thumb|Noord-Nederland Het landsdeel Noord-Nederland, ook wel het Noorden des Lands, is een Nederlandse regio die in de Nederlandse en Europese overheidsstatistiek sinds de jaren zeventig als NUTS 1-regio wordt omschreven. Het bestaat uit de drie provincies Groningen, Fryslân en Drenthe. Deze drie provincies zijn in 1992 het samenwerkingsverband SNN aangegaan.
In het landsdeel Noord-Nederland woont circa 10% van de Nederlandse bevolking. Op 1 maart 2023 had het landsdeel een inwonertal van 1.758.187 inwoners, op een oppervlakte van 11.389 km² (ruim 27 procent van Nederland). Dit is een bevolkingsdichtheid van 152 inw./km².
'Noord-Nederland' zou letterlijk genomen het geografische noorden van Nederland moeten zijn, maar doorgaans worden hiermee de drie provincies bedoeld. Deze liggen in het noordoosten van Nederland vasteland en omvatten tevens de meeste Waddeneilanden en het grootste deel van de Waddenzee. De Kop van Noord-Holland en Texel – in het noordwesten – vallen er dus niet onder. Soms worden ook de Kop van Overijssel en andere delen van deze provincie bij het Noorden gerekend, bijvoorbeeld bij grensoverschrijdende projecten of toeristische marketing.
Met name in België wordt 'Noord-Nederland' gebruikt als synoniem van het gebied boven de Moerdijk, het protestantse deel van Nederland, of in ruimere zin Nederland in zijn geheel.Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal. De termen Noord-Nederland en Zuid-Nederland worden in historische context ook wel gebruikt als synoniemen van respectievelijk de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden.
Noord‑Nederland kampte langdurig met sociaal‑economische problemen, met lage inkomens en hoge werkloosheidscijfers veroorzaakt door de modernisering van de landbouw en de uitstoot van arbeidskrachten uit andere traditionele bedrijfstakken. Regionaal beleid moest deze achterstand tegengaan. Grote delen van de regio, met name Oost-Groningen en Drenthe, kampen met vergrijzing en vertrek van kansrijke jongeren. Sinds de jaren zeventig wordt de regio geregeld als wingewest aangeduid, een beeld dat door de gaswinningsproblematiek vanaf 2012 opnieuw aan actualiteit heeft gewonnen.
Om de slagkracht van de noordelijke provinciebesturen te vergroten werd vanaf 2011 gepleit voor vorming van een Landsdeel Noord. D'66 was al langer voorstander van een dergelijke fusie. Fryslân verklaarde zich echter tegen. Uiteindelijk besloot het kabinet in april 2013 dat de noordelijke provincies niet hoefden te fuseren, omdat daarvoor te weinig lokaal draagvlak was en er al veel ambtelijke samenwerking bestond.
Geschiedenis Van 1536 tot 1581 vielen de vier noordelijke provincies – inclusief Overijssel – onder dezelfde stadhouder. Onder de Republiek bleven Friesland, Groningen en Drenthe als zelfstandige gewesten bestaan, elk met eigen rechtsstelsel, bestuur en instituties. Zij deelden nog altijd één stadhouder, die tot 1747 in Leeuwarden resideerde, en werkten ook op militair gebied nauw samen. Politiek bevonden de gewesten zich niet altijd op één lijn: Friesland sloot zich doorgaans aan bij de Zeeprovincies (onder leiding van Holland), terwijl Stad en Lande tot de Landprovincies werd gerekend. Na 1813 werden de gewesten omgevormd tot de huidige provincies. Een belangrijke overeenkomst tussen de drie noordelijke provincies was een republikeinse traditie met egalitaire trekken, geworteld in eigengeërfd grondbezit en het vrijwel ontbreken van feodale verhoudingen. In de veenstreken bestond bovendien veel onderling contact via seizoensarbeid, migratie en binnenvaart.
Op het religieuze en politieke vlak volgde het Noorden een eigenzinnige koers. Net als Noord-Duitsland was het gebied overwegend protestants. In de 18e eeuw kreeg de Nadere Reformatie veel invloed in Groningen, Drenthe, oostelijk Friesland en het aangrenzende Duitse gebied, mede door de invloed van de Groningse universiteit.Otto S. Knottnerus, 'Anarchisme als geseculariseerde bevindelijkheid', in: Eerste Jaarboek Postdoctoraal Instituut voor de Sociale Wetenschap, Amsterdam 1991, p. 87–98. Ook de Afscheiding van 1834 was een typisch Noord-Nederlands fenomeen. In de loop van de 19e eeuw verschoof het politieke klimaat: het Noorden ontwikkelde zich tot een bolwerk van vooruitstrevend liberalisme, radicalisme en vrijzinnigheid.
Een tweede gemeenschappelijke factor was het uitgesproken agrarische karakter van de regio. Men sprak wel over "het liberale" of "radicale Noorden", dat zich verzette tegen de gevestigde elites in het westen. (overgenomen uit de Kamper-Courant). De boerenstand ageerde fel tegen het vrijhandelsbeleid van de regering, dat vooral de belangen van de koloniale handel en de financiële sector diende. De beweging voor algemeen kies- en stemrecht was in het Noorden sterk vertegenwoordigd. De radicale Friesche Volkspartij vond veel weerklank in de buurprovincies. Op de Noord-Groningse en Friese klei bleven orthodox-gereformeerde stromingen vaak dominant, maar onder land- en veenarbeiders ontstond al vroeg een krachtige socialistische en anarchistische arbeidersbeweging.Johan Frieswijk, Om een beter leven. Strijd en organisatie van de land-, veen- en zuivelarbeiders in het noorden van Nederland (1850-1914), Leeuwarden 1989. Voor Zuidoost-Drenthe ook: Jan Kalter, Opstand en ondergang van de veenarbeiders in Zuidoost-Drenthe, 1860 - 1921, Assen 2021.
Een derde kenmerk was de positie van de streektaal, die afweek van de Nederlandse standaardtaal. In grote delen van Friesland ontwikkelde zich uit het Oudfries het Westerlauwers Fries, dat dankzij de Friese beweging sinds de 19e eeuw als schrijftaal naast het Nederlands ging fungeren. In de Friese steden werd bovendien een Hollands dialect – het Stadsfries – gesproken. Groningen en Drenthe schakelden in de 17e eeuw vanuit het Middelnederduits over op de Nederlandse schrijftaal, maar bleven vasthouden aan aan varianten van het Nedersaksisch, namelijk het Gronings en het Drents. Dit zorgde vanaf eind 19e eeuw voor een zekere culturele heroriëntatie op Oost-Nederland en Noord-Duitsland, waar het Nedersaksisch eveneens een comeback maakte.
Voor wat betreft de mentaliteit vertoonden de noorderlingen duidelijke overeenkomsten: ze kenmerkten zich door een sterk egalitaire, niet‑hiërarchische en weinig religieuze houding.Lajos Brons, 'Regional Culture(s)', in: Gregory Ashworth, Peter Groote en Piet Pellenbarg (red.), A Compact Geography of the Northern Netherlands, Groningen/Assen 2007, p. 29-32. De socioloog Anton Wichers beschouwt de drie noordelijke provincies daarom "min of meer als een eenheid" vanwege de relatief 'moderne' instelling van de bevolking:De Noordelijke Groep doet zich kennen als een groep met een relatief sterke hang naar vrijzinnigheid/onkerkelijkheid en naar een politiek linkse of ook radicale koers. Samenvattend zou men kunnen zeggen dat men in deze groep relatief weinig aan traditie gehecht is.Anton J. Wichers, De oude plattelandsbeschaving: een sociologische bewustwording van de "overherigheid", Wageningen 1965, p. 155; vgl. p. 138 en 159. De auteur noemt ook de noordelijke gereformeerden 'radicaal'.Noord-Nederland kende – anders dan Engeland en Scandinavië – geen gemeenschappelijke mythen over het noorden. Groningers en Drenten voelden zich – mede vanwege de streektaal – eerder verwant met de Noord-Duitsers, de Friezen keken vooral naar het Noordzeegebied en Scandinavië. Het beeld van de noorderling als vrijheidslievend, eerlijk, hardwerkend en sober beantwoordt echter wel degelijk aan wijdverbreide, internationale culturele stereotypen.Joep Leerssen, 'The North: A Cultural Stereotype between Metaphor and Racial Essentialism', in: Simon Halink (red.), Northern Myths, Modern Identities: The Nationalisation of Northern Mythologies Since 1800, Leiden 2019, p. 13-32. Daaraan kleefden vervolgens voorstellingen over boerenwelvaart op de klei en wijd verspreide armoede in de veen- en heidestreken. Toonaangevend waren de reisverslagen van de Franse kunsthistoricus Henry Harvard, La Hollande Pittoresque: les frontières menacées (1876), die een voettocht door Noord- en Oost-Nederland maakte.
Rond 1850 ontstond het formele concept van de 'drie noordelijke provincies', waarbij Groningen zich al snel als vanzelfsprekende hoofdstad profileerde.Volgens krantenartikelen op Delpher werd de term Noord-Nederland pas na de afscheiding van België in 1830 gebruikt, namelijk om de vier noordelijke provincies (inclusief Overijssel) aan te duiden. Na 1850 komen vooral de drie noordelijke provincies daarvoor in aanmerking. Dit vond ook zijn weerslag in de regionale pers, met de oprichting van het liberale Nieuwsblad van het Noorden (1888) en het katholieke Ons Noorden (1913). In de decennia daarna groeide het besef dat de noordelijke gewesten met een vergelijkbare sociaal-economische problematiek te kampen hadden. Gemeenschappelijk was vooral het verzet tegen de politieke, economische en culturele dominantie van de kustprovincies, met name Holland.
De achterstelling van het platteland was vooral een thema van de Gronings-Drentse boerenprotestbeweging Landbouw en Maatschappij, terwijl de progressieve Bond van Landpachters eerder in Friesland actief was.
Op zoek naar oplossingen greep men geregeld terug op het verleden. De Groningse Commissaris van de Koningin Hans Linthorst Homan verwoordde dit sentiment het meest uitgesproken. Hij benadrukte dat Friesland, Groningen en Drenthe een gedeelde historische erfenis en een sterk regionaal saamhorigheidsgevoel bezaten. Deze regionale waarden konden volgens hem bijdragen aan het herstel van de gemeenschapszin in Nederland.Johannes Linthorst Homan, 'Eenige beschouwingen over de waarde van het provinciaal besef in de drie noordelijke provinciën', in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden (1938-1939), p. 12-32.
De eerste aanzet tot daadwerkelijke samenwerking vond plaats op sociaal-ecomomisch gebied. Op initiatief van farmacieprofessor Dirk van Os richtten de provincies Drenthe en Groningen in 1937 een gezamenlijke Noordelijke Economisch-Technologische Organisatie (NETO) op, die onderzoek moest gaan doen naar industriële innovatie en sociaal-economische vraagstukken in Noord-Nederland. Drenthe trok zich in 1942 uit dit samenwerkingsverband terug, omdat de aandacht teveel naar Groningen zou uitgaan. Vanuit de Stichting Opbouw Drenthe werd daarna in 1946 het Drents Economisch Technologisch Instituut (DETI) opgericht, dat heeft bestaan tot 1996. De NETO ging van 1972 tot 1989 verder onder de naam Economisch-Technologische Organisatie Groningen (ETIG). Friesland had van 1946 tot 1986 een eigen Economisch-Technologisch Instituut Friesland (ETIF). De drie wetenschappelijke organisaties vervulden na de Tweede Wereldoorlog sleutelposities in het regionale beleid, enerzijds vanwege het vele onderzoekswerk voor gemeenten en provincies, anderzijds vanwege de goede contacten met het Ministerie van Economische Zaken. In 1971 vormden ze samen met de Rijksuniversiteit Groningen een federatie.
Gezamenlijk optrekken was echter niet vanzelfsprekend. Ook de pogingen van de Duitse bezetter om het regionale sentiment te instrumentaliseren, bleven zonder succes. De Groningse hoogleraar Johannes Kapteyn richtte hiervoor in 1941 de Stichting Saxo-Frisia op, die de redactie van het gelijknamige tijdschrift Saxo-Frisia overnam. De samenwerking tussen Groningers en Friezen stuitte hierin op enige weerzin. Daarnaast gaf Kapteyn het tijdschrift Noorder Land uit, gericht op het Nedersaksische gebied.Frank Löwik, De Twentse Beweging. Strijd voor modersproake en eigenheid, diss. Groningen 2003, p. 86-88. Auteurs die in deze kringen actief waren, zoals de Friese volkskundige , bleven ook na de oorlog over de drie noordelijke provincies publiceren.Typerende titels van Sytse J. van der Molen: Stinzen, borgen en havezaten van het Noorderf (1978) en Boerderijen van het Noordererf (1979).
Gescheiden culturen