right|thumb|300px|Nehru (links) en Gandhi (rechts) in 1942 De geschiedenis van de Republiek India begon op 15 augustus 1947 toen India een onafhankelijk dominion werd binnen het Britse Gemenebest. Op datzelfde moment werd het door moslims gedomineerde noordwesten en oosten van Brits-Indië afgescheiden om het dominion van Pakistan te vormen. Louis Mountbatten en later Chakravarti Rajagopalachari waren gouverneur-generaal, grondwettelijk de vervanger van het staatshoofd. Jawaharlal Nehru werd de eerste minister-president van India en Sardar Vallabhbhai Patel werd de eerste vicepremier en minister van Binnenlandse Zaken.

Staatshoofd van India bleef formeel de Britse koning George VI al verloor deze de titel "Keizer van India". Op de Onafhankelijkheidsmedaille van India is het wapen van India gekroond. Om het rad staan de titels van de Britse koningen, maar voor het eerst zonder de toevoeging "Ind. Imp." voor "Indiæ Imperator". De koning en de Britse regering werden door Nehru niet meer betrokken bij het bestuur van India. Het Dominion India was niet meer dan een overgangsfase naar de republiek.

Jawaharlal Nehru (1947-1964) De eerste jaren van het onafhankelijke India werden gekenmerkt door woelige gebeurtenissen; een massale bevolkingsuitwisseling met Pakistan, de Eerste Kasjmiroorlog met Pakistan in 1947 en 1948, en de integratie van meer dan vijfhonderd vorstenlanden om een verenigde natie te kunnen vormen.

Nasleep van de deling Een geschat aantal van 3,5 miljoen hindoes en sikhs uit West-Punjab, de Noordwestelijke Grensprovincie, Beloetsjistan, Oost-Bengalen en Sindh migreerden naar India uit angst voor overheersing en onderdrukking in het islamitische Pakistan. Communaal geweld zorgde voor een geschatte één miljoen doden onder hindoes, moslims en sikhs, en ontwrichtte langs de Punjaabse en Bengaalse grenzen, en in de steden Calcutta, Delhi en Lahore, ernstig de beide dominions. Het geweld was rond begin september van dat jaar tot een einde gekomen, als gevolg van de inspanningen van Indiase en Pakistaanse leiders en speciaal door de inspanningen van Mahatma Gandhi, de leider van de Indiase vrijheidsstrijd, die een hongerstaking in Calcutta en later in Delhi onderging om mensen te kalmeren en om de vrede te benadrukken, ondanks gevaar voor eigen leven. Beide regeringen bouwden grote vluchtelingenkampen voor binnenkomende en vertrekkende vluchtelingen en het Indiase leger werd gemobiliseerd om op grote schaal humanitaire assistentie te verlenen. De moordaanslag op Mahatma Gandhi op 30 januari 1948 was een grote tegenslag voor de nog jonge natie. Gandhi werd in New Delhi vermoord door Nathuram Godse, een radicale hindoe die waarschijnlijk banden had met hindoenationalistische bewegingen, die Gandhi verantwoordelijk hielden voor de deling van India en verzoening met de moslims. Meer dan een miljoen mensen gingen in Delhi de straat op om de crematiestoet te volgen en om hun laatste eer aan Gandhi te bewijzen.

In 1949 registreerde India bijna een miljoen hindoevluchtelingen, die vanuit het bij Pakistan horende Oost-Bengalen naar West-Bengalen en andere Indiase staten vluchtten. Dit is als gevolg van communaal geweld, intimidatie en onderdrukking door de Pakistaanse autoriteiten. De toestand van de vluchtelingen maakte de Indiase hindoes en nationalisten woedend, en het aantal vluchtelingen putte de middelen van de Indiase staten uit, voor wie het niet mogelijk was om de vluchtelingen op te nemen. Zonder een oorlog uit te sluiten, nodigden minister-president Nehru en minister Sardar Patel, de Pakistaanse minister-president Liaquat Ali Khan uit voor overleg in Delhi. Hoewel veel Indiërs dit als een verzoening zagen, ondertekende Nehru een verdrag met Liaquat Ali Khan, waarin beide landen zich verplichtten om hun minderheden te beschermen en om commissies voor minderheden op te richten. Ofschoon Patel tegen deze overeenkomst was, besloot hij toch achter het verdrag te gaan staan ten behoeve van de vrede en speelde hij een belangrijke rol in het vergaren van steun in West-Bengalen en de rest van India, en in de uitvoering van het verdrag. Khan en Nehru ondertekenden ook een handelsverdrag en ze beloofden elkaar om de geschillen tussen beide landen met vreedzame middelen op te lossen. Geleidelijk aan keerden honderdduizenden hindoes terug naar Oost-Bengalen, maar de ontdooide relaties duurden niet lang, wat vooral te wijten was aan het geschil om Jammu en Kasjmir.

De integratie van de unie Brits-Indië bestond uit zeventien provincies en enkele honderden vorstenlanden. De provincies werden aan India òf Pakistan toebedeeld, in sommige gevallen, in het bijzonder de Punjab en Bengalen, nadat ze eerst waren opgedeeld. De vorsten van de vorstenlanden kregen echter het recht om onafhankelijk te blijven of om zich aan te sluiten bij een van de twee naties. Aldus kregen de Indiase leiders het uitzicht op een erfenis van een natie, verdeeld tussen uit de middeleeuwen stammende vorstendommen en door koloniale mogendheden gecreëerde provincies. Onder leiding van de minister van Binnenlandse Zaken Sardar Vallabhbhai Patel begon de Indiase regering met politieke onderhandelingen met deze vorstenlanden, ondersteund met de mogelijkheid om militair in te grijpen, waar in enkele gevallen ook gebruik van werd gemaakt.

Er waren drie staten waarvan het moeilijker bleek te zijn om ze in de unie te integreren, dan andere staten:

Junagadh: Hoewel in dit kleine vorstenland vrijwel alleen hindoes woonden, werd de staat toch toegevoegd aan Pakistan. Een volksraadpleging in december 1947 resulteerde echter in een 99% overwinning voor aansluiting bij India, waardoor de controversiële toetreding tot Pakistan werd geannuleerd. Hyderabad: Nadat de onderhandelingen met de Nizam waren mislukt, gaf Patel het Indiase leger het bevel om de regering van de Nizam af te zetten. Dit gebeurde tussen 13 en 17 september 1948 in "operatie polo". De staat werd dat jaar daarop verenigd met de rest van India. Het gebied van Jammu en Kasjmir in het uiterste noorden van het subcontinent werd al snel een bron van controverse, wat resulteerde in de uitbraak van de Eerste Kasjmiroorlog met Pakistan in 1948 en 1949. Uiteindelijk werd er onder toezicht van de Verenigde Naties een wapenstilstand gesloten waarna India de zeggenschap kreeg over iets minder dan vijftig procent van het gebied.

Grondwet De Constituerende Vergadering nam op 26 november 1949 de Grondwet van India aan. Deze grondwet was opgesteld door een comité onder leiding van B.R. Ambedkar. India werd een federale, democratische republiek, nadat de grondwet op 26 januari 1950 van kracht werd. Rajendra Prasad werd de eerste president van India.

Regering Nehru (1952-1964) In 1952 werden de eerste landelijke verkiezingen gehouden. De opkomst was meer dan zestig procent en de Congrespartij kreeg een overweldigende meerderheid en Jawaharlal Nehru kon daardoor aan zijn tweede termijn als minister-president beginnen. President Prasad werd door het kiescollege van het eerste Parlement van India (de Sansad) ook voor een tweede termijn verkozen.

Minister-president Nehru leidde de Congrespartij naar grote verkiezingsoverwinningen in 1957 en 1962. Het parlement keurde uitgebreide hervormingen goed, die de rechtsgelijkheid van vrouwen in de hindoemaatschappij moesten verbeteren en die voor strengere wetten tegen kastendiscriminatie zorgde.

Nehru pleitte ervoor dat Indiase kinderen een volledige lagereschoolopleiding kregen en duizenden scholen en andere onderwijsinstellingen werden hiervoor opgericht. Nehru pleitte ook voor een socialistische economie, met geen belasting voor Indiase boeren, minimumloon en voordelen voor handarbeiders, en de nationalisatie van zware industrieën. Een uitgebreide campagne voor openbare werken en industrialisatie resulteerde in de bouw van grote stuwdammen, irrigatiekanalen, wegen en waterkrachtcentrales.

Reorganisatie van de staten De hongerstaking van Potti Sreeramulu en zijn hierdoor veroorzaakte dood, ten behoeve van de oprichting van de staat Andhra in 1953, veroorzaakte een grote verandering in de indeling van de staten. Nehru stelde de "States Reorganization Commission" (Nederlands: Commissie voor de reorganisatie van staten) in, op wier aanbeveling de "States Reorganization Act" (Nederlands: Wet voor de reorganisatie van staten) in 1956 werd aangenomen.

Oude staten werden opgeheven en nieuwe staten werden opgericht langs taalkundige en etnische lijnen. De afscheiding van Kerala en de Telugu sprekende gebieden van de staat Madras, zorgde voor de uitsluitend Tamil sprekende staat Tamil Nadu. Op 1 mei 1960 werden uit de staat Bombay, de staten Maharashtra en Gujarat gecreëerd. De creatie van de uitsluitend Punjabi sprekende staat Punjab vond plaats na een lange strijd op 1 november 1966.

Buitenlandse politiek en militaire conflicten Nehru's buitenlandse politiek was de inspiratie voor de Organisatie van Niet-gebonden Landen, waarvan India de medeoprichter was. Nehru onderhield vriendschappelijke relaties met de Verenigde Staten én de Sovjet-Unie. Tijdens de Suezcrisis in 1956, was India, samen met Indonesië, Sri Lanka en de Sovjet-Unie, tegen militaire acties tegen Egypte. India was tegen de opdeling van Palestina en de invasie van de Sinaï door Israël, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk, maar liet niet blijken tegen de Chinese bezetting van Tibet en de Sovjetinval in Hongarije te zijn.

Hoewel Nehru ontkende dat India nucleaire ambities had, hielpen Canada en Frankrijk India met de ontwikkeling van kerncentrales. India sloot in 1960 een overeenkomst met Pakistan betreffende het eerlijk delen van het water van de zeven rivieren die de beide landen met elkaar delen. Nehru had Pakistan in 1953 bezocht, maar in verband met de politieke onrust op dat moment in Pakistan, was er geen voortgang gemaakt betreffende het geschil om Jammu en Kasjmir.

In 1961, na aanhoudende verzoeken voor een vreedzame overdracht, viel India de Portugese kolonie Goa binnen en annexeerde het.

In 1962 voerden China en India de korte Chinees-Indiase Oorlog, die ging over de grens tussen beide landen in de Himalaya. De oorlog was een zware nederlaag voor India en leidde ertoe dat India zich meer ging bewapenen en de banden met de Verenigde Staten meer ging aanhalen. Terwijl China zich terugtrok uit de bezette gebieden in het noordoostelijke Arunachal Pradesh, bleef het Aksai Chin in het Jammu en Kasjmir-gebied bezetten. China betwist India's bestuur over Arunachal Pradesh en tot recent nog over Sikkim.

India had in totaal vier oorlogen en militaire conflicten met rivaal Pakistan, waarvan een in 1965. Tijdens deze Tweede Kasjmiroorlog viel India Pakistan op meerdere fronten aan, na pogingen van Pakistaanse troepen om het door India gecontroleerde deel van Jammu en Kasjmir te infiltreren. De oorlog eindigde met een patstelling en enkele kleine tactische overwinningen van India.

Jawaharlal Nehru overleed op 27 mei 1964. Lal Bahadur Shastri volgde hem op als minister-president. Na de Tweede Kasjmiroorlog met Pakistan in 1965 was er geen definitieve overeenkomst over of verandering van de grenzen in het Jammu en Kasjmir-gebied. De Tasjkent-overeenkomst werd op 10 januari 1966 ondertekend na bemiddeling van de Sovjet-Unie, echter Shastri overleed de avond na het ondertekenen van de overeenkomst in Tasjkent.

Indira Gandhi (1966-1984)