Antonio Stradivari (Cremona, ca. 1644 – aldaar, 18 december 1737), of gelatiniseerd Antonius Stradivarius, was een Milanese vioolbouwer en de bekendste onder hen. Stradivarius had elf kinderen bij zijn twee vrouwen.
Situering Hoewel de familienaam Stradivari in de 16e eeuw veel voorkwam in het gebied rond Cremona, is er weinig concreets bekend over de achtergrond van de familie Stradivari. Men nam altijd aan dat hij de zoon was van Alessandro Stradivari en Anna Moroni, maar de Stradivari met wie Anna Moroni getrouwd was, stierf tijdens de pestepidemie in 1630, ver voor de geboorte van Antonio Stradivari. In het testament van Alessandro worden wel namen van zijn zonen genoemd, maar geen Antonio. (In het koopcontract van zijn tweede woning wordt Antonio Stradivari aangeduid als zoon van de overleden Alessandro Stradivari.) Overigens staat het derde kind van Stradivari, Jacomo Francesco, als volgt ingeschreven in het doopregister:
“in het jaar onzes Heren, 2 februari 1671 / Jacomo Francesco, zoon van de heer Jacomo Antonio Stradivari en mevrouw Francesca, in het huwelijk verenigd...”
Mogelijk blijkt hieruit dat Jacomo de eerste naam van Antonio Stradivari was.
Vóór 1628 waren er drie kinderen in het gezin Stradivari geboren die in de kerkelijke registers zijn terug te vinden, maar van de kinderen daarna, en dus ook van Antonio, ontbreken de geboorteaktes. In 1902 veronderstelden de broers Hill in hun boek over StradivariW. Henry Hill, Arthur F. Hill & Alfred E. Hill, Antonio Stradivari: His life and work (1644-1737), London: William E. Hill & Sons, 1902. dat de familie Stradivari vanwege de hongersnood in de jaren 1628 en 1629 en de pestepidemie van 1630 de stad zou zijn ontvlucht om er pas ná de geboorte van Antonio in 1644 terug te keren. Ze veronderstelden dat Stradivari mogelijk helemaal niet in Cremona werd geboren, maar indien Stradivari buiten Cremona was geboren en opgegroeid, dan zou hij zijn huwelijk waarschijnlijk in zijn geboorteplaats hebben moeten aankondigen en kopieën van geboorte- en doopbewijzen hebben moeten leveren, die men in de registers terug had moeten vinden. Ten gevolge van de pestepidemie namen de activiteiten in de vioolbouw in Cremona pas vanaf 1640/1641 weer toe. De epidemie maakte overigens een eind aan de vioolbouw in Brescia, waardoor Cremona kon uitgroeien tot het belangrijkste centrum van de vioolbouw.
Bevolkingsregisters en andere documentatie zoals aantekeningen op de labels in de instrumenten die Stradivari bouwde, geven een uiteenlopende reeks van jaren tussen 1644 en 1649 waarin Stradivari geboren zou zijn. De bevolkingsregisters van de parochie van San Agata tussen 1668 en 1678 vermelden een geboortejaar dat ligt tussen 1640 en 1649. De registers van de parochie San Matteo, waar het huis stond dat Stradivari daarna kocht, gaan uit van 1648 of 1649. De laatste vermelding in dat register vermeldt hem in 1736 met een leeftijd van 87 en dus een geboortejaar van 1649. Hij stierf in 1737, met de vermelding dat hij toen “ongeveer 95” was, wat betekent dat is uitgegaan van een geboortejaar van 1642.
Verwarring over zijn geboortejaar blijkt ook uit de aantekeningen op de labels in zijn instrumenten. Een label gedateerd 1732 vermeldt “d’anni 89”, daarmee aangevend dat Stradivari 89 was toen hij het instrument bouwde, en dus in 1643 geboren zou zijn (E.J. Payne las overigens de aantekening in de viool niet als “d’anni 89”, maar als “d’anni 82”). In de archieven van een bankier uit Milaan, Carlo Carli, werd een inventaris gevonden van de verzameling instrumenten van Cozio de Salabue, die klant van Carli was. De inventaris was opgemaakt toen de verzameling bij de bankier gedeponeerd werd. Een viool van Stradivari had een label waarop in het handschrift van de vioolbouwer zijn leeftijd van 92 vermeld stond en de datum 1736. Daaruit kon worden opgemaakt dat Stradivari in 1644 geboren was. Men nam altijd aan dat Antonio de aantekeningen zelf op hoge leeftijd had geschreven, als een teken van trots, maar recente onderzoeken concluderen dat de labels mogelijk niet door Antonio werden geschreven, maar door Cozio di Salabue. Als dit het geval is, dan heeft waarschijnlijk Paolo Stradivari aan Cozio di Salabue verteld hoe oud zijn vader was, waardoor de aanname van het geboortejaar toch nog steeds juist kan zijn. Toch kunnen ook anderen de data gewijzigd of aangevuld hebben. Ook uit soortgelijke aantekeningen op labels van instrumenten uit 1735, 1736 en 1737 blijkt 1644 als geboortejaar.
Opleiding thumb|left|Viool gebouwd door Stradivarius uit de Spaanse koninklijke collectie. Hij maakt deel uit van een kwartet
Aan de hand van de krul en de klankgaten is het mogelijk om de verschillende bouwers van snaarinstrumenten uit elkaar te houden. Na een leertijd waarin snaarinstrumenten volgens het model van de leermeester werden gebouwd, volgde de ontwikkeling van een eigen stijl door degenen die zich zelfstandig hadden gevestigd. Over de opleiding en professionele vorming van Stradivari doen verschillende hypotheses de ronde. Stradivari was waarschijnlijk oorspronkelijk opgeleid als houtsnijder en mogelijk een leerling van Nicolò Amati. Er is een zekere gelijkenis tussen de vroege instrumenten van Stradivari en het werk van Amati, maar alleen deze gelijkenis is natuurlijk onvoldoende om aan te nemen dat hij een leerling van Amati was. Er zijn ook geen documenten gevonden om deze veronderstelling te bevestigen. Het werk van Amati was in de vroege periode van Stradivari de standaard in Cremona en omstreken, zodat een gelijkenis voor de hand ligt. Er is ook wel gesuggereerd dat Stradivari ten minste een van de mallen van Amati bezat, anderen vermoedden dat Amati zo onder de indruk van het werk van Stradivari was, dat hij na zijn dood al zijn instrumenten aan hem naliet. Volgens anderen zijn er bij nadere beschouwing juist wezenlijke verschillen tussen het werk van Amati en de vroege instrumenten (tot ca. 1680) van Stradivari.
In elk instrument dat Stradivari bouwde, is een label aanwezig met de tekst Antonius Stradivarius Cremonensis Faciebat, wat betekent "Gemaakt door Antonio Stradivari uit Cremona". Op het label van de “Ashby”–viool van Stradivari staat: "Antonius Stradiuarius Cremonensis Alumnus/Nicolaij Amati, faciebat anno 1666". Het erop volgende jaar liet Stradivari nieuwe labels drukken, waarop de woorden “Alumnus/Nicolaij Amati” echter zijn komen te vervallen. Het lettertype van het label uit 1666 verschilt ook van alle andere labels van Stradivari, en het hoeft daarom helemaal niet origineel te zijn en kan later zijn aangebracht.
Een ander argument dat Stradivari geen leerling van Amati was, is dat in de bevolkingsregisters werd vermeld welke personen tot een huishouden behoorden, inclusief de leerlingen van Amati. Tussen 1641 en 1686 worden steeds alle leerlingen van Amati vermeld, maar Stradivari is daar niet bij. De opgaven voor de jaren 1670 tot 1679 ontbreken, maar vóór deze periode was Stradivari al getrouwd, had hij een huis gehuurd, was hij vader geworden en had hij zich reeds als zelfstandig vioolbouwer gevestigd. Het kan zijn dat leerlingen van plaatselijke families thuis bleven wonen en daarom niet in de bevolkingsregister bij het huishouden van de meester werden genoemd, maar meestal sluit het contract tussen de meester en de familie dat uit.
De instrumenten van Stradivari uit de vroege periode missen ook het teken op de binnenkant van het onderblad dat het kenmerk is van alle instrumenten van de familie Amati en iedereen die door hen werd opgeleid. Het zou kunnen gaan om een indruk van een werktuig om de symmetrie van een instrument gedurende de bouw van een viool te controleren. Het gaat om een kleine, conische holte op 19 cm vanaf de onderkant op het onderblad van de viool. Hij is door de klankgaten zichtbaar en verraadt zijn aanwezigheid aan de buitenkant van het onderblad door een minieme verstoring in het hout. Stradivari hanteerde blijkbaar deze Amati-techniek niet en het is moeilijk voorstelbaar dat hij desondanks leerling van Amati was.
Anderen gaan ervan uit dat Stradivari door een architect of een beeldhouwer werd opgeleid en later vioolbouwer werd. Mogelijk was het Francesco Pescaroli (1610-1679), een architect die het huis waar Stadivari tussen 1668 en 1680 woonde, ter beschikking stelde. Andere namen die wel genoemd worden, zijn de beeldhouwer Giacomo Bertesi (1643-1710) en Alessandro Capra. Er is door Elia Santoro (1987) ook wel vermoed dat hij eerst in de leer ging als intarsiaspecialist of houtsnijder voor hij vioolbouwer werd, maar uit het inlegwerk van Stradivari, dat zijn roem zo snel deed toenemen en hem vele opdrachten uit de hoogste klassen van de maatschappij bezorgde, blijkt geen speciale opleiding buiten de intarsia-training die destijds tot de opleiding tot vioolbouwer behoorde (Pollens, 2010). Er is ook verder geen enkel bewijs voor. Pescaroli staat echter niet alleen bekend als architect, maar ook als “falegname”, timmerman, en “tagliatore”, houtsnijwerker, en wellicht was Stradivari een leerling van hem op dit gebied.
Stradivari bouwde overigens allerlei soorten snaarinstrumenten, waaronder cello's, altviolen, minstens één harp en gitaren. Experts schatten dat Stradivari in zijn leven ongeveer 1100 instrumenten heeft gemaakt. De nog resterende bespeelbare instrumenten (ca. 540) behoren tot de kostbaarste ter wereld. Musici die een Stradivarius bespelen, beweren vaak dat elke viool en dus ook elke Strad, zoals ze liefkozend genoemd worden, een eigen persoonlijkheid heeft. De door Stradivari gebouwde instrumenten worden gerangschikt onder de beste ooit gebouwd.
Het eerste huwelijk en eerste huurhuis Uit de correspondentie tussen 25 juni en 4 juli 1667 over de huwelijksaankondiging tussen de parochie van Santa Cecilia, waar hij vlak voor zijn tweede huwelijk woonde, en die van Sant' Agata, waar Stradivari’s eerste huwelijk werd gesloten, blijkt dat de parochiepriester hem kende en dat er geen bezwaren tegen zijn huwelijk bestonden. Op 4 juli 1667 trouwde Stradivari met Francesca Feraboschi, de jonge weduwe van een zekere Giuseppe Giacomo Capra, de zoon van de architect en ingenieur Alessandro Capra (1608-1682), die vermoord was. Zijn zoon, wiens eerste vrouw in 1661 was gestorven, was in 1662 met Francesca Feraboschi getrouwd. Twee jaar daarna echter werd hij vermoord door haar broer Gian Pietro Feraboschi. Als straf werd hij verbannen. Door de rechter werd besloten dat Francesca het voogdijschap over haar kinderen diende over te dragen aan haar schoonvader, en daardoor werd Alessandro Capra in 1664 tot voogd van zijn twee kleinkinderen benoemd. In 1665 werd de familie Capra gesommeerd de persoonlijke bezittingen van Francesca aan haar terug te geven, maar twee jaar daarna verzocht de familie Capra de gouverneur van Milaan om Francesca’s broer gratie te verlenen en erin toe te stemmen dat hij naar huis terugkeerde. Het verzoek werd ingewilligd, hoewel de kinderen onder voogdijschap van hun grootvader bleven.
Het huwelijk na de gebruikelijke drie huwelijksaankondigingen werd in de kerk van de heilige Sant' Agata gesloten. Het echtpaar trok daarna in het huis in deze parochie dat Francesco Pescaroli aan hen ter beschikking had gesteld. De registers uit 1668 tonen aan dat het door Antonio Stradivari met zijn vrouw en zijn drie maanden oude dochter werd bewoond. Antonio had zes kinderen bij Francesca, waaronder Francesco en Omobono die allebei ook vioolbouwer werden en hem later in de werkplaats hielpen.