De Habsburgse monarchie, de Oostenrijkse monarchie of het Habsburgse rijk is de historiografische term voor een wisselende groep van grondgebieden die op het hoogste bestuursniveau geregeerd werden door de Oostenrijkse tak van het huis Habsburg van 1526 tot 1804. Deze gebieden stonden op regionaal niveau onder bestuur van stadhouders, graven, hertogen, koningen of andere vorsten als de contadores, op grond van deels eeuwenoude overeenkomsten, gesloten onder het feodaal stelsel. Ze konden zelfstandig functioneren naar eigen regels en gewoonten. De grondgebieden waren door militaire veroveringen, strategische huwelijken en erfopvolging in handen van één familie gekomen en op deze manier formeel verbonden in een zogenaamde personele unie. Het was aldus een samengestelde monarchie. Via een geleidelijk proces van het centraliseren van onder andere gezag, bestuur, archiefwezen, communicatie, rechtspraak, wetgeving, verdediging, handhaving en volksvertegenwoordiging, vond een zekere staatsvorming plaats die eenheid tussen al deze territoria smeedde. Als regionale regenten werden vaak familieleden benoemd die geacht werden de belangen van de familie Habsburg te dienen. In 1804 bevestigde keizer Frans II dit proces door alle grondgebieden binnen zijn monarchie onder één kroon te verenigen, waardoor staatkundig het keizerrijk Oostenrijk werd gesticht.
De geschiedenis van de monarchie wordt gekenmerkt door grote tegenstellingen op cultureel en bestuurlijk niveau tussen de verschillende landen binnen de monarchie. Daarnaast bracht het feit dat de Habsburgse heersers sinds 1438 vrijwel onafgebroken keizers van het Heilige Roomse Rijk waren mee, dat zij hun aandacht moesten verdelen tussen de regering van hun eigen domeinen en die van het Heilige Roomse Rijk. De tegenstellingen tussen beide gebieden brachten vaak grote problemen met zich mee. Verder betekende de strategische ligging van de Habsburgse monarchie dat het land kon rekenen op veel verschillende vijanden en bondgenoten. Door oorlogsvoering maar vooral ook door diplomatie, werd de monarchie een grootmacht in vroegmodern Europa.
Geschiedenis thumb|left|130px|De huwelijksplechtigheid in Wenen
Ontstaan In 1506 sloten keizer Maximiliaan I en koning Wladislaus II Jagiello een huwelijksovereenkomst die het begin van de Habsburgse monarchie betekende: Maximiliaans jongste kleinzoon Ferdinand zou trouwen met Wladislaus' dochter Anna. Tevens was het voornemen Maximilaans kleindochter Maria te laten trouwen met het nog ongeboren kind van Wladislaus' zwangere vrouw, wanneer dat een jongen zou zijn. Dat werd inderdaad een jongen die Lodewijk werd gedoopt. Overeengekomen werd ook, dat na het eventuele uitsterven van een van beide dynastieën (het huis Habsburg of het huis Jagiello) de andere dynastie deze zou opvolgen. In 1515 werd deze overeenkomst tijdens het eerste congres van Wenen definitief bezegeld en in 1521 werd het huwelijk van Ferdinand en Anna voltrokken in de Stephansdom in Wenen. In 1522 huwden vervolgens ook Maria (17 jaar) en Lodewijk (16 jaar oud) in Praag.
De reden achter het sluiten van deze overeenkomst was van geo-politieke aard. Het huis Jagiello van koninkrijk Hongarije en Landen van de Boheemse kroon kwam steeds meer onder druk te staan van de oprukkende Ottomaanse Turken. De Habsburgers waren zowel financieel als militair in staat hulp te bieden bij oorlogen tegen de Turken, maar tegelijkertijd niet sterk genoeg om actief een bedreiging te vormen.
Na Maximiliaans dood kwamen de Oostenrijkse bezittingen door erfopvolging toe aan Maximiliaans oudste kleinzoon, Karel. Karel erfde ook de kronen van Castilië en Aragón en de Habsburgse bezittingen in Bourgondië, de Bourgondische Nederlanden en grondgebieden in het huidige Italië (Sardinië, Koninkrijk Sicilië, Koninkrijk Napels). Om zijn aandacht beter op dit Atlantisch georiënteerde deel van zijn rijk te kunnen richten besloot Karel bij de Rijksdag van Worms in 1521 zijn Oostenrijkse bezittingen over te dragen aan zijn jongere broer Ferdinand, het verdrag dat daartoe werd gesloten werd in 1522 bezegeld in Brussel.De bezegeling vond letterlijk plaats door het bevestigen van de zegels van verdragspartijen aan de oorkonde.
Hongarije verdeeld thumb|De verdeling van Hongarije thumb|De Tweede Praagse Defenestratie.
In 1526 kwam Lodewijk II van Hongarije bij Mohács in de strijd tegen de Turken om het leven. Tijdens de landdagen van Bohemen, Kroatië en Hongarije werd Ferdinand tot koning gekozen. Hiermee ontstond een groot rijk met grote taalkundige, economische, culturele en bestuurlijke verschillen.
Ferdinand werd in Hongarije niet unaniem verkozen. Een deel van de Hongaarse adel en de Slavonische landdag verkoos de Hongaarse gouverneur van Transsylvanië, Jan Zápolya, als koning boven een 'buitenlander'. Ferdinand wist Zápolya te verslaan en naar Transsylvanië terug te dringen. Hiervandaan riep Zápolya de Turken te hulp. Sultan Süleyman de Prachtlievende viel in 1529 Hongarije binnen en na een succesvolle campagne stond zijn leger voor de poorten van Wenen. De Turkse legers konden de stad niet veroveren, en trokken zich terug. Van 1529 tot 1541 vielen de Turkse legers herhaaldelijk Hongarije en de Erflanden binnen waar ze grote verwoestingen aanrichtten. Na 1541 werd Hongarije verdeeld in een Turks, een Habsburgs en een Zevenburgs deel. De Habsburgers probeerden tijdens de Vijftienjarige Oorlog (1591-1606) Hongarije zonder succes te veroveren.
Dertigjarige Oorlog
Waren Maximiliaan II (1564-1576) evenals zijn opvolgers Rudolf II (1576-1612) en Matthias (1612-1619) voor godsdiensttolerantie, dan was Ferdinand II een adept van de contrareformatie. In 1617 werd hij koning van Bohemen en begon protestantse geschriften te censureren en alleen katholieken werden tot de ambtenarij toegelaten. Toen hij de protestanten het recht om samen te komen en hun ongenoegen te uiten introk, werd het de Boheemse protestanten te veel. Op 23 mei 1618 trokken enkele Boheemse edellieden de burcht van Praag binnen waar zij in de Tweede Praagse Defenestratie de vertegenwoordigers van Matthias uit het raam wierpen.
Hiermee begon een algehele opstand in de Boheemse Kroonlanden, die zich uitbreidde tot de Dertigjarige Oorlog. Een overhaast bijeengeroepen landdag koos een nieuwe regering en richtte een leger op om het land te verdedigen. De edelen van de twee aartshertogdommen (Boven- en Nerder-Oostenrijk) en Hongarije sloten zich aan bij de Boheemse opstand, waardoor alleen Kroatië, Binnen-Oostenrijk en het graafschap Tirol nog loyaal aan de keizer bleven. Tijdens deze crisis stierven zowel de aartshertog van Tirol (1618) als keizer Matthias zelf (1619). Hierdoor kwamen alle Oostenrijks Habsburgse gebieden toe aan aartshertog Ferdinand van Binnen-Oostenrijk. De staten van Bohemen verklaarden zijn eerdere verkiezing als opvolger van Matthias ongeldig en kozen op hetzelfde moment dat Ferdinand tot keizer werd gekroond de calvinistische Frederik V van de Palts tot koning van Bohemen. In Hongarije werd de vorst van Transsylvanië, Gabriël Bethlen, tot nieuwe koning gekozen en het leek alsof de Habsburgse monarchie ten onder zou gaan.
thumb|left|300px|De Slag op de Witte Berg. Ferdinands redding kwam van de tijdige interventie van buitenlandse bondgenoten. De katholieke koning Sigismund III van Polen viel Opper-Hongarije binnen en dwong de vorst van Transsylvanië zich terug te trekken. De Katholieke Liga onder leiding van hertog Maximiliaan I van Beieren beloofde Ferdinand hulp te bieden en ook de lutherse keurvorst van Saksen, Johan George I van Saksen, sloot zich in ruil voor de Lausitz bij Ferdinand aan. Ook het Spaanse Rijk sloot zich bij de keizer aan en door middel van pauselijke subsidies was Ferdinand in staat om zelf een leger bijeen te brengen. Met behulp van zijn bondgenoten wist Ferdinand Frederik te verslaan in de Slag op de Witte Berg (1620). Hiermee werd Bohemen weer onder keizerlijk bestuur gebracht.
Om opstanden in Bohemen in de toekomst uit te sluiten liet Ferdinand de 21 opstandige edelen executeren en van enkele honderden confisqueerde hij hun bezittingen. In 1627 vaardigde hij de Verneuerte Landesordnung uit waarin de Boheemse kiesmonarchie werd afgeschaft en vervangen door een erfelijke kroon. De Boheemse Hofkanselarij werd naar Wenen verplaatst, zodat de keizer de Boheemse financiën kon controleren. Met behulp van Reformatiecommissies en de komst van de jezuïeten begon een grootschalige bekering van de protestanten in Bohemen en de Erflanden.
De Dertigjarige Oorlog zou nog tot 1648 voortduren. De Zweden die aan protestantse zijde meevochten, vielen herhaaldelijk Bohemen binnen en de Fransen vielen Voor-Oostenrijk aan. Met de Vrede van Westfalen die de oorlog beëindigde, verloor de monarchie de Voor-Oostenrijkse gebieden westelijk van de Rijn en werd de macht van de keizer zover ingeperkt dat de Duitse vorsten feitelijk onafhankelijk werden.
Oorlogen en opstanden 180px|thumb|Karel II van Spanje, met de naar voren gestoken kaak ('centenbakje') veroorzaakt door inteelt. 180px|thumb|keizer Leopold I.
Na het tekenen van de Vrede van Westfalen stond de monarchie er internationaal slecht voor. Frankrijk en Zweden waren machtiger geworden. De verkiezing van Leopold I in 1658 tot keizer verliep uiterst moeizaam door de intriges van de Franse kardinaal Mazarin die probeerde koning Lodewijk XIV tot keizer laten verkiezen. Dat Leopold alsnog verkozen werd, was vooral te danken aan zijn omkoping van de Duitse keurvorsten. Maar niet alleen op diplomatiek vlak stond de dynastie er slecht voor; er waren ook problemen rond de erfopvolging.
Spanje had de Spaans-Franse Oorlog (1635-1659) verloren en ook het Spaans-Habsburgse koningshuis stond op de rand van uitsterven. De ziekelijke Karel II van Spanje was na de dood van zijn vader Filips IV in 1665 de laatste mannelijke Spaanse Habsburger. Evenzo was de Oostenrijkse tak van de dynastie behoorlijk uitgedund. De laatste Tiroler Habsburger stierf in 1665 waardoor Leopold I als enige overbleef om zijn familietak voort te zetten. De gezondheid van Karel II was zo slecht dat zowel Leopold I als Lodewijk XIV probeerden om door middel van huwelijkspolitiek de rechten op de Spaanse erfenis te verkrijgen.
Een ander probleem voor de monarchie was de hernieuwde Turkse agressie onder leiding van grootviziers uit de machtige familie Köprülü. De Turkse legers veroverden hun opstandige vazalstaat Transsylvanië. Niet lang daarna verklaarden de Turken de oorlog aan de monarchie. Het Habsburgse leger wist de Turken verpletterend te verslaan in de Slag bij Szentgotthárd (1664). De Hongaarse edelen zagen de overwinning als een kans om heel Hongarije van het Ottomaanse Rijk te bevrijden. Leopold I tekende echter een vernederende vrede met de sultan. Hierdoor had hij zijn handen vrij om een oorlog met Frankrijk aan te gaan, vanwege de Spaanse erfenis.
De Hongaarse magnaten zagen dit als verraad tegen Hongarije en probeerden tijdens de Rakoczi-samenzwering de Habsburgers te onttronen. De samenzwering mislukte, waarop Leopold Hongarije aan een absolutistische politiek onderwierp. Deze periode wordt in Hongarije de “Tien Duistere Jaren” genoemd. Guerrilla-aanvallen van de Koeroetsen hadden geen enkele invloed op Leopolds beleid. Onder druk van Franse en Turkse agressie herstelde Leopold in 1680 de rechten van de Hongaarse edelen. Leopold probeerde de vrede met het Ottomaanse Rijk te verlengen en richtte zijn aandacht op het westen, waar Frankrijk steeds meer gebieden van het Heilige Roomse rijk annexeerde. 300px|thumb|left|De Slag om Wenen, waarmee het Beleg van Wenen (1683) tot een einde kwam. 300px|thumb|left|De monarchie (groen) na de Vrede van Rastatt.