Oudnederlands is de taal die gesproken en geschreven werd tijdens de vroege middeleeuwen (circa 500 tot 1000) in een deel van de gewesten die nu Nederland en België vormen, verder ook aan de Franse Noordzeekust (Frans-Vlaanderen, nabij Duinkerke, tevens tot Stapel en mogelijk tot aan Berck) en de nu Duitse Nederrijn. De term wordt gebruikt ter onderscheiding van Middelnederlands en Nieuwnederlands om de verschillende fasen waarin het Nederlands zich ontwikkeld heeft enigszins te kunnen periodiseren.

Terminologie De term Oudnederfrankisch is een synoniem van Oudnederlands. De teksten van het Oudnederlands kunnen geclassificeerd worden als Oudoost- of Oudwestnederlands. De keuze is hierbij vooral afhankelijk van de frequentie van Noordzeegermanismen: zijn dit er relatief veel wordt gesproken over Oudwestnederlands, zijn het er relatief weinig dan over Oudoostnederlands.

Over het geheel bezien, zijn de verschillen tussen de Oudoost- en Oudwestnederlandse varianten zeer gering en taalkundigen benadrukken dan ook om deze termen als een spectrum binnen het Oudnederlands te zien, in plaats van scherpe afbakeningen. Buiten dat het Oudwestnederlands zich meer richting de kust concentreerde en het Oudoostnederlands meer in het binnenland, is het precieze taalgebied van beide varianten onbekend.

Ook het uit het Oudnederlands voortgekomen Middelnederlands steunde op beide hoofddialecten. Volgens taalwetenschappers waren er dan ook geen grote wezenlijke verschillen tussen beide. Uit het Middelnederlands heeft zich vervolgens het Nieuwnederlands ontwikkeld. Dit heeft echter een meer westelijke kleuring ten gevolge van de invloed van de Brabantse en Hollandse dialecten.

Sommige auteurs gebruiken de term Oudnederfrankisch als term voor de eerste fase van het Oudnederlands, te dateren van de vijfde tot de vroege negende eeuw. Gedurende periode versmelten twee Westgermaanse dialecten met elkaar: het Oudfrankisch en een nauw aan het Engels en Fries verwant kustdialect. Na deze samensmelting wordt ook wel van het Laatoudnederlands gesproken.J. Van Loon: Een Laatoudnederlands sjibbolet. Taal en Tongval, Historische Dialectgeografie. 1995, S. 2.

Taalgebied thumb|Oudnederlands taalgebied volgens filologe Alexia Kerkhof, 2020 (bij benadering; in feite waren er geen scherpe grenzen tussen Germaanse dialectgroepen) thumb|Plaatsen waar Oudnederlandse handschriften vandaan kwamen. Meer dan de helft van alle teksten die van voor 1300 zijn overgeleverd, komt uit BruggeLiteratuurgeschiedenis.nl Het gebied waarin het Oudnederlands werd gesproken valt niet samen met het gebied waarin tegenwoordig Nederlands wordt gesproken.

In de huidige provincies Groningen en Friesland (m.u.v. Stellingwerven) en langs de Kop van Noord-Holland werd Fries gesproken, of althans Ingveoonse dialecten. In het oosten (Achterhoek, Veluwe, Overijssel, Drenthe) werd Oudsaksisch gesproken.

In het zuiden en zuidoosten was het toenmalige taalgebied groter dan nu. Frans-Vlaanderen, de Maas- en Sambervallei en een gebied tussen Limburg en Westfalen (Kleef, Berg en Gulik) hoorden bij het Oudnederlandse taalgebied. Een groot deel van het huidige Noord-Frankrijk was tweetalig: de Frankische elite sprak nog eeuwenlang haar eigen taal, terwijl het gewone volk de Romaanse volkstaal sprak. Dit heeft de oïl-talen diepgaand beïnvloed. Zo komt in het Picardisch en het Waals het bijvoeglijk naamwoord meestal vóór het zelfstandig naamwoord, wat in de Romaanse talen zeer ongebruikelijk is.

Afgrenzing Afgrenzing t.o.v. het Middelnederlands Ofschoon er soms grote verschillen zijn, gaan Oudnederlands en Middelnederlands vloeiend in elkaar over. De grens wordt gelegd waar een taal ontstaat die we wat beter kennen doordat er meer bronnen beschikbaar komen, maar in feite is de grens tussen Oud- en Middelnederlands nauwelijks aan te geven. Over het algemeen wordt 1150 of 1200 aangehouden, wat al aangeeft dat de grens moeilijk aan te geven is, temeer omdat uit de 12e eeuw vrijwel geen doorlopende teksten zijn overgeleverd.

Het meest in het oog lopende verschil is het verschijnsel dat klinkerreductie wordt genoemd: in het Oudnederlands vinden we veelal ronde vocalen in de coda, die in het Middelnederlands afgezwakt worden tot een sjwa.

Voorbeelden: Oudnederlands Middelnederlands Nederlands vogala vogele vogels dago/a daghe dagen brecan breken breken gescrivona gheschreven geschreven

De voorbeelden zijn ontleend aan het hoofdstuk van A. Quak in Van den Toorn e.a. (1997): zie literatuurverwijzingen.

Afgrenzing t.o.v. het Fries Een karakteristiek verschil tussen het Oudnederlands en het Oudfries is de Germaanse au. In het Oudnederlands was de Germaanse au een ō (lange o) geworden, in het Fries daarentegen een ā (lange a). Voorbeeld: De huidige Nederlandse plaatsnaam Akersloot werd in oude Friese oorkonden Ekerslat gespeld.

Afgrenzing t.o.v. het Oudhoogduits Het belangrijkste verschil tussen het Oudnederlands en het Oudhoogduits is het feit dat zich in het Oudhoogduits de Tweede Germaanse klankverschuiving heeft voorgedaan en in het Oudnederlands niet.

Afgrenzing t.o.v. het Oudnederduits Er zijn, ondanks alle overeenkomsten, een aantal verschillen tussen het Oudnederlands en het Oudnederduits (Oudsaksisch). Voorbeelden: De Germaanse klank hl (chl) in het begin van een woord is in het Oudnederduits bewaard gebleven maar in het Oudnederlands vereenvoudigd tot l. De Oudnederduitse werkwoorden hebben een eenheidsuitgang in de eerste, tweede en derde persoon meervoud terwijl het Oudnederlands er drie verschillende uitgangen heeft: (-on, -et en -unt). De Germaanse ō (lange o) is in het Oudnederlands een diftong (tweeklank) geworden, echter niet in het Oudnederduits. Zo staat Onl. fluot tegenover Ond. flōd. Oudnederduitse naamwoorden hebben de meervoudsuitgang -as of -os waar het Oudnederlands vaak -a heeft. Het Oudnederlands heeft vroeg "Auslautverhärtung" gehad, dat wil zeggen de overgang van stemhebbende naar stemloze medeklinkers aan het einde van een woord. Voorbeeld: Onl. fluot tegenover Ond. flōd.

Overlevering Van het Oudnederlands zijn slechts enkele fragmenten en onsamenhangende tekstfragmenten bewaard gebleven, zoals de Utrechtse doopgelofte, de Wachtendonckse Psalmen en de Malbergse glossen. De belangrijkste toen bekende teksten zijn in de jaren zeventig en tachtig verzameld en afgedrukt in het Corpus van Middelnederlandse teksten (tot en met het jaar 1300) door Maurits Gysseling, ook wel het Corpus Gysseling genoemd. Daarmee is de overlevering beperkter dan die van verwante talen als Oudengels en Oudhoogduits. Van de vroegste periode van het Oudnederlands, de jaren 500 tot 900, is na de, zeer fragmentarische, Malbergse glossen vrijwel niets overgeleverd. Hiermee is het Oudnederlands weliswaar een van de vroegst Germaanse talen na het Gotisch, maar wel met een hiaat van meerdere eeuwen.

Zoals bij meer vroege West-Germaanse taalvormen, is van Oudnederlandse fragmenten niet altijd eenduidig vast te stellen of het om een vorm van Oudnederlands gaat of om Oudsaksisch of Oudfries. Deels komt dit door de fragmentarische overlevering, maar ook omdat deze variëteiten dichter bij elkaar stonden dan nu voor hun doorontwikkelingen het geval is.

Het oudst zijn enkele fragmenten uit de Salische Wet die Oudnederlands zijn. Clovis' Lex Salica dateert van rond 510, en hoewel dat wetboek in het Latijn was, bevatte het woorden en woordverklaringen in het Oudnederfrankisch die als Oudnederlands worden beschouwd. Deze verklaringen werden veelal gegeven in de vorm van losse woorden, de zogenoemde Malbergse glossen. Het manuscript bevat ook een bepaalde opeenvolging van glossen, die samen een zinnetje vormen. Deze formule werd uitgesproken bij het vrij verklaren van een laat, een halfvrij persoon. Het is deze frase die nu door het Oudnederlands woordenboekOudnederlands woordenboek (digitaal) als 'oudste zin in het Oudnederlands' wordt beschouwd.

Maltho thi afrio lito Ik meld je: ik bevrijd [je], laat

Een moderne Nederlandse vertaling is: "Ik zeg je (plechtig): ik maak je vrij, halfvrije". Deze formule werd uitgesproken bij het vrij verklaren van een laat, een horige ofwel halfvrij persoon.

Volgens een theorie van Bernard Mees bestaat er nog een ouder zinnetje, van ca. 425-450 op de runeninscriptie van Bergakker. Dat zou als volgt luiden:

haþuþȳwas ann kusjam logūns

hetgeen zou betekenen '(van) Haþuþȳw. Ik(hij?) gun(t) (een) vlam (zwaard) (aan de) uitverkorenen'.

Doopgelofte en spreuken Behalve de Utrechtse doopgelofte (eind achtste eeuw) zijn er ook gebeden (eind negende eeuw) overgeleverd om paarden te genezen alsOntleend aan kennislink: Meer dan Hebban olla uogala: Visc flot aftar themo uuatare. uerbrustun. sina uetherun. tho gihelida. ina. use druhtin. the seluo druhtin. thie thena uisc gihelda. thie gihele. that hers theru. spurihelti. AMEN

Letterlijke vertaling:

Een vis dreef over het water, vermorzeld zijn vinnen. Toen genas hem onze Heer. Dezelfde Heer, die deze vis genas, Moge die genezen het paard van deze lamheid. AMEN

Hebban olla vogala

Het beroemdste 'Oudnederlandse' zinnetje :

Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu uuat unbidan uue nu. (ca. 1100)

(Alle vogels zijn nestjes begonnen behalve ik en jij, wat wachten we nu)

De bovengenoemde zin is bekendgemaakt als de 'nieuwe oudste Nederlandse zin', maar is mogelijk geen Oudnederlands maar Oudengels of Oudkents. Professor Luc de Grauwe beweert dat elk woord een Oudkentse vorm kan zijn. Zijn vertaling is daardoor anders dan deze die meestal gegeven wordt: 'Laten nu nog alle vogels nesten gebouwd hebben, behalve ik en jij, wat verwachten jullie nu?'

Te constateren valt dat het persoonlijk voornaamwoord hic hier overeenkomt met het Oudengelse ic als /ɪtʃ/, waarvan de k-klank als gevolg van palatalisatie al gewijzigd was in /tʃ/. De ingevoegde 'h' is een ingweoons kernmerk, dat zich voortdeed in verschillende Ingweoonse dialecten. Thu heeft zich door diftongering ontwikkeld tot thou.

Herkomst De gangbare theorie onder de geleerden is dat het gaat om een pennenprobeersel (Latijn: probatio pennae) van een verliefde (Vlaamse) monnik in een Engels klooster. Men schreef vroeger met een penna (veer). Voordat men begon te schrijven, moest de veer worden getest. Mogelijk is dit zo'n test van een nieuwe veer. Het zinnetje is gevonden door een student in 1932 op een schutblad van een Oudengels prekenhandschrift in de universiteitsbibliotheek van Oxford. Onder die fragmenten is ook de Latijnse "vertaling" van dit zinnetje te vinden:

Abent omnes volucres nidos inceptos nisi ego et tu quid expectamus nunc.

Andere bronnen Het Instituut voor Nederlandse Lexicologie te Leiden heeft op basis van de beschikbare bronnen (86 stuks) een Oudnederlands Woordenboek samengesteld (zie Externe links). De belangrijkste grotere bronnen voor dit woordenboek zijn: de Wachtendonckse Psalmen, de Leidse Willeram, de Middelfrankische Rijmbijbel. Daarnaast heeft men gebruikgemaakt van de kleinere overgeleverde fragmenten en een schat aan glossen en namen in Latijnse handschriften.

De Wachtendonckse Psalmen, een in een beperkt aantal handschriften fragmentarisch overgeleverde verzameling van psalmen, is geschreven in het Latijn en/of Oudnederlands. Ze zijn gesteld in het Oudoostnederfrankisch, de voorloper van het Limburgs. De naam "Wachtendonck" verwijst naar de eigenaar die een handschrift met deze teksten in 1591 uitleent aan de humanistische geleerde Justus Lipsius, die het aan een nader onderzoek onderwierp en enkele psalmen overschreef en analyseerde. Het handschrift zelf is zoekgeraakt, maar dankzij deze Lipsius - en afschriften van zijn kopie - zijn de Wachtendonckse psalmen bewaard gebleven. De teksten dateren uit de 9e en 10e eeuw.