miniatuur|upright|Amedeo Modigliani Amedeo Clemente Modigliani (Livorno, 12 juli 1884 – Parijs, 24 januari 1920) was een Italiaans kunstschilder en beeldhouwer. Hij overleed in armoede, na een bewogen leven en een zeer korte carrière, maar hij behoort vandaag tot de populairste kunstenaars van de 20e eeuw.
Biografie miniatuur|upright|Geboortehuis van Amedeo Modigliani in Livorno (1903)
Jeugd Amedeo Modigliani was telg uit een Sefardisch Joods koopmansgeslacht. Hij was het vierde kind van Flaminio Modigliani en diens Franse vrouw, Eugenie Garsin. Modigliani werd geboren en groeide op in Livorno. Zijn vader was kort voor de geboorte van Amedeo failliet gegaan.Rossella Canuti, Modigliano Amedeo, in: Dizionario Biografico degli Italiani - Volume 75 (2011). Zijn moeder trachtte het gezin recht te houden door vertaalwerk en als privélerares in het Frans en het Engels. Amedeo groeide op in armoede maar anderzijds in een gecultiveerd milieu. Zijn grootvader, Isaac Garsin, nam de jongen regelmatig mee naar kunsttentoonstellingen en legde zo waarschijnlijk de basis voor de latere interesse in kunst van Amedeo.
Amedeo had een wankele gezondheid, op 11-jarige leeftijd werd hij getroffen door pleuritis en toen hij veertien was kreeg hij tyfus. Bij de aanval van pleuritis moest hij lange tijd het bed houden. Hij bracht zijn tijd door met schetsen in een notaboek dat hij van zijn moeder had gekregen, waarschijnlijk de eerste uiting van zijn verbeelding en zijn aanleg voor het picturale. Zijn dochter Jeanne spreekt in de biografie van haar vader dit verhaal tegen en stelt dat Amedeo al voor zijn ziekte bezig was met tekenen.Jeanne Modigliani, Modigliani: Man and Myth, Translated from the Italian by Esther Rowland Clifford, Orion Press - New York, 1958, p.17.
Vanaf augustus 1898 volgde Amedeo tekenlessen bij de schilder Guglielmo Micheli (1866-1926)Jeanne Modigliani, 1958, p.19. en in december krijgt hij van zijn moeder toestemming om zijn studies aan het Gymnasium te beëindigen en zich volledig op zijn tekenlessen toe te leggen. Amedeo was in deze periode vooral geboeid door de werken uit de veertiende eeuw en in het bijzonder van de meesters van de Sienese school uit de die tijd en hij had een grote bewondering voor de prerafaëlieten.Jeanne Modigliani, 1958, p.24. Het landschapschilderen in de stijl van de Macchiaioli, de specialiteit van Micheli, interesseerde hem maar matig. Toen Giovanni Fattori een bezoek bracht aan het atelier van Micheli prees hij een stilleven door Modigliani getekend in houtskool.
In 1900 kreeg Amedeo een nieuwe aanval van pleuritis die overging in tuberculose. Hij was verplicht zijn opleiding te staken en in de winter van 1900-1901 trok hij naar centraal Italië en het zuiden op zoek naar een milder klimaat. Hij bezoekt Napels, Capri, Amalfi, Rome en Florence en naast het zachtere klimaat brengt deze reis de jonge Amedeo in contact met de evolutie in de kunst, waarbij de contacten met het werk van de 14e-eeuwse Tino di Camaino later belangrijk zullen blijken.Jeanne Modigliani, 1958, p.31. Manuel Ortiz de Zárate die hij later in Venetië ontmoette getuigde hier over dat Modigliani na zijn contact met het werk van Tino di Camaino, beeldhouwer wou worden, maar problemen had met de kosten van het materiaal. Hij schilderde bij gebrek aan beter. Zijn ware roeping was het werken in steen en zou dat blijven voor de rest van zijn leven.
Opleiding In 1902 ambieerde Amedeo een bredere opleiding. Hij schreef zich in aan de Academie voor schone kunsten in Florence waar hij de lessen volgde aan de Scuola Libera di Nudo ('Vrije School van Naaktstudies') samen met zijn vriend Oscar Ghiglia, die hij had leren kennen in het atelier van Micheli. Het jaar daarop was de verstandhouding met Oscar zo verslechterd dat Amedeo besloot te verhuizen naar Venetië, waar hij zich inschreef bij het Regio Istituto per le Belle Arti di Venezia eveneens in de Scuola Libera di Nudo. Modigliani bestudeert in Venetië de werken van de schilders uit de renaissance zoals Vittore Carpaccio en Titiaan. Aangetrokken door het levendige culturele leven van Venetië, maakt hij kennis met een aantal avant-gardistische kunstenaars en met het nachtleven in de cafés van de lagune. Het is ook hier dat Amedeo Modigliani voor het eerst experimenteerde met hasjiesj.Jeanne Modigliani, 1958, p.34. Tijdens de Biënnales van 1903 en 1905 leerde hij de werken van de Franse symbolisten en impressionisten kennen. In Venetië schilderde hij een portret van Fabio Mauroner, dat tentoongesteld werd op de Biënnale van 1930, maar daarna verloren is gegaan. Er zijn ook geen andere werken uit die periode bewaard gebleven, maar volgens Jeanne Modigliani werden de werken niet vernietigd op verzoek van de artiest, zoals dikwijls in de literatuur beweerd wordt. Modigliano bleef in Venetië tot eind 1905.
Kunstenaarsloopbaan Parijs In 1906 verhuisde Modigliani naar Parijs, dat toen het brandpunt van de avant-garde was. Volgens Jeanne Modigliani is er heel weinig concreet geweten over Amedeo's leven in de periode 1906-1907. Volgens haar kan men de ooggetuigen uit die periode in drie categorieën indelen. De eerste zijn de sentimentele getuigen die vertellen over de knappe, elegante en gecultiveerde jongeman. De tweede categorie ziet hem als de zwakkeling, de dronkaard, die de auteur was van zijn eigen ondergang. Voor de derde groep is Modigliani slechts een herinnering aan hun eigen jeugd. Afhankelijk van de gebruikte bronnen komen de biografen zoals Blaise Cendrars, Andre Salmon en Francis Carco, dan ook aanzetten met zeer verschillende verhalen.Jeanne Modigliani, 1958, pp. 38-39.Meryle Secrest, Modigliani, Knopf Doubleday Publishing Group, 2011, p. 8.
miniatuur|upright|Portret van Maude Abrantes (1907)
Hij schreef zich bij zijn aankomst in bij de Academie Colarossi en vestigde zich in een herberg in de buurt van La Madeleine, vanwaar hij de stad begon te verkennen en zijn weg zocht in de artistieke kringen. Een poos daarna huurt hij een studio in de rue Caulaincourt in Montmartre, toen een grote bouwwerf, waar een aantal avant-garde artiesten zoals, Juan Gris, Kees van Dongen en zijn vriend Ortiz de Zarate hun atelier hadden. Ook de jonge Spaanse artiest Pablo Picasso had zijn atelier gevestigd in deze buurt in Le Bateau-Lavoir, het toenmalige verzamelpunt voor kunstenaars en intellectuelen. De schrijvers André Salmon, Guillaume Apollinaire, Max Jacob, Pierre Mac Orlan en de kunstcriticus André Warnod hadden hier ook hun optrekje gevonden. Zijn eerste vrienden waren een koetsier-dichter Deleschamps en Maurice Utrillo. De vriendschap met Utrillo, die een groot drankprobleem had, zou tot het einde van zijn leven duren. Toen de nieuwe gebouwen in de rue Caulaincourt afgewerkt waren verhuisde Modigliani naar het Hotel du Poirier en daarna naar het Hotel du Tertre. Hij nam tijdelijk zijn intrek in de Bateau-Lavoir, dat was trouwens het adres dat hij aan zijn moeder doorgaf, maar eindigde in een houten gebouwtje op de Place J.-B. Clement op de hoek van de Rue Lepic. Amedeo trachtte in die beginperiode in Parijs zijn levensstijl, die hij gewoon was van Livorno, aan te houden. Hij was een knappe jonge man en kreeg regelmatig geld toegezonden van zijn moeder, maar dat was blijkbaar niet genoeg om zijn drugsverslaving te bekostigen en hij raakte stilaan in diepe armoede. Jeanne Modigliani verzet zich met klem tegen de legende die ontstond, gebaseerd op de memoires van André Utter, die verhaalt dat hij zijn talent te danken had aan zijn alcohol- en hasjgebruikJeanne Modigliani, 1958, pp. 40-41. en modern onderzoek lijkt haar daarin bij te treden. De 'biografie' van Salmon: Modigliani, sa vie et son oeuvre (1926) en zijn La vie passioné de Modigliani (1956) zijn fictieverhalen die als biografie werden gepositioneerd.Meryle Secrest, 2011, p. 9. Sommigen denken dat Modigliani drugs en alcohol gebruikte om de effecten en de pijn van de tuberculose waaraan hij leed te verzachten en te verbergen voor vrienden en kennissen, om zo een beeld van vitaliteit te tonen dat hem toeliet zijn werk verder te zetten.Meryle Secrest, 2011, p. 211.
Modigliani was zeker van zijn talent, maar zocht in deze turbulente periode zijn eigen stijl.Meryle Secrest, 2011, p. 141. Hij was enige tijd geïnteresseerd in het symbolisme van de Nabis en het postimpressionisme van Henri Degas en Toulouse Lautrec. Hij bezocht het Salon d'Automne en het Salon des Indépendants, waar hij kennis maakte met het werk van Paul Gauguin, Paul Cézanne en de fauvisten.Amadeo Modigliani. Het interne oog, LAM, 27-februari - 5 juni 2016, tentoonstellingscataloog. Hij kende bovendien het werk van de avant-garde: de kubisten, de futuristen en de expressionisten.
thumb|upright|De Jodin (ca. 1908)
Dat hij in deze periode op zoek was naar een manier om zich uit te drukken blijkt uit de getuigenis van de dichter Louis Latourette over zijn bezoek aan Amedeo's studio. Het was een grote chaos, alle wanden waren bedekt met doeken en de vloer bezaaid met tekeningen, maar Modigliani was wanhopig, hij kon niet wennen aan het licht van Parijs. Enkele dagen later liet Amedeo aan Latourette weten dat hij alles had vernietigd, dat hij stopte met schilderen en zich ging toeleggen op beeldhouwen.Meryle Secrest, 2011, pp. 104-105.
Er is weinig werk uit deze periode bewaard gebleven, maar een van de werken, een Vrouwenbuste uit de Dutilleul-collectie, illustreert de zoektocht van Modigliani. De omtrekken die sterk geaccentueerd zijn doen denken aan Gaugin en Lautrec, terwijl het bijna monochrome kleurgebruik naar Picasso in zijn blauwe periode wijst. De kleurvlakken in het gezicht doen dan weer aan het fauvisme denken. In 1907 werden zeven werken van Modigliani toegelaten op het Salon d'Automne.Meryle Secrest, 2011, pp. 106.
In de herfst van 1907 maakte Modigliani kennis met dokter Paul Alexandre die een huis gehuurd had aan de rue du Delta, waar hij een atelier voor onbemiddelde artiesten vestigde. Modigliani woonde niet in het huis, maar had er wel zijn resterende bezittingen ondergebracht. Paul Alexandre kocht enkele werken (onder meer De Jodin) van Amedeo en raadde hem aan zich aan te sluiten bij de Société des Artistes Indépendants om te kunnen deelnemen aan hun salon in 1908. Hij gaf hem ook enkele opdrachten voor portretten, onder meer van zijn vader Jean-Baptiste en van zijn broer Jean. In de periode van 1908 tot 1914, zag Alexandre de artiest zeer regelmatig en zorgde hij voor de nodige materiële steun. In 1914 vertrok Paul Alexandre naar het front.
Beeldhouwer thumb|upright|Vrouwenhoofd (1911-1912), Museum Harvard University
In de zomer van 1909 keerde Modigliani terug naar Livorno, ziekelijk en uitgebrand door zijn levensstijl. Hij schreef er enkele artikels over filosofie met zijn tante Laura en schilderde De bedelaar van Livorno. Hij bleef echter niet lang in Italië en ging snel terug naar Parijs, waar hij nu een studio huurde in Montparnasse. Hij bezoekt in die periode regelmatig La Ruche, waar hij Marc Chagall, Blaise Cendrars en Chaïm Soutine leerde kennen.