Het Sint-Barbaraklooster, door de tijd heen ook bekend als het Weeshuis der Gereformeerden en Sociëteit Alcuin, is een rijksmonument en voormalig kloostercomplex in de stad Delft, in de Nederlandse provincie Zuid-Holland. Het klooster begon als woonhuis, maar dijde in de 15de en 16de eeuw uit tot een complex met meerdere gebouwen. Onder invloed van de reformatie verviel de religieuze bestemming, en vestigde zich er een weeshuis. Halverwege de 20ste eeuw werd een deel van het complex in gebruik gebruik genomen als studentensociëteit.
Historische context In de Middeleeuwen telde de Delftse binnenstad tien kloosters. Een daarvan was het Sint-Barbaraklooster, dat zich in 1405 vestigde aan de Oude Delft. Het klooster begon als woonhuis, maar werd in de loop der jaren verder uitgebouwd. De stadsbrand van 1536 legde weliswaar een groot deel van het klooster in de as, maar door donaties en de verkoop van land kon het klooster volledig herbouwd worden.
Ondertussen rukte het protestantisme op in Europa. De Rooms-katholieke heerser Filips II trad hard op tegen het nieuwe geloof. Als tegenreactie kregen de Rooms-katholieken het in de Staten van Holland tijdens de Tachtigjarige Oorlog zwaar te verduren. In 1572, het jaar waarin de watergeuzen Den Briel veroverden op de Spanjaarden, werden invloedrijke kloosterlingen vervolgd en vermoord, waaronder ook Cornelis Muys, de laatste rector van het Delftse Agathaklooster. Priester Christiaan van Adrichem, die op dat moment aan het hoofd stond van het Barbaraklooster, besloot een dergelijk lot niet af te wachten, en ontvluchtte het land. Terwijl Willem van Oranje zijn intrek nam in het Sint-Agathaklooster, werd Willem II Lumey, opperbevelhebber van de Watergeuzen in dienst van de Nederlandse Opstand, ingekwartierd in het Barbaraklooster. Aan de achtergebleven zusters werden hoge belastingen opgelegd. In 1575 publiceerden de Staten van Holland een resolutie waarin werd afgekondigd dat alle kloosters en conventen, inclusief bijbehorende landerijen, geschonken werden aan de lokale stadsbesturen.
In de veertiende eeuw kreeg Delft toestemming van de graaf van Holland om de voogdij over ouderloze kinderen te regelen. In de decennia die volgden kreeg de Weeskamer vorm, een college van overheidsdienaren die belast waren met de zorg voor ouderloze kinderen. Deze zogenoemde weesmeesters werden bij hun werk ondersteund door de Heilige Geestmeesters, ambtenaren die door het stadsbestuur waren aangesteld om zich over de armen te bekommeren, en de fondsen en giften te beheren die voor de armenzorg bestemd waren. Ouderloze kinderen werden aanvankelijk zo veel mogelijk bij familie ondergebracht, of er werd gezocht naar pleeggezinnen. Zo lang er nog geen pleeggezin was gevonden, werden de kinderen tijdelijk in armenhuizen ondergebracht. In de zestiende eeuw nam het aantal hulpbehoevenden in Holland echter sterk toe, onder meer door de vele vluchtelingen vanuit de Zuidelijke Nederlanden. Dit vroeg in het hele land om modernisering van de wezenzorg. Toen in 1575 in Holland alle kloosters en conventen aan de lokale stadsbesturen werden geschonken, grepen verschillende steden de gelegenheid aan om de vrijgekomen complexen als instelling in te richten om grote groepen wezen in op te vangen. In 1579 besloot het stadsbestuur van Delft om het Barbaraklooster als locatie voor een weeshuis aan te wijzen. Zo'n 300 tot 400 kinderen werden in het complex gehuisvest. Aan het begin van de 19de eeuw werd het weeshuis omgedoopt naar "Weeshuis der gereformeerden binnen Delft". Het weeshuis nam weliswaar kinderen aan van alle gezindten, maar men was van mening dat de kinderen wel allemaal met de leer van de Staatskerk moesten worden opgevoed.
Waar er aan het begin van de 18de eeuw nog een grote verbouwing van het weeshuis plaats had naar de stijl van die tijd, zo werd het gebouwencomplex een kleine tweehonderd jaar later nog maar nauwelijks onderhouden. Aan het begin van de 20ste eeuw waren de gebouwen op het terrein inmiddels zodanig vervallen, dat het niet langer veilig werd geacht voor de huisvesting van kinderen. De kinderen werden daarom in 1910 overgebracht naar een nieuw gebouw aan het Koningsplein.
Tussen 1910 en 1947 raakte het kloostercomplex verder in verval. De gemeente wist het aanvankelijk nog te verhuren aan verschillende tijdelijke gebruikers, maar vanaf 1925 stonden de gebouwen het grootste deel van de tijd leeg.
Kort na de Tweede Wereldoorlog werd het vervallen kloosterterrein geadopteerd door de Katholieke Studentenvereniging Sanctus Virgilius. De studenten droegenmet overheidssubsidies, sponsoring en donatieszorg voor de volledige renovatie van het gebouw, en kochten het uiteindelijk over van de gemeente Delft.
Gebruik en bewoners Kloostergemeenschap (1405 - 1579) Aan het einde van de 14e eeuw besloot een groep vrouwen zich van de buitenwereld af te sluiten en een kloostergemeenschap te stichten. Deze gemeenschap, die enkele jaren later bekend zou worden als het Sint-Agathaklooster, vestigde zich in een huis halverwege de Oude Delft, ter hoogte van de Oude Kerk (toen nog Sint-Bartholomeuskerk). In 1400 besloot de gemeenschap haar kloosterleven in te richten naar de derde leefregel van Franciscus van Assisi. Niet iedereen kon zich echter in deze beslissing vinden. Een van de zusters, de weduwe Hase Dirck, besloot de orde te verlaten en een nieuwe gemeenschap te stichten met een vrije leefregel. Ze verzamelde enkele jongedames om zich heen, onder wie haar twee dochters, en noemde de nieuwe gemeenschap naar haar oudste dochter Barbara.
De zusters van het nieuw gevormde Barbaraconvent – geen nonnen, maar vrouwen die zich beschouwden als conventualen – kochten in 1405 een huis met een stuk grond aan het begin van de Oude Delft, ter hoogte van de Breestraat. Het huis, dat eerder van ene Gerrit Bosschaerts was geweest en aan de zusters van het Agathaklooster had toebehoord, werd verbouwd en daarna in gebruik genomen door de zusters van het Barbaraconvent. Ene Claes Butsiel werd de rector van het nieuwe klooster.
In de eerste jaren leefden de zusters van het Barbaraconvent in grote armoede. De aankoop van het klooster had hen honderd nobels gekost, terwijl ze daarnaast jaarlijks een nobel grondrente en acht Hollandse ponden moesten afdragen. Vier jaar later stond er van de totale koopsom nog een schuld open van 260 pond. De zusters van het Sint-Agathaklooster, met wie ze aanvankelijk in onmin leefden, besloten in 1409 hun hand over het hart te strijken en de resterende schuld kwijt te schelden, op voorwaarde van een jaarlijkse rente van zes lood zilver.
Claes Butsiel werd als rector opgevolgd door Pieter Gerrits, die ook rector was van het fratersklooster Sint-Hieronymusdal. Onder zijn leiding werd het Barbaraklooster welvarender, en kon er een kleine kerk bij het klooster worden gebouwd. Deze werd ingewijd op zondag 24 maart 1417. Vervolgens wist Pieter Gerrits de zusters te overtuigen hun vrije leefregel op te geven en, net als de zusters van het Sint-Agathaklooster, voortaan de derde leefregel van Franciscus van Assisi te aanvaarden. Op 24 juli 1418 legden de zusters hun geloften af en vormden zij vanaf dat moment een besloten kloostergemeenschap. Er waren toen 24 zusters.
In 1536 legde de stadsbrand van Delft een groot deel van de stad in as, waaronder ook het Barbaraklooster. Het woonhuis, de kapel, de bibliotheek met meer dan honderd handschriften, de inboedel en de eigendomsbewijzen van grote stukken land buiten de stadswal gingen in vlammen op. Om de wederopbouw te bekostigen, verkochten de zusters honderd morgen land. Dankzij giften van vermogende Delftenaren kon het klooster herbouwd worden, wat in 1550 voltooid was. Er volgde een periode van bloei. De kloosterzusters leefden van handenarbeid en het klooster werd zeer rijk. Tussen 1557 en 1561 waren de inkomsten bijzonder hoog. In 1569 gaf de Spaanse koning Filips II toestemming om voor een bedrag van 7.826 Carolusguldens verkocht land terug te kopen.
In 1572 - de Tachtigjarige Oorlog tegen de koning van Spanje was inmiddels in volle gang - werd Lumey met zijn watergeuzen in Delft binnengehaald. Door moordpartijen op rooms-katholieke geestelijken eerder dat jaar had hij geen goede reputatie. De priester Christiaan van Adrichem, die op dat moment aan het hoofd stond van het Barbaraklooster, besloot hierop het land te ontvluchten. Lumey werd met zijn gevolg ingekwartierd in het Barbaraklooster. Daar hield hij flink huis, met plunderingen en schofferingen van de zusters die er nog woonden.
Drie jaar later schonken de Staten van Holland het kloostercomplex aan de gemeente Delft. Van Adrichem probeerde vanuit Duitsland de zusters ertoe te bewegen om naar hem toe te komen en zich bij hem te vestigen. De zusters bleven echter standvastig; naar verluidt probeerden zij zelfs nog schadevergoeding te verhalen bij het stadsbestuur van Delft, maar zonder succes. De laatste zusters verlieten het Barbaraklooster in 1579.
Weeshuis der Gereformeerden (1579 - 1910) miniatuur|Gravure van het weeshuis omstreeks 1730 Op 8 september 1579 kregen de Heilige Geestmeesters de beschikking over het voormalige Sint Barbaraklooster, om daar een weeshuis te vestigen. Voor het besturen van de interne huishouding van het nieuwe weeshuis werden uit de gegoede burgerij zes mannen en vier vrouwen aangewezen als vaders en moeders van het weeshuis. Het weeshuis, dat later de naam Weeshuis der Gereformeerden zou krijgen, had geen strikt aannamebeleid. Alle jongens en meisjes waren welkom, ongeacht afkomst of religieuze achtergrond. Wel werden de wezen in het weeshuis opgevoed met de (hervormde) staatsgodsdienst.
De uitgaven van het nieuwe weeshuis waren hoog. Niet alleen huisvestte het weeshuis al gauw zo'n 300 tot 400 vondelingen en weeskinderen, het was ook verantwoordelijk voor de kosten van het het Sint Joris Gasthuis, een dolhuis ten noord-oosten van de stad. De weeskinderen en zogenoemde krankzinnigen werden aanvankelijk uit hetzelfde potje bekostigd, omdat beide groepen immers werden beschouwd als onmondig en niet in staat om zichzelf te beheersen. De inkomsten van het weeshuis bestonden onder meer uit erfenissen, legaten en giften, en uit de opbrengst van de verkoop van goederen van de ouders van de wezen die in het weeshuis kwamen wonen. Ook ontving het weeshuis het salaris van de tieners die overdag een baan buiten het weeshuis hadden. thumb|Aquarel van de linnenkamer van het Sint Barbaraklooster aan de Oude Delft 55-57
Vanaf halverwege de 17de eeuw werd het weeshuis financieel zelfstandig.
Het weeshuis was van binnen in drie verschillende woonplaatsen verdeeld; een deel voor de jongens, een deel voor de meisjes en een deel voor de kleine kinderen. De zorg en opvoeding werd verricht door zes mannen, die de rol van vader kregen toebedeeld. Twee schoolmeesters waren aanwezig om de kinderen lezen en schrijven te leren. Vanaf een zekere leeftijd gingen de jongens buiten het weeshuis in de leer om een vak te leren. De meisjes bleven in het weeshuis om breien of naaien te leren.
In 1910 werden de kinderen van het weeshuis overgebracht naar een nieuw gebouw aan het Koningsplein. Het oude gebouw vond men niet langer veilig voor de huisvesting van kinderen.
Geen vaste bestemming (1910 - 1947) Na het vertrek van de weeskinderen raakte het kloostercomplex verder verwaarloosd. De Technische Hogeschool gebruikte het pand vanaf 1916 enkele jaren als scheikundig laboratorium, en in 1924 fungeerde het tijdelijk als noodpostkantoor, toen het postkantoor elders in de binnenstad, aan de Hyppolytusbuurt, grondig verbouwd werd.