thumb|Het grote wapen thumb|Het kleine wapen

Het wapen van de provincie Friesland, sinds 1997 provincie Fryslân, werd officieel vastgesteld bij koninklijk besluit van 11 februari 1958, no. 18. Dit gebeurde nadat de Provinciale Staten van Friesland op 9 juli 1957 besloten een verzoek te richten aan Hare Majesteit de Koningin.

De voorgeschiedenis van het Friese wapen is nauw verweven met het streven van de graven van Henegouwen en de hertogen van Bourgondië om hun invloed vanuit West-Friesland uit te breiden naar de huidige provincies Friesland en Groningen. Volgens een bekende middeleeuwse traditie was Friesland ooit een van de legendarische zeventien christelijke koninkrijken. Door terug te verwijzen naar deze mythische voorgeschiedenis wilde men aanspraak maken op de titel 'koning van Friesland'. Er is daarom sprake van een pretentiewapen of Anspruchswappen.Johannes Baptist Rietstap, Handboek der wapenkunde, Gouda 1857, p. 331. Er waren twee varianten van dit gepretendeerde koningswapen in omloop:

Wapens met schuinbalken en pompeblêden, die tot de voorlopers van de huidige vlag van Friesland en het wapen van de provincie Groningen behoren Wapens met afbeeldingen van twee leeuwen, die voorlopers vormen van de wapens van de provincies Fryslân en Noord-Holland en de regio West-Friesland

In andere versies van het Friese wapen staat juist het verzet tegen de Bourgondisch-Habsburgse annexatiedrang voorop. De belangrijkste daarvan zijn wapens waarin de rijksadelaar als symbool van de Friese Vrijheidsprivileges centraal staat. Andere wapens waarin groene of verdorde bomen figureren, gaat vermoedelijk terug op de vrijheidstraditie van de Upstalsboom. Deze boom komt voor in het wapen van de Ostfriesische Landschaft, in een aantal West-Friese gemeentewapens en mogelijk ook in het wapen van Zevenwouden. Vergelijkbaar hiermee is ten slotte de traditie van het Magnusvaan.

Heraldische beschrijving In azuur twee boven elkaar geplaatste gaande leeuwen van goud, vergezeld van zeven liggende blokjes van goud, geplaatst 2-2-3. Het schild gedekt met een gouden kroon van vijf bladeren en vier paarlen en gehouden door twee klimmende leeuwen van goud.

Geschiedenis: wapens met pompeblêden

Koninkrijk Friesland

Ontstaan vanaf ±1280 In Franse wapenboeken komen vanaf het einde van de dertiende eeuw verschillende wapens van de koning van Friesland (Le Roy de Frise) voor, meest met zilveren balken (of schuinbalken) en zilveren munten (bezanten), harten of waterleliebladeren op een blauw veld. Het wapenboek van Wijnbergen (±1280) verwisselt daarentegen het wapen van le roy de Frisonie met dat van Griffonie (Griekenland) en tekent daarbij een rode griffioen in een gouden veld.Gerald J. Brault, 'A French Source of the Lord Marshal's Roll (1295–6)', in: The Antiquaries Journal 73 (1993), pp. 27-36, hier 32 en 34. Mogelijk is het wapen van Pommeren bedoeld, dat eveneens een griffioen vertoont.

Het wapenboek Armorial du Héraut Vermandois geeft omstreeks 1295 een beschrijving van het wapen van le roy de Nesse (een mythische stad in India), die volgens heraldici in werkelijkheid naar het Friese wapen verwijst: in azuur drie zilveren balken bezaaid met harten in dezelfde kleur (d'asur à iij bendes d'argent semé de coeurs de meismes).Volgens de Luikse chroniqueur Jean d'Outremeuse (ov. 1399) was la cité de Nyse (het mythische Nysa uit de oudheid) de zetel van de legendarische Pape Jan, die weer een zoon van de Friese koning Gondebuef was. Een andere afbeelding van het Friese koningswapen – de Lord Marshal's Roll – toont drie zilveren bladeren in een blauw veld.

Het wapen werd waarschijnlijk tevens gebruikt voor wapengalerijen en plafondschilderingen waarop de wapenschilden van de legendarische zeventien (soms achttien) christelijke koningen stonden uitgebeeld. In dat lijstje kwam vaak de koning van Friesland voor. In ridderromans, chansons de gestes en pseudo-historische werken duiken de imaginaire koningen van Friesland al sinds het einde van de elfde eeuw onder verschillende namen op. De bekendste van hen waren Raimbaud (Radboud) en Gondebuef (Gondebald), die werden gerekend tot de strijdmakkers van Karel de Grote. De eerste wordt genoemd in het Chanson de Roland (ca. 1090), de tweede in de Historia Caroli Magni of Kroniek van pseudo-Turpijn (ca. 1140). In Engeland beschouwde men de koning van Friesland als een van de dertig vazallen van koning Arthur. Zijn vermeende strijdkreet wordt in een Frans wapenlied beschreven: C'est le hault puissant Roy de Frize Qui a fait mainte noble emprise Aymant Dieu son vray créateur Et de sainct église l'aucteur Vivant sans alcune reproche Désirant acroistre sa force. Frisse est son vray cri d'arme Et le secours de Nostre Dame.Paul Adam-Even, 'Cris d’armes des rois chrétiens', in: Archivum Heraldicum 68 (1954), 35-38.

De oorsprong van de bovengenoemde heraldische elementen is niettemin onzeker. Denkbaar is dat specifieke kleuren en motieven al langer werden gebruikt door Friese kruisvaarders en militaire contingenten. Blauw was rond 1200 een toonaangevende heraldische modekleur, die vooral met kerkelijke symboliek werd geassocieerd. De blauwe vlag bestrooid met munten kan bovendien zijn ontleend aan Karolingische mozaïeken waarin de Friezen het verhaal van de Magnusvaan herkenden. In kerk van de heilige Susanna te Rome en in de eetzaal van het Lateraans Paleis was het blauwgroene vaandel van Karel de Grote te zien, hier bestrooid met zes rode rozen of lotusbloemen en gouden figuurtjes. In het Hoogduitse Gudrunlied uit het tweede kwart van de 13e eeuw fungeert het blauwe vaandel met de pompeblêden (sêbleter) als het wapenteken van de fictieve koning Herwig van Sêlande.<ref>Vgl. Norbert Voorwinden, 'Er was ze Friesen herre: zum verhältnis zwischen Friesen und Dänen in der Kudrun''', in: Mittelhochdeutsche Heldendichtung ausserhalb des Nibelungen- und Dietrichkreises (Kudrun, Ortnit, Waltharius, Wolfdietriche), Wenen 2003, pp. 213-229.</ref> De kleur van de bladeren is hier overigens niet aangegeven.

In de Karlamagnús saga (vertaald uit een Luiks voorbeeld van vóór 1240) figureert de Friese koning Reinbaldr friski met drie lansen waaraan witte veldtekens zijn bevestigd (þrjú spjót með hvítum merkjum), wat een verwijzing naar de drie witte schuinbalken kan zijn. Karel de Grote heeft hem deze vaandels geschonken.Reinbaldrs rijk Lingeraf wordt omschreven "al het land tussen Vlamingenland en Denemarken". De schuinbalk keert ook terug in het wapen van Westergo, afgebeeld op een zegel uit 1313; 17e- en 18e-eeuwse weergaven gaan uit van een witte schuinbalk op een blauw veld.Het ingekleurde wapen is onder andere te zien op twee exemplaren van de atlas van Schotanus uit 1718 (Tresoar) en de Nieuwe caert van Frieslant van Vegelin uit 1739 (Vrije Universiteit, Amsterdam, hier online). Op de kaart in Pier Winsemius, Chroniqve (1622) zijn de wapens van Oostergo en Westergo verwisseld.

±1400 Vanaf het einde van de veertiende eeuw beschrijft men het Friese koningswapen als een blauw veld, beladen met drie zilveren schuinbalken en bezaaid met rode harten (semeez de cuers de gueles). Deze tekst in het Armorial d'Urfé (±1400) wordt door alle latere beschrijvingen overgenomen.Datering naar Steen Clemmensen, The Urfé Armorial, Farum 2016. Zie vooral nr. 2708 (met transcriptiefout). De rode kleur van de harten is waarschijnlijk geïnspireerd door Scandinavische koningswapens; heraldisch gezien gaat het om een symbool dat tijdgenoten uitlegden als Seeblatt of søblad, oftewel het blad van de gele lis dan wel de witte waterlelie.Een akte uit 1306 duidt dit als sparsos flores qvi dicuntur Söblad. Riksarkivet: SDHK (Medeltidsbrev), nr. 2140. Mogelijk hebben bekende afbeeldingen van het wapen van Magnus I van Zweden of een van diens opvolgers – met drie witte schuinbalken op een blauw veld bezaaid met rode waterleliebladeren – daarbij als voorbeeld gediend. De rode harten werden kennelijk geassocieerd met het koningschap. Ook in Noord-Duitsland stond hun gebruik in dienst van dynastieke claims: volgens een stadskroniek uit 1514 hadden de Saksische hertogen hun rode seeblede van Karel de Grote cadeau gekregen.Peter Veddeler, Das Westfalenross: Geschichte des westfälischen Wappens, 1987, pp. 35-36.

Vóór 1434 De oudste afbeelding van het Friese hartenwapen zijn die in het wapenboek van Charolais, wapenschout van hertog Filips de Goede, daterend uit de jaren tussen 1425 en 1434. Volgens het bijschrift gaat het om het wapen van le Roy de Frise oftewel Le Roy frison. Een 17e-eeuwse toelichting meldt dat dit het wapen betreft van "het oude Friesland, dat een koninkrijk schijnt te zijn geweest". Tien rode harten worden hier geplaatst op drie witte schuinbalken (3 : 4 : 3), een later toegevoegd wapen heeft twaalf harten. Elders in het handschrift wordt het hartenwapen van de legendarische Friese koning Gondebuef afgebeeld. Varianten met drie of vier witte schuinbalken en negen tot zestien harten komen later veelvuldig voor. Andere Franse wapenboeken projecteren de harten op de blauwe schuinbalken, zoals de wapenheraut van Berry (1454–1458) en het Armorial de la Mazarine (±1470). Dat doen later ook 17e-eeuwse Franse wapenboeken, die elf gouden harten op drie blauwe balken tekenen.Oudste voorbeeld is een herbewerking van Hiérosme de Bara, Le blason des armoiries, Parijs 1628, pp. 115-116 (oorspronkelijk 1579). De blasoenering doet denken aan het Wapen van Friesland#Ommelanden.

1503 Het wapen van le roy de Frise wordt gedrukt in het wapenboek Blason des armes (Lyon 1503). De witte schuinbalken zijn hier veranderd in vier linkerschuinbalken (dus de andere kant oplopend) en het aantal harten of bladeren verhoogd naar elf, schuin geplaatst (dus haaks) op de schuinbalken 1 : 3 : 4 : 3. Dit voorbeeld wordt weer door andere wapenboeken overgenomen, zoals Barthélemy de Chasseneuz, Catalogus Gloriae mundi (1529), en duikt vanaf 1561 ook op in de genealogie van de Franse koningen, die zouden afstammen van Berthe de Frise.Claude Paradin, Alliances généalogiques des rois de France et princes des Gaules, Lyon 1561, p. 79. Deze variant vormt na 1577 de basis voor het Ommelander wapen.

1555 Een Habsburgse variant met gewone schuinbalken (heraldisch gezien van rechts naar links), voorzien van een koningskroon en met het bijschrift Frise is te vinden in het manuscript Le très admirable Triumphe de la Noble Ordre de la Toison d'or van Jacques Le Boucq, wapenkoning van Karel V. Dit manuscript beschrijft een feest dat koning Filips II in 1555 in Antwerpen gaf. Het wapen van het koninkrijk Friesland, waar de keizer aanspraak op maakte, laat zich als volgt beschrijven: In blauw drie schuinbalken van zilver, de balken beladen met rode harten, geplaatst in de lengterichting van de balken 2, 3 en 2. Deze variant ligt aan de basis van het historische wapen dat tot voorbeeld voor de Friese vlag heeft gedoend.

Ommelanden

1577–1594 In 1577 besloot de Statenvergadering van de Groninger Ommelanden tot het ontwerpen van een eigen wapen en zegel, dat uiterlijk twee jaar later in gebruik werd genomen. Dit nieuwe Ommelander wapen met vier linkerschuinbalken en elf harten (1 : 4 : 4 : 2) werd vooral toegepast op zegels en munten, maar kennelijk ook op vaandels afgebeeld. In februari 1581 veroverde de stedelijke militie bij een overval op Uithuizen het veendell met die 11 harten. Een deel van de Ommelander afgevaardigden had overigens bezwaar tegen de keuze van dit elffherten wapen, omdat het hun te veel aan de tirannie van de heidense koning Radboud en het tijdvak van de Vikingen herinnerde en daardoor onvoldoende afstand nam van het Habsburgse bewind. Niet voor niets waren de rode harten nog te zien in de wapens van de Scandinavische vorsten. De kerkhervormer Doede van Amsweer had het later desondanks over de elf herten mynes vaderlandes.