thumb|275px|Beeld van Dorje Shugden De Dorje Shugden-controverse is een controverse rondom de plaats en de hoedanigheid die het wezen Dorje Shugden inneemt in het pantheon van het Tibetaanse boeddhisme. Het conflict heeft zijn wortels in de periode van de vijfde dalai lama Ngawang Lobsang Gyatso in de 17e eeuw en laaide opnieuw op aan het eind van de 20e eeuw, nadat de veertiende dalai lama Tenzin Gyatso de verering van Dorje Shugden in de Tibetaanse kloosters in ballingschap verbood.
Het Dorje Shugden-conflict moet begrepen worden in de context van de geschiedenis van Tibet waarin politieke verschillen van mening en onderlinge machtsstrijd vaak werden vertaald in religieuze conflicten, met slechts een klein onderscheid tussen de religieuze en politieke component. Belangrijk element binnen de historische context is de ontstaansgeschiedenis van dharmapala's in het Tibetaanse boeddhisme.
Samenvatting Het conflict rondom Dorje Shugden is vooral gebaseerd op een tegenstelling tussen groepen die om politieke, religieuze en filosofische gronden voor een meer eclectische benadering van de diverse stromingen en scholen in het Tibetaans boeddhisme kiezen dan wel zich baseren op de suprematie van één gedachtegoed, de pure gelugleer (neergelegd in de school van de nieuwe kadampa), zoals dat in hun opvatting door Tsongkhapa werd geformuleerd.
Dit leidde tot verschil van opvatting over institutionele vormgeving van dat boeddhisme en welke vormen van leiderschap door een dalai lama daarbij werden gewenst. Het conflict heeft zich in historische zin vrijwel uitsluitend voorgedaan in perioden waarbij een dalai lama poogde institutionele veranderingen door te voeren, die met name op groot verzet van een deel van de eigen gelughiërarchie stuitten.
Het conflict heeft een historische achtergrond vanaf ca. 1640. Het grootste deel van die periode tot de Tibetaanse diaspora vanaf 1959 waren er geen omstandigheden die tot regelrechte polarisatie in dat conflict hebben geleid. Met de verbreiding van het Tibetaanse boeddhisme naar het westen tijdens de veertiende dalai lama heeft het conflict echter een dimensie gekregen die het onder de vijfde en dertiende dalai lama niet kon krijgen. De verering van Dorje Shugden lijkt met het ontstaan van de nieuwe kadampabeweging een blijvende plaats te hebben verworven die zich uit buiten de gevestigde tradities en instituties van het mainstream Tibetaans boeddhisme.
Dharmapala's thumb|Zesarmige Mahakala, 17e eeuw thumb|Yamantaka, British Museum
Het belang dat door sommigen gehecht wordt aan Dorje Shugden heeft te maken met het belang dat in het algemeen aan dharmapala's wordt gehecht.
De dharmapala's worden voor het eerst beschreven, toen de Tibetaanse koning Trisong Detsen (755-797) een Indiase monnik verzocht om het eerste boeddhistische klooster in Tibet te stichten. De bouw ervan verliep niet voorspoedig wat werd geweten aan de lokale godheden en demonen die niet erg enthousiast over het project zouden zijn geweest. Pogingen deze geesten te verdrijven mislukten en de monnik was gedwongen de koning te melden dat deze taak boven zijn vaardigheden en mogelijkheden lag. Hij adviseerde de koning om de hulp in te roepen van een tantrische meester, Padmasambhava.
Padmasambhava arriveerde in Tibet en gaf de geesten en demonen het ultimatum zich tot het boeddhisme te bekeren dan wel te verdwijnen. Die kozen voor de eerste optie en beloofden daarbij voortaan Tibet en bovenal de dharma te beschermen met dezelfde wil en kracht waarmee ze tot dan toe het boeddhisme hadden bestreden. In het Tibetaans worden deze krachten damchen genoemd.
De introductie van tantrische aspecten uit India leidde daarnaast tot een vorm van degradatie van de damchen, omdat deze in het te creëren Tibetaanse pantheon ruimte moesten maken voor boeddha's en bodhisattva's. Deze laatste twee hebben een transcendentale oorsprong, die niet alleen over de kracht beschikken om Tibet en de dharma te beschermen, maar ook om gelovigen te helpen op hun pad naar de uiteindelijke verlichting. De damchen waren vanaf dat moment meer mundane, cq. wereldlijke goden en worden geacht niet over transcendentale gaven en krachten te beschikken. Er wordt onderscheid gemaakt tussen mundane en supra-mundane godheden, waarbij de laatste van transcendentale oorsprong is. Bekende supra-mundane dharmapala's zijn Mahakala (de emanatie van Chenrezig, de bodhisattva van het mededogen waarvan de dalai lama als manifestatie wordt gezien) en Yamantaka (emanatie van de wijsheidsboeddha Manjushri).
De damchen zijn inferieur vergeleken met de supra-mundane godheden, maar hebben daarentegen een veel grotere invloed op het dagelijks leven van de gelovige dan de supra-mundane godheden. De damchen hebben deze wereld nooit verlaten en zijn daarom bijvoorbeeld in staat om tijdelijk bezit te nemen van het lichaam van mensen. Op die manier worden ze voor mensen op deze wereld zichtbaar en kunnen ze bescherming en advies geven. Het meest zichtbaar is dat in hun vermogen zich te manifesteren via een orakel. Een bekend voorbeeld daarvan is het orakel van Nechung, het medium waardoor Gyalpo Pehar kan zich manifesteren. Pehar is de belangrijkste van de damchen die door Padmasambhava was onderworpen en is de belangrijkste beschermer van de Tibetaanse staat en de dalai lama. Het geloof dat de mundane dharmapala's een grotere invloed hebben op het dagelijks leven van de gelovige hangt samen met de overtuiging dat deze ook menselijke emoties als jaloezie, boosheid en dergelijke kennen, waardoor ze in dat dagelijkse leven ook effectiever kunnen handelen dan de supra-mundane beschermers. Ze kunnen ook aanstoot nemen aan handelingen van zowel mensen als andere mundane beschermers. Een aspect van de Dorje Shugden-controverse is dan ook een strijd tussen Pehar en Dorje Shugden.
Voor een traditioneel gelovige Tibetaan is een machtsstrijd tussen twee bovennatuurlijke krachten net zozeer onderdeel van de dagelijkse realiteit als voor anderen de werking van natuurkundige verschijnselen, zoals de zwaartekracht.
Oorsprong van het conflict De relatie tussen Dragpa Gyaltsen en de vijfde dalai lama thumb|Het klooster Ganden thumb|Vijfde dalai lama Ngawang Lobsang Gyatso thumb|Dorje Shugden Er bestaan verschillende interpretaties over de wijze en het tijdstip waarop Dorje Shugden het Tibetaanse pantheon binnenkwam en ze hangen vaak nauw samen met de verschillende standpunten die partijen in het conflict innemen. Vrijwel alle interpretaties nemen een aanvang ten tijde van de vijfde dalai lama in de 17e eeuw. Centraal in het verhaal staat de veronderstelde rivaliteit tussen die dalai lama en een andere lama, Dragpa Gyaltsen.
Dragpa Gyaltsen werd waarschijnlijk in 1618 of 1619 geboren, G. Mccune, Lindsay (lente 2007) Tales of Intrigue from Tibet's Holy City: The Historical Underpinnings of a Modern Buddhist Crisis, hoofdstuk 3: Breathing life into the death of Drakpa Gyeltsen - Some Theories on the Life of a Tibetan Lama, masterthesis Staatsuniversiteit van Florida, College of Arts and Sciences één of twee jaar na de geboorte van de vijfde dalai lama. Beide kinderen waren waarschijnlijk kandidaat voor de reïncarnatie van de vierde dalai lama.
In 1622 werd Ngawang Lobsang Gyatso verkozen tot de vijfde dalai lama; Dragpa Gyaltsen werd erkend als de vierde incarnatie van de vijftiende Ganden tripa Pänchen Sönam Dragpa. Op de leeftijd van omstreeks 6 jaar werd hij bevestigd als de vierde tulku van het Drepungklooster en kreeg hij van de vierde pänchen lama de naam Dragpa Gyaltsen.
Dragpa Gyaltsen stond bekend als een briljante leerling, die zich ontwikkelde tot een charismatisch geleerde en vooral uitblonk in het monastieke debat. Er bestond waarschijnlijk een aanzienlijke spanning tussen Dragpa Gyaltsen en de eerste minister van de dalai lama, desi Sönam Chöpel. Lobsang Gyatso maakte in zijn autobiografie - geschreven na de dood van Dragpa Gyaltsen - een aantal negatieve opmerkingen over Dragpa Gyaltsen.
In 1656 werd Dragpa Gyaltsen dood aangetroffen met een witte khatasjaal in zijn keel. Er bestaan verschillende lezingen over de doodsoorzaak, waarbij het zou gaan om zelfmoord, dan wel moord door anderen. In het laatste geval zou de khata hem zijn overhandigd, omdat hij als winnaar uit een debat met de dalai lama was gekomen. Supporters van de dalai lama zouden hem hebben omgebracht omdat ze genoeg hadden van zijn vermeende intellectuele superioriteit.
Er is ook een versie van het verhaal waarin wordt verteld hoe Dragpa Gyaltsen door supporters van de dalai lama met pijlen wordt beschoten die hem niet deren; in elke wond ontstaat een oog. Hiermee zou de verlichte geest van Dragpa Gyaltsen zich hebben gemanifesteerd. Uit mededogen met zijn belagers die hem wilden vermoorden, verklapte hij hen de enige wijze waarop hij gedood kon worden. Zijn zwakke punt was, dat hij zelf ooit een duifje had gesmoord met een doekje, waardoor hij nog een restje karma had op te ruimen. Hierop zouden zijn belagers hem met een sjaal op een soortgelijke wijze hebben vermoord, maar nam volgens zijn aanhangers de kracht als toekomstige dharmabeschermer alleen maar toe. Volgens deze lezing werd hij vervolgens een zeer krachtige beschermer van de leer van Tsongkhapa, aan wie hij ooit in een voorgaand leven had beloofd, zijn leer te beschermen. Goldstein, Melvyn C. 1989: A History of Modern Tibet 1913-1951: The Demise of the Lamaist State, University of California Press, 1995: The Snow Lion and the Dragon: China, Tibet, and the Dalai Lama, University of California Press,
De mysterieuze dood van een hoge lama heeft in de Tibetaanse verhoudingen altijd een hevig schokeffect geproduceerd. In het Tibetaanse geloof is er de overtuiging dat een vermoord persoon kan terugkeren als een demon en na zijn dood circuleerden al spoedig verhalen over de komst van een demonische geest. Naargelang de vermoorde persoon meer intellectuele en vooral religieuze kennis heeft, zou het gevaarlijke aspect van die demon toenemen. Deze demon, die de naam Dorje Shugden kreeg, werd daarom geassocieerd met een minder geslaagde reïncarnatie van Dragpa Gyaltsen.
Er zijn verhalen, die beschrijven dat in de ruimte waar de dalai lama zijn maaltijden nuttigde er permanent hevige geluiden weerklonken alsof er voortdurend een lawine van stenen op het dak viel. Ook wordt herhaaldelijk het klassieke Tibetaanse beeld beschreven dat de demon de dalai lama uiterst slechte dromen bezorgde.
Verschillende divinatie- en uitdrijvingsrituelen hielpen in eerste instantie niet, zelfs niet het bouwen van een tempel in Zuid-Tibet waar Dorje Shugden vereerd zou kunnen worden. Uiteindelijk besloot de dalai lama tot een frontale en finale rituele aanval en werd de geest en diens kwalijke aspecten in een vuurritueel verbrand; hierover werd geschreven dat alle aanwezigen de geur van verbrand vlees zouden hebben geroken. Vanaf dat moment zou Dorje Shugden de dalai lama niet meer lastig hebben gevallen.
Machtsverhoudingen binnen Tibet thumb|left|Güshri Khan thumb|Stichter van de gelugtraditie, Tsongkhapa