rechterlijke kiescommissie ("Richterwahlausschuß") bestaande uit twaalf leden van de Bondsdag verkozen. De Bondsraad verkiest de andere helft na niet-openbare onderhandelingen tussen de vertegenwoordigers van de Duitse Staten en de partijvoorzitters.

Drie rechters uit elke senaat moeten reeds als rechter in een van de andere federale opperste hoven gezeteld hebben voorafgaandelijk aan hun benoeming in het Bundesverfassungsgericht. Het mandaat van de rechters duurt twaalf jaar of eindigt op de leeftijdsgrens van 68 (art 4. BverfGG). Om hun onafhankelijkheid te garanderen, kunnen deze niet worden herverkozen en kunnen ze niet in andere instellingen zetelen. De beslissingen van het Hof worden door een Senaat of een Kamer bekomen. De rechters van de Senaten worden bij de uitoefening van hun taken ondersteund door secretariaten, wetenschappelijke medewerkers en voorzittersraden.

Oorspronkelijk bestonden de Senaten elk uit twaalf rechters. Sinds 1963 werd dat aantal verminderd en bestaan de Senaten uit telkens acht leden. De Eerste Senaat wordt voorgezeten door de Vicepresident, de Tweede Senaat door de President. De huidige President van het Hof is Prof. Dr. Andreas Voßkuhle. De bevoegdheid voor grondwettelijke klachten en wetscontrole wordt verdeeld over de twee Senaten. De Eerste Senaat is voornamelijk bevoegd voor de wettelijke toetsing, wat vooral de onverenigbaarheid van een wettelijke bepaling met de fundamentele rechten uitmaakt en voor de constitutionele klachten (met uitzondering van de constitutionele klachten van gemeenten en die op het vlak van verkiezingsrecht). In alle andere procedures beslist de Tweede Senaat exclusief. De Tweede Senaat – de politieke senaat – buigt zich meer over de ‘grote’ grondwettelijke geschillen; o.a. de interpretatie van de grondwet in geval van geschillen over de omvang van de rechten en plichten van een opperste federaal orgaan of procedures met het oog op het verbieden van partijen. De plenaire vergadering van het Bundesverfassungsgericht kan, met ingang van het begin van het volgende boekjaar, een andere bevoegdheid aan een Senaat dan waarvoor ze normaal bevoegd is toewijzen, mocht dit noodzakelijk zijn omdat een van de Senaten -niet enkel tijdelijk- is overbelast. Als het onduidelijk is welke Senaat bevoegd is voor een welbepaalde procedure, wordt de zaak door een commissie behandeld, bestaande uit de president, de vicepresident en vier rechters, waarvan er twee worden benoemd door elke Senaat voor het boekjaar. Als de stemmen staken, zal de voorzitter van de commissie een beslissende stem hebben (art. 14 BverfGG).

In elke Senaat zijn er een aantal Kamers met telkens drie leden (art. 15 BverfGG). De Kamers beslissen voornamelijk of een grondwettelijke klacht moet worden toegelaten voor een verdere procedure. Als een klacht niet wordt toegelaten is de procedure ten einde. De Kamer kan een grondwettelijke klacht toestaan als deze duidelijk gegrond is. In procedures van fundamenteel belang daarentegen, is het altijd de voltallige Senaat die beslist. De Kamers verlichten vooral de werkdruk van de Senaat.

In de meeste gevallen is er een gewone meerderheid nodig binnen een Senaat van het Bundesverfassunggericht om tot een beslissing te komen in een zaak, in sommige gevallen een tweederdemeerderheid (art. 15 §4 BverfGG). Een Senaat is bekwaam beslissingen te nemen als ten minste zes rechters aanwezig zijn. Aangezien elke Senaat bestaat uit een even aantal rechters, is het mogelijk dat de Senaat gelijk verdeeld is over een bepaalde kwestie. In dat geval voorziet het Bundesverfassungsgerichtsgesetz dat de status quo zal worden gehandhaafd zodat er geen schending van de Grondwet kan en zal worden uitgesproken (art. 15 § 4 BverfGG). In tegenstelling tot andere Duitse rechtbanken, die enkel de meerderheidsbeslissing publiceren, hebben de rechters van het Bundesverfassungsgericht de mogelijkheid een dissenting opinion te geven, die samen met de meerderheidsbeslissing wordt gepubliceerd. Het Bundesverfassungsgericht kan een tussentijds bevel geven, als dit nodig is om een eiser voor een ernstig nadeel te behoeden, een dreigend geweld of omwille van andere belangrijke redenen om het openbaar belang te beschermen (art. 32 BverfGG).

In een Kamer moeten de uitspraken echter unaniem zijn. Het is niet geoorloofd dat een Kamer een precedent van de Senaat waartoe het behoort verwerpt; zulke zaken moeten aan de Senaat zelf worden voorgelegd. Zo ook wanneer een Senaat een uitspraak zou willen doen over een precedent van een andere Senaat, moeten dergelijke kwesties aan een plenaire vergadering worden voorgelegd (art. 16 BverfGG). Dit is nog maar vier keer voorgevallen. De plenaire zitting bestaat uit alle zestien leden van het Hof en heeft ook organisatorische taken. De President is voorzitter van de plenaire vergadering. Binnen het kader van de wet, regelt de plenaire vergadering de bekwaamheden van de Senaten. Voorafgaand aan elk werkingsjaar worden de Senaten hun bekwaamheden, naast hun vaste bekwaamheden, toegewezen.

Lijst van presidenten van het Bundesverfassungsgericht Naam Begin mandaat Einde mandaat 1 Hermann Höpker-Aschoff 1951 1954 2 Josef Wintrich 1954 1958 3 Gebhard Müller 1959 1971 4 Ernst Benda 1971 1983 5 Wolfgang Zeidler 1983 1987 6 Roman Herzog 1987 1994 7 Jutta Limbach 1994 2002 8 Hans-Jürgen Papier 2002 2010 9 Andreas Voßkuhle 2010 2020 10 Stephan Harbarth 2020

Bevoegdheid Het hof heeft tot taak om vast te stellen of wetten in overeenstemming zijn met de grondwet .