Het PaltserwoudDuitsland, Namen.taalunie.org (Duits: Pfälzerwald, Pfälzer Wald of soms wel Haardtgebirge;; : Handbuch der naturräumlichen Gliederung Deutschland. Bundesanstalt für Landeskunde, Remagen/Bad Godesberg 1953–1962 (9e serie in 8 boeken, kaart met schaal 1:1.000.000 en belangrijkste elementen uit 1960). Frans: forêt palatine) is een middelgebergte en natuurpark in het zuidwesten van Duitsland en het noordoosten van Frankrijk, gelegen in de Palts in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts en de Lagere Vogezen in de Franse departementen Bas-Rhin en Moselle. Het hoogste punt is de Kalmit (673 m) bij het Duitse Maikammer. Ongeveer 90 procent van de oppervlakte bestaat uit bos.

In het Paltserwoud liggen de geregistreerde natuurparken Naturpark Pfälzerwald in Duitsland (1.771 km² groot) en Regionaal natuurpark Vosges du Nord in Frankrijk (1.305 km² groot). Beide natuurparken tezamen vormen het UNESCO-geregistreerde Paltserwoud - Noord-Vogezen Biosfeerreservaat, een van de grootste bosgebieden van Europa.

Geografie Topografie Samen met de Vogezen ten zuiden van de Franse grens, waarvan het zich geografisch niet onderscheidt, is het Paltserwoud een deel van een samenhangend centraal middelgebergte van ongeveer 8000 vierkante kilometer in oppervlakte, dat zich uitstrekt van het Börrstadt-bekken (een lijn van Winnweiler via Börrstadt en Göllheim) naar de Bourgondische Poort (op de lijn Belfort - Ronchamp - Lure) en die de westelijke begrenzing vormt van de Boven-Rijnse Laagvlakte. Dit landschap is dan weer het oostelijke deel van het uitgestrekte Noord-Franse cuestalandschap. Het cuestalandschap bestrijkt op Duits grondgebied grote delen van het Paltserwoud, het Nordpfälzer Bergland en het Saarland, met oudere (bijvoorbeeld op de vulkanische Donnersberg) en jongere lagen (muschelkalk, bijvoorbeeld het Westrichplateau).

Begrenzingen Terwijl de noordelijke en oostelijke begrenzing duidelijk afgelijnd is, is de overgang naar naburige landschappen in het zuiden en westen meer geleidelijk.

De lage bergketen van het Paltserwoud wordt in noordelijke richting voortgezet door het uitgebreide heuvellandschap van het Nordpfälzer Bergland, waarvan de Donnersberg (687 m) het hoogste punt is. Daar maken de typische bondzandsteenformaties plaats voor andere gesteenten uit het Rotliegend. Daardoor is er een duidelijke geomorfologische grens.

Het oostelijk uiteinde van het woud (Haardt) grenst aan het heuvelachtige landschap van het Paltser wijnbouwgebied. Hier strekt de Deutsche Weinstraße zich uit door het golvende gebied dat ligt tussen het Paltserwoud en de Boven-Rijnse Laagvlakte.

In het zuiden eindigt het Paltserwoud, voortgezet door de Lagere Vogezen in Frankrijk, aan de Col de Saverne (Duits: Zaberner Steige), waar de echte Vogezen beginnen zonder een duidelijke geomorfologische grens te vormen.

Ten westen van Kaiserslautern ligt een scherpe grens met het moerasachtige laagland van Landstuhl. Ten zuiden hiervan gaat het Paltserwoud over in het Westrichplateau.

Structuur Het Paltserwoud kan worden verdeeld in drie gebieden. Het Noordelijke Paltserwoud, begrensd door het Nordpfälzer Bergland en zich zuidwaarts uitstrekkend tot een lijn van Kaiserslautern naar Bad Dürkheim.

Het Centrale Paltserwoud van de Isenach en de lijn Kaiserslautern - Bad Dürkheim tot de Queich en de lijn van Pirmasens naar Landau.

Het Zuidelijk Paltserwoud, het zogeheten Wasgau, van de Queich en de lijn van Pirmasens naar Landau tot aan het gebied tussen Phalsbourg en Saverne in Frankrijk.

Onderverdelingen Het Paltserwoud is een van de grotere natuurlijke regio's (niveau 3) in de bergachtige gebieden van Palts-Saarland (een gebied met een grootte van de tweede orde) en het gaat door naar het zuiden tot helemaal aan de Col de Saverne, dat wil zeggen ver in het Franse territorium, waar het zich voortzet als de bergrug van de Vogezen. Dit wordt vaak niet herkend als gevolg van de ligging van de Franse grens; daarom wordt het Franse, zuidelijke deel van het natuurgebied vaak, ten onrechte, beschouwd als deel van de Noordelijke Vogezen.

De belangrijke onderverdelingen van deze mengeling van bontzandsteenbergen werden opgesteld in de jaren 1950 en 1960 in het Handboek van de Natuurgebieden van Duitsland en kaarten van het Duitse Federale Instituut voor Regionale Studies met een schaal van 1:200.000. Ondanks dat kregen enige afwijking van de namen die in de handboeken gebruikt werden, de overhand.

De belangrijkste secundaire landschappen worden op een rij gezet met behulp van een kaart; de kaart laat alleen de namen zien van heel bekende landschappen en alleen de belangrijkere landschapsgrenzen.Verschillende auteurs: Geographische Landesaufnahme: De natuurlijke regios in kaarten met schaal 1:200,000. Bundesanstalt für Landeskunde, Bad Godesberg 1952–1994. → Online-Karten (, 1964) (, 1969) (, 1967)

thumb|Onderverdeling van het Paltserwoud Namen van fysische en natuurlijke regio- landschappen en grenzen in rood, omringende belangwekkende landschappen in andere kleuren. Paltserwoud Lager Paltserwoud (Noordelijke Paltserwoud) Otterbergwoud (ongeveer 380 m hoog) Sembach Plateau Stumpfwoud (alleen boven de 400m bij de zuidgrens) Queitersberg (394 m); oostelijke buitenwijken van Kaiserslautern. Centraal Paltserwoud (alleen belangrijke, losse landschapsonderverdelingen worden getoond) Diemersteinwoud (tot een hoogte van ongeveer 450 m) Leininger Sporn (tot een hoogte van 516 m) Hoog Paltserwoud (hoofdvlakte van de Frankenweide; tot een hoogte van 610 m) Haardt (tot een hoogte van 673 m) Wasgau Westelijk Wasgau (tot een hoogte van 513 m) Laagland van het Bitchewoud Dahn-Annweiler Felsenland Stürzelbronn - Schönau Felsenland (tot een hoogte van 581 m) Dahner Felsenland (tot een hoogte van 577m) Dahner Felsenland in engere zin Annweiler Felsenland Annweiler-Albersweiler buitenwijken ("Trifelsland") Oostelijk Wasgau Boven Mundatwoud (tot een hoogte van 562 m) Hochwald (tot een hoogte van 529 m) Lembach Graben Zuidelijk Wasgau (tot een hoogte van 526 m; afwatering naar de Moder)

Geschiedenis Naam De naam Pfälzerwald werd voor het eerst gebruikt in 1843, door boswachters in de centraal gelegen gemeente Johanniskreuz, toen de Palts een deel was van het Koninkrijk Beieren, die het gebruikten om te verwijzen naar de bossen van het bontzandsteengebied van de Palts. Het gebruik werd wijder verbreid in 1902, toen de Paltserwoudclub (Pfälzerwald-Verein of PWV) werd opgericht.: Der Pfälzerwald – Eine Einführung in Landschaft und Namengebung. In: u. a.: Pfälzische Landeskunde, Beiträge zu Geographie, Biologie, Volkskunde und Geschichte. volume 1. Selbstverlag, Landau/Pf. 1981, pagina 381. Vooral Fritz Claus, een van de grondleggers van de PWV, streefde ernaar om het gebruik van de naam te bevorderen. Een meer nauwkeurige, wetenschappelijk gefundeerde definitie van het Paltserwoud als een onafhankelijk natuurgebied werd in 1911 geïntroduceerd door Daniel Häberle, een aardrijkskundige en plaatselijke geschiedkundige van de Palts.

Voor 1850 was er geen algemeen gebruikte naam voor de bontzandsteenbergen van de Palts. Historisch-territoriale factoren bepaalden de opvattingen in die tijd meer dan aardrijkskundige. De Kelten en Romeinen daarentegen zagen de hele bergketen ten westen van de Rijn als één enkele eenheid en maakten geen verschil tussen de verschillende delen van het gebied, dat tegenwoordig bestaat uit het Paltserwoud en de Vogezen. De keten werd genoemd naar de Keltische woudgod Vosegus en wordt in veel Romeinse manuscripten genoemd als "silva vosegus" of "mons vosegus". Het was vanuit deze taalkundige oorsprong dat, tijdens de middeleeuwen, de naam Vogezen opkwam in het Franstalige gebied en Wasgen of Was(i)genwald, later ook Wasgau, in de Duitstalige regio.

Terwijl dus de term Wasgau lang in zwang bleef om te verwijzen naar het hele gebied op de westoever van de Rijn, werd die term aan het begin van de 20e eeuw geleidelijk voorbehouden aan het Elzas-gedeelte van de zandsteenbergen, terwijl de term Pfälzerwald ("Paltserwoud") in toenemende mate werd gebruikt om naar het Paltz-gedeelte te verwijzen. Dit leidde ertoe, dat het Paltserwoud en de Vogezen worden gedefinieerd als gescheiden en aparte landschappen. In de laatste decennia echter is er, in het kader van Europese integratie (het Verdrag van Schengen), een toenemende trend ontstaan om het hele bergcomplex weer als één enkele geografische eenheid te beschouwen.: Herausragend im Pfälzerwald: der Luitpoldturm und sein Panorama. Plöger Medien GmbH, Annweiler 2009, pagina 61, Een bewijs voor deze veranderde houding kan bijvoorbeeld worden gezien in de stichting door de UNESCO van het eerste grensoverschrijdende biosfeerreservaat in 1998: het Paltserwoud - Noord-Vogezen Biosfeerreservaat.

Vestigingsgeschiedenis Sporen van activiteit (tot de 10e eeuw) Terwijl er in de meer bewoonbare gebieden van wat nu de Palts is, tekenen van menselijke activiteiten zijn die plaatsvonden sinds het Neolithicum (Nieuwe Steentijd 5500 - 4500 v.Chr) en vooral in de tijden van de Kelten (800 - 10 v. Chr.) en de Romeinen (10 v. Chr. tot 450 n.Chr.) waren de bergen op de westoever van de Rijn vrijwel onbewoond en bedekt met dicht, oud woud tot het eind van de Grote Volksverhuizing (rond 600 n.Chr.).

Abdijen, kolonisatie en ontwikkeling (zevende tot dertiende eeuw) thumb|Rijksburcht Trifels, het machtscentrum van het rijk van de Salische dynastie Nadat de Franken, tijdens hun veroveringen in de vroege middeleeuwen (7e tot 10e eeuw), tot aan de grenzen van het huidige Paltserwoud kwamen, was er een toenemende bevolkingsdruk in de volle middeleeuwen (10e to 13e eeuw). Vooral door de initiatieven van de adel en de kerk, bijvoorbeeld door de vestiging van kloosters zoals de cisterciënzerabdijen van Otterberg (1144) en Eußerthal (1148), kwam er een kolonisatie en ontwikkeling van de bergen. Gebieden die gebruikt konden worden voor landbouw werden gerooid en bewoond. Deze ontwikkeling bereikte zijn hoogtepunt in de regio tijdens het tijdperk van de keizers van de Salische dynastie (11e en 12e eeuw) en het huis Hohenstaufen (12e en 13e eeuw) met de bouw van Rijksburcht Trifels en andere kastelen in de omgeving, die het een tijdje tot het macihtscentrum van het rijk maakten.Michael Geiger: Dörfer und Städte in der Pfalz. In: Michael Geiger u. a. (Hrsg.): Geographie der Pfalz. Verlag Pfälzische Landeskunde, Landau/Pf. 2010, paginas;202–221.

Verlaten dorpen, roofbouw en uitputting van de grond (14e - 18e eeuw) Deze ontwikkeling vond plaats in de late middeleeuwen (13e tot 15e eeuw) en in de Vroegmoderne Tijd (16e tot 18e eeuw), omdat ziekte (zoals de Pest) en hongersnood leidden tot een belangrijke afname van de bevolking. Het totale aantal nederzettingen ging scherp omlaag (verlaten dorpen achterlatend) als resultaat van oorlogen en economische omstandigheden. Zo werden tijdens de kolonisatie van de bergen vaak gebieden ontruimd die, vanwege de voedselarme zandgronden, ongeschikt waren voor landbouw en na een korte tijd verlaten moesten worden door overmatig gebruik en roofbouw. Ook het gebruik van het bos voor het verkrijgen van brandhout en timmerhout voldeed niet aan de uitgangspunten van duurzaamheid. Aan de ene kant bracht de productie van stro (als ligplaats voor vee) en bosweiden schade toe aan de gronden en bossen; aan de andere kant leidde de vervaardiging van ijzer, glas en potas, waar veel hout voor nodig was, eeuwenlang tot het overmatig gebruik en de vernietiging van het woud en dus tot de verdere verarming van de bevolking. Beroepen die door het bos zelf werden ondersteund, zoals houthakkers, houtskoolbranders, spantenmakers, harsbranders en asbranders voorzagen slechts in een mager bestaan.Roland Paul: Von alten Berufen im Pfälzerwald. In: Michael Geiger u. a. (Hrsg.): Der Pfälzerwald, Porträt einer Landschaft. Verlag Pfälzische Landeskunde, Landau/Pf. 1987, paginas 239–252