thumb|Het Tibetaanse en het Chinese rijk in de zevende eeuw Het Tibetaanse Rijk was een rijk in Tibet, dat tussen circa 600 en 860 bestond. In de tweede helft van de zevende en de tweede helft van de achtste eeuw was dit rijk een van de dominante machten in Centraal-Azië. Na deze periode begon een eeuwenlange politieke en staatkundige fragmentatie van Tibet.
Achtergrond In historisch opzicht zijn het zuiden en oosten van Tibet altijd de meest bevolkte delen van het land geweest. In deze gebieden waren in het midden van de zesde eeuw veel onderling rivaliserende koninkrijkjes aanwezig, die onder gezag stonden van een aantal clanleiders. Een daarvan was het koninkrijk Yarlung, gelegen in de Yarlung-vallei.In de meer recente vakliteratuur wordt in toenemende mate gesproken over het koninkrijk Yarlung voor die periode van de dynastie die voorafgaat aan het Tibetaanse Rijk.
De formele titel van de belangrijkste clanleider van Yarlung – de koning – was Tsenpo, De Machtige. Die titel werd later ook voor alle koningen van het Tibetaanse Rijk gebruikt. De allereerste koningen van Yarlung gebruikten ook wel de dynastieke naam van Pugyel, koning van Pu, die waarschijnlijk verband houdt met de oorsprong van de dynastie in Powo, het zuidoosten van Tibet. De overgang van de periode van koningen van Yarlung als regionale clanleiders naar die van koningen van het Tibetaanse Rijk markeert het begin van het Tibetaanse Rijk. Die overgang vond aan het eind van de zesde eeuw plaats.
De bronnen thumb|Het maken van papier in Tibet Een schriftsysteem werd in de eerste helft van de zevende eeuw in Tibet geïntroduceerd. Er zijn dus geen Tibetaanse literaire bronnen van voor die periode.
Globaal zijn er twee categorieën bronnen te benoemen voor de studie van het Tibetaanse Rijk. De eerste, geschreven door boeddhistische historici of die van de bönreligie, vangt aan vanaf het begin van de elfde eeuw, globaal anderhalve eeuw nadat het rijk was verdwenen. Deze bronnen kijken op de periode van het rijk vaak terug als een gouden eeuw, die dan ook wordt bewierookt. Ze beschrijven het rijk vanaf het midden van de zevende eeuw als een boeddhistisch rijk. Het beoogde religieuze en pedagogische doel prevaleert in deze bronnen boven het streven naar historische juistheid.
De tweede categorie zijn de bronnen, die globaal geschreven zijn in de periode waarover verhaald wordt. Naast Tibetaanse bronnen zijn er ook bronnen in andere talen als Chinees, Arabisch of Hotanees.
Tot de vroegste Tibetaanse bronnen behoren aantekeningen op hout en daarna op papier. Inscripties op steles en de bijbehorende edicten zijn buitengewoon waardevol. Tot de belangrijkste behoren de pilaar van Zhöl, pilaar van Samye, pilaar van Karchung, pilaar van het verdrag van Chang'an en de tempel van het verdrag.
De laatste decennia zijn er nieuwe inzichten ontstaan door analyse en bestudering van documenten die pas in de twintigste en eenentwintigste eeuw zijn gevonden. Het betreft bijvoorbeeld documenten die deel uitmaken van de manuscripten van Dunhuang, zoals de Tibetaanse annalen en de Oude Tibetaanse kroniek. Daarnaast betreft het manuscripten als het Testament van Ba en de in 2003 in een verzameling in Peking gevonden Pangtangmacatalogus.
In tegenstelling tot de klassieke Tibetaanse geschiedschrijving zijn deze documenten geschreven tijdens of kort na de periode van het Tibetaanse Rijk. Het belangrijkst en in historische zin meest betrouwbaar zijn de Tibetaanse annalen. Het schrijven van deze annalen moet kort na 640 zijn begonnen. De gevonden versie van de annalen handelt over de periode 640 tot aan 764. De grote waarde van de annalen is, dat ze een sober en strikt zakelijk verslag geven van gebeurtenissen gedurende de periode en – globaal – geschreven zijn in de jaren waarover het handelt.
De omvang van het rijk in de zevende eeuw thumb|Azië omstreeks 600 De regeerperiode van Takri Nyenzig is het eerste deel van de Tibetaanse geschiedenis waarover enige historisch betrouwbare informatie aanwezig is. Er zijn echter geen historisch betrouwbare gegevens over zaken als de duur van zijn regeringsperiode, geboortejaar en jaar van overlijden. Zijn koningschap moet in de periode van het midden tot het eind van de zesde eeuw gesitueerd worden. Tijdens zijn regeerperiode vangt de ontwikkeling aan van het proces dat in de periode van zijn kleinzoon Songtsen Gampo (605–650) zou leiden tot de totstandkoming van het Tibetaanse Rijk. thumb|De historische toren van Kucha Takri Nyenzig trachtte het gebied van het koninkrijk Yarlung uit te breiden met een aantal veroveringen. Het voornaamste doelwit was een concurrerend koninkrijk Ngas-po, dat ten noorden van de Yarlung-vallei moet hebben gelegen. Dat plan mislukte uiteindelijk, omdat Takri Nyenzig ontvoerd werd door een rivaliserende clan en in gevangenschap vermoord werd.
Het plan werd door zijn zoon Namri Songtsen (overleden 617) wel uitgevoerd. Door een combinatie van bondgenootschappen en veroveringen wist hij daarna het koninkrijk uit te breiden met het gebied van de Sumpa. Dat is globaal het gebied van het westelijk deel van Kham en Amdo. In het westen werd het noordelijke deel van Tsang veroverd, tot aan de grens met het koninkrijk Zhangzhung. De regeerperiode van Namri Songtsen bracht ook nieuwe culturele contacten met het oosten, waarbij Chinese medische kennis in Tibet werd geïntroduceerd. De annalen van de Sui-dynastie maken melding van de ontvangst in 608 van een Tibetaanse delegatie aan het Chinese hof.
De banden tussen de koning en de clans maakten het systeem van de Tibetaanse monarchie gevoelig voor spanningen en het werd altijd instabiel op de momenten dat clanleiders besloten dat hun belangen niet meer gediend werden door hun verbindingen met de monarchie. Na 610 was dit het geval en clanleiders die nieuw veroverd gebied bestuurden kwamen in opstand tegen Namri Songtsen. Hij werd in 617 door het toedienen van gif vermoord.
Zijn zoon Songtsen Gampo wist de opstanden neer te slaan en het door zijn vader veroverde gebied te behouden. Hierna wist hij het gebied van Zhangzhung te veroveren. Met de verovering van Zhangzhung was vrijwel het gehele Tibetaanse Plateau voor het eerst onder een verenigd bestuur gebracht. De menskracht, buit en andere bronnen die met de verovering voor Tibet beschikbaar kwamen waren een grote bijdrage voor verdere veroveringen. In de loop van de achtste eeuw werd het gebied in de Tibetaanse cultuur geassimileerd.
Na 630 raakte het Tibetaanse Rijk voor het eerst in een militair conflict met de Chinese Tang-dynastie. In het gebied van Kokonor had zich in de derde eeuw een Turkstalig nomadenvolk, de Azha gevestigd. Vanaf het begin van de zevende eeuw vormden de Azha in feite een bufferstaat tussen de Tang-dynastie en het Tibetaanse Rijk. Omstreeks 634 zond de Tang-dynastie een leger naar het gebied, dat de Azha versloeg. Dit bracht de Tang-dynastie in conflict met het Tibetaanse Rijk. Het zou tot in de tweede helft van de eeuw duren voordat dit gebied definitief onderdeel van het Tibetaanse Rijk werd.
Aan het eind van de regeerperiode van Songtsen Gampo was Nepal tot een vazalstaat gemaakt en was het gebied van de huidige Indiase deelstaat Arunachal Pradesh en Sikkim onderdeel van het rijk.
In de periode van zijn opvolgers Mansong Mangtsen (643-676) en Tridu Songtsen (670-704) was de feitelijke macht in het rijk in handen van leden van Gar-clan. Tot 668 was minister Gar Tongtsen de belangrijkste machtsfactor in het rijk. Na zijn overlijden waren dat zijn drie zoons. thumb|Zijderoute in Centraal-Azië
In die tweede helft van de zevende eeuw voltrok de expansie van het Tibetaanse Rijk zich met een grote snelheid. Rond 670 waren het gebied rond Kashgar en stadstaten als Khotan en Kucha veroverd. Het kanaat van de Westelijke Turken, een van de opvolgers van het rijk van de Göktürken, was tot een Tibetaanse vazalstaat gemaakt.
In de jaren na 690 wist Tridu Songtsen uiteindelijk de macht van de Gar-clan te breken. De Gar-clan had decennialang met name in het gebied van de Azha rond Kokonor een machtspositie opgebouwd. De vernietiging van de clan leidde in de jaren na 690 tot opstanden aldaar, die door Tridu Songtsen moesten worden neergeslagen. Dit leidde tot een zekere verzwakking van de militaire positie van het rijk. In 693 heroverden de Chinezen het gebied van en rondom het Tarimbekken. Zij verkrijgen daardoor weer de controle over een aanzienlijk groter deel van de Zijderoute.
Ontwikkelingen in de achtste eeuw thumb|Het Tibetaanse Rijk en dat van de Tang-dynastie rond 740 thumb|De pilaar van Zhöl heeft uitvoerige inscripties over de situatie in het rijk in 755 Tijdens de periode van koningin Tri Malö (r. 705-712), de enige vrouwelijke heerser van het rijk, was het rustig aan de grenzen. Daarna verplaatste de strijd tussen het Tibetaanse Rijk en het China van de Tang-dynastie zich naar het verder westelijk gelegen deel van de Zijderoute, en omringende gebieden. Vanaf 715 mengden zich ook andere groeperingen en partijen in die strijd, als de Arabieren, de Türgesh, een confederatie van Turkstalige volksstammen, de Karlukken en later de Oeigoeren. Zowel door de Tang-dynastie als door het Tibetaanse Rijk werden steeds wisselende coalities gesloten.
De Tibetanen behaalden enige militaire successen, maar over het algemeen was het Tibetaanse Rijk in die periode in het defensief. In 730 werd door China en Tibet een vredesverdrag gesloten. Dat werd in 737 verbroken door de Tibetanen, toen zij het in gebied van de Pamir intervenieerden, een gebied dat traditioneel tot de invloedssfeer van de Tang-dynastie behoorde.
Rond 738 tot 754 viel de Tang-dynastie Tibet op vele fronten aan. De enige min of meer stabiele bondgenoot van de Tibetanen, het rijk van de Türgesh, viel door interne strijd in 738 uiteen en kon geen rol meer spelen. In 744 en volgende jaren volgden er invallen van Chinese troepen, die diep tot in Centraal-Tibet doordrongen. Even na 750 had Tibet vrijwel alle eerdere veroveringen in Centraal-Azië moeten opgeven.
De lange serie nederlagen tegen de Tang, de voortdurende intriges van de clans aan het hof en het onvermogen van de Tibetaanse koning Tridé Tsungtsen leidden tot een chaotische situatie. De uitgebreide tekst van de inscripties op de pilaar van Zhöl maakt duidelijk, dat Tibet in 755 aan de rand van een burgeroorlog stond. In die situatie werd Tridé Tsungtsen door de ministers Lang en Bal vermoord.
Feitelijk werd Tibet gered door de opstand van An Lushan tegen de Tang-dynastie in hetzelfde jaar (755). Die opstand werd in 757 uiteindelijk bedwongen, maar de Tang-dynastie kwam ernstig verzwakt uit de strijd. Dit gaf Tibet de tijdruimte om enige orde op zaken te stellen. thumb|Omstreeks 800 bereikte het rijk zijn grootste omvang De vermoorde Tridé Tsungtsen werd opgevolgd door Trisong Detsen (742-800). In zijn regeerperiode bereikte het rijk de grootste omvang ooit. In 763 slaagden de Tibetanen erin kort de hoofdstad van de Tang-dynastie, Chang'an, het huidige Xi'an, te bezetten. De feitelijke controle over de stad duurde maar een aantal weken, maar de Tibetanen bleven gedurende de decennia daarop het gebied ten westen en ten noorden van Chang'an domineren.
Khotan werd weer heroverd op de Chinezen, alsmede de omgeving van Lob Nuur en Dunhuang, een belangrijk entrepot aan de zijderoute en het centrum van het Chinese boeddhisme. Hiermee controleerde Tibet het grootste deel van de zuidelijke zijderoute en een belangrijk deel van de Gansu-corridor.
In het begin van de regeerperiode van Sadnaleg (r. 800 – ca. 815) waren er met name militaire confrontaties met de Arabieren. Een Arabische bron meldt dat de Tibetanen de stad Samarkand, de toenmalige hoofdstad van Transoxanië, belegerden. Kalief Haroen ar-Rashid (overleden in 809) zou overleden zijn op weg naar Samarkand om de stad te ontzetten.