thumb|Ontstaan van de verschillende stromingen in Nederland thumb|Ontstaansgeschiedenis van kerken in Nederland 425x425px|thumb|Gasthuiskapel in Middelburg waar de vereniging van 1869 plaatsvond. Momenteel in gebruik bij de Christelijke Gereformeerde Kerk Middelburg miniatuur|Voormalig kerkgebouw Christelijke Gereformeerde Kerk te Leeuwarden. Het gebouw dateert uit 1911. miniatuur|Christelijke Gereformeerde Kerk te Apeldoorn. Het gebouw dateert uit 1919|307x307px miniatuur|Christelijke Gereformeerde Kerk met pastorie te 's-Gravenzande. Het kerkgebouw dateert uit 1919 miniatuur|Christelijke Gereformeerde Kerk te Dordrecht (Centrum) Het gebouw dateert uit 1921De Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) vormen sinds 1892 een kerkgenootschap binnen het protestantisme in Nederland.

De meeste Christelijke Gereformeerde Kerken beleggen op zondag twee kerkdiensten waarin de Bijbel centraal staat en een gedeelte uit de Bijbel uitgelegd wordt door een voorganger. De vormgeving van de kerkdienst en de uitleg van de Bijbel is verschillend. Een plaatselijke kerk kan namelijk behoren tot de modernere orthodox-gereformeerde stroming, tot de meer behoudende bevindelijk-gereformeerde stroming, of daartussenin. Zoals ook in andere gereformeerde kerkverbanden zijn er twee sacramenten: de Heilige Doop en het Heilig Avondmaal. In tegenstelling tot evangelische kerken worden er in de Christelijke Gereformeerde Kerken kinderen gedoopt.

Van de kerken die voortgekomen zijn uit de Afscheiding van 1834 vormen de CGK het kruispunt tussen de Nederlandse Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Gemeenten. Het kerkverband heeft een eigen Theologische Universiteit in Apeldoorn (TUA), eigen kerkelijke zending en onderhoudt veel contacten met kerken in het buitenland met een gereformeerde signatuur. De naam van het kerkverband verwijst naar de basis van de christelijke en gereformeerde belijdenissen: Apostolische Geloofsbelijdenis, Geloofsbelijdenis van Nicea, de Geloofsbelijdenis van Athanasius en de Drie Formulieren van Enigheid. Door het meervoud 'Kerken''' wil men de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeenten benadrukken.

Het kerkverband telt, per 1 januari 2025, 66.572 leden circa 0,3 % van de Nederlandse bevolking, en is daarmee het vierde protestantse kerkverband van Nederland in aantal leden. Geografisch ligt het zwaartepunt van het kerkverband in de Bijbelgordel. Opvallend is het grote aantal christelijk-gereformeerden op Urk: een op de tien christelijk-gereformeerden is lid van een kerk in dit dorp.

Geschiedenis

Voorgeschiedenis en vorming van het kerkverband De Christelijke Gereformeerde Kerken zijn voortgekomen uit de Afscheiding van 1834, toen verschillende gereformeerden zich losmaakten van de Nederlandse Hervormde Kerk, de oude volkskerk. Een van de redenen was dat de Drie Formulieren van Enigheid daar toen niet meer functioneerden en de gereformeerde kerkregering (Dordtse Kerkorde) was afgeschaft.

Op 13 oktober 1834 tekenden in het Groningse dorp Ulrum de eerste afgescheidenen de Acte van Afscheiding of Wederkeer. Met deze term wilde men uitdrukken tot de gereformeerde leer te zijn teruggekeerd. Landelijk omvatte de groep binnen een jaar 20.000 leden. Onder grote druk van buitenaf en interne meningsverschillen viel men in twee groepen uiteen: de Christelijke Afgescheiden Gemeenten en de Gereformeerde Kerken onder het Kruis. Zes jaar na de troonsbestijging van Willem II in 1840 kwamen de vervolgingen van de gereformeerden buiten het hervormde kerkgenootschap grotendeels ten einde. De term gereformeerde gezindte waarmee de groep gereformeerden in breder verband (ongeacht welk kerkverband) werd aangeduid, komt van Guillaume Groen van Prinsterer.

Vereniging van 1869 en doorstart in 1892 In 1869 vond de hereniging plaats tussen de christelijk afgescheidenen en de meeste kruisgemeenten waardoor de Christelijke Gereformeerde Kerk ontstond. In 1886 maakte zich onder leiding van Abraham Kuyper opnieuw een groep gereformeerden los van de Hervormde Kerk waardoor de Nederduitse Gereformeerde Kerken ontstonden. Op 17 juli 1892 fuseerde de Christelijke Gereformeerde Kerk met dit kerkverband tot de Gereformeerde Kerken in Nederland. De drie gemeenten in Teuge, Zierikzee en Noordeloos besloten in 1892 niet mee te gaan met deze fusie, maar de Christelijke Gereformeerde Kerk voort te zetten. De voornaamste woordvoerders van bezwaarden tegen de vereniging van 1892 waren de predikanten F. P. L.C. van Lingen en J. Wisse.

Periode 1892-1944 Opbouw van de organisatie Op 1 januari 1893 telde de doorgestarte Christelijke Gereformeerde Kerk negen gemeenten: Zierikzee, Noordeloos en Teuge, ’s-Gravenhage, Utrecht, Rotterdam, Dordrecht, Lutten en Arnhem. In 1894 besloot de synode tot verdeling in vier classes. In 1896 waren er 32 gemeenten, in 1908 reeds 76 gemeenten met negen preekplaatsen.

Wisse was in zijn standplaats Den Haag gestart met theologisch onderwijs te geven aan P. J. M. de Bruin, die als enige student de Theologische School van Kampen had verlaten. Van Lingen gaf in Rotterdam les in de oorspronkelijke Bijbelse talen. In 1894 werd officieel besloten tot de oprichting van een Theologische School, waarvan de opening werd verricht in Den Haag op 11 september 1894 door J. Schotel. Tussen 1899 en 1919 was de opleiding in Rijswijk gevestigd, hierna verhuisde de opleiding definitief naar Apeldoorn. Van Lingen en J. Wisse Czn. werden als docenten benoemd.

Het kleine blaadje dat aanvankelijk verscheen onder de naam van Het Wekkertje, groeide uit tot een tamelijk weekblad De Wekker. Een maandelijks zendingsblad verscheen onder de naam Uw Koninkrijk kome, terwijl de Bond van Christelijke Gereformeerde Jongelingsverenigingen Luctor et Emergo uitgaf. In januari 1896 verscheen het eerste kerkelijk jaarboekje. Vanaf de komst van G. Wisse als docent aan de theologische school in 1928, werden de docenten op voorstel van ds. J. W. Geels (1880-1950) hoogleraar of professor genoemd.

Theologische accenten Na 1892 profileerde de Christelijke Gereformeerde Kerk zich overwegend als bevindelijk-gereformeerd. Van Lingen legde de nadruk op wedergeboorte en bekering, wat het staan naar kennis en waardering van de wetenschap, voor zover niet in strijd met de Schrift als Gods openbaring, voor hem niet in de weg stond. De docenten A. van der Heijden, F. Lengkeek, G. Wisse, en J. Hovius bewogen zich ook in deze lijn. Het accent werd later verlegd "naar de rechtvaardiging door het geloof," volgens T. Brienen als gevolg van een 'Calvijn-reveil' waar W. Kremer, hoogleraar in de periode 1954 - 1969, een voortrekkende rol in had.miniatuur|Christelijke Gereformeerde Kerk te Noordeloos|264x264px miniatuur|Christelijke Gereformeerde Kerk te Middelharnis

Zoeken naar verbinding De christelijk-gereformeerden hadden een sterk roepingsbesef om alle gereformeerden te verenigen die ten volle wilden leven overeenkomstig de Bijbel en de (gereformeerde) geloofsbelijdenissen. In 1909 was er aandacht voor het in 1907 ontstane kerkverband der Gereformeerde Gemeenten, maar de conclusie was “dat de tijd voor vereniging nog niet rijp was.” Andersom bleek gereserveerdheid. De prominente predikant G.H. Kersten verweet de Christelijke Gereformeerde Kerk "gebrek aan beginsel." Ook wilde hij de Nederlandse Hervormde Kerk niet als ‘vals’ bestempelen. Op de achtergrond speelden politieke aspecten een rol (ARP-SGP). De politieke voorkeurstrijd leverde binnen het kerkverband van de CGK spanningen op.

Discussie over het verbond der genade met de Gereformeerde Gemeenten In 1919 was de conclusie van de CGK-synode: "de Gereformeerden Gemeenten staan met ons op één wortel des geloofs" en "vertonen kentekenen van de ware kerk." Langzaam maar zeker groeiden de contacten hoewel stroef van aard. Deze contacten werden afgebroken toen Kersten in De Saambinder van 12 april 1928 aandacht besteedde aan 'een nieuw opkomende dwaling’, nl. die van de drieverbondenleer. Aanleiding vormde het in september 1927 verschenen catechisatieboekje van de christelijke gereformeerde predikant J. Jongeleen. Volgens Kersten werd het verbond der genade in dit boekje "te conditioneel" voorgesteld en "losgemaakt van de verkiezing." Van der Schuit, Jongeleen, en De Bruin verdedigden hierop de leer van het genadeverbond zoals binnen de CGK werd geleerd. Toen Kersten een poging deed om de invloedrijke ds. G. Wisse aan zijn zijde te krijgen, koos deze voor de zijde van De Bruin en de christelijk-gereformeerde verbondsopvatting. De Bruin benadrukte dat er in zijn kerk ruimte was voor een afwijkende opvatting, zolang dit geen onschriftuurlijke consequenties tot gevolgen zou hebben. Volgens de Amersfoortse predikant G. Salomons, die zichzelf bestempelde als 'gematigd tweeverbonder', moeten "beide lijnen elkaar in evenwicht houden: verkiezing en verwerping opkomend uit het soeverein welbehagen, werken en doel ter verheerlijking Gods. [Maar] de verkiezing in de Heilige Schrift [wordt ons] niet slechts in abstracto, maar veeleer in concreto geopenbaard (ook de verwerping), n.l. in verband gebracht wordt met onze mensheidsgeschiedenis en de geschiedenis des heils." "Infra en supra behoren in de kerk niet tegenover elkander te staan, ze staan naast elkander, vullen elkander aan, kunnen elkander in het evenwicht houden."

Periode 1944-1953 Gedurende de jaren dertig en veertig komen verschillende voorgangers met een bevindelijk-gereformeerde signatuur over naar het kerkverband waaronder W. Baaij (1893-1961), D.L. Aangeenbrug (1891-1984) en L. Gebraad (1894-1980). Het gedachtegoed van G. Wisse had op hen aantrekkingskracht, maar in praktijk bleek niet altijd affiniteit met het hele kerkverband waar veel waarde werd gehecht aan naleving van de kerkorde en een opleiding voor predikanten.

In de periode na de Tweede Wereldoorlog speelde invloed van J.G. Woelderink een rol. Deze theoloog zette zich af tegen de Gereformeerde Kerken in Nederland (Kuyper), maar ook de Gereformeerde Gemeenten (Kersten). Hij bedrukte het verbond en het geloof als noodzakelijke reactie daarop. Door het ontstaan van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt in 1944 werd bezinning op deze kerkelijke groepering ook noodzakelijk. Terwijl sommigen hen zagen als bondgenoten en als het levende bewijs van het eigen gelijk in 1892, anderen zagen juist verschillen.

Volgens kerkhistoricus W. van 't Spijker, groeiden de Christelijke Gereformeerde Kerken in deze periode naar een vernieuwd profiel: “van een sterk subjectieve inslag naar een meer objectieve belofteprediking.” Er was een stroming die zich bewoog in de richting van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKv) en een stroming die verwant bleef aan de Gereformeerde Gemeenten.

Op het eerste gezicht hadden de CGK en de GKv veel overeenkomsten, zowel theologisch als historisch. Ook de voorman van de vrijgemaakten, Klaas Schilder, stond negatief tegenover de opvattingen van Abraham Kuyper, met betrekking tot de leer van de veronderstelde wedergeboorte. De vrijgemaakten legden alle nadruk op Gods verbond en Zijn beloften die ons in de doop zijn toegezegd en verzegeld. Men was afkerig van bevindelijke prediking, dat zou leiden tot lijdelijkheid en valse mystiek. Men zag hier een onderwaardering in van Gods verbond en toezeggingen. De verschillen tussen de CGK en de vrijgemaakten spanden zich voornamelijk samen rondom het thema van de toe-eigening des heils.thumb|Christelijke Gereformeerde Kerk te Dordrecht (Centrum)