Dit artikel behandelt de geschiedenis van Delfzijl, een stad en een voormalige gemeente in Groningen. De plaats wordt voor het eerst genoemd in een oorkonde uit 1303, en heeft in de 21ste eeuw zo'n 15000 inwoners.
De haven en vesting van Delfzijl ontstonden op het grondgebied van het dorp Uitwierde. De nederzetting rond de drie sluizen was aanvankelijk vooral van belang als centrum van een groot boezemwaterschap, het Generale Zijlvest der Drie Delfzijlen. De geschiedenis van de plaats is verder nauw verweven met die van het buurdorp Farmsum, waar het kerkelijke en bestuurlijke centrum van de regio te vinden was. Direct na de verovering door Staatse troepen in 1592 kreeg Delfzijl een eigen predikant; de kerk werd gebouwd in 1614. De vesting en het garnizoen bleven aanvankelijk mede onder het gezag van de provincie Friesland staan, die hier tot 1643 een garnizoen had tot 1666 de predikanten benoemde.
Sinds het begin van de 19e eeuw wordt Delfzijl als een stad beschouwd. Van 1811 tot 2020 was het de hoofdplaats van een zelfstandige gemeente, aanvankelijk samen met Farmsum, Uitwierde, Meedhuizen en de drie dorpen van de Oosterhoek (Weiwerd, Heveskes en Oterdum), vanaf 1990 ook met de voormalige gemeenten Bierum en Termunten.
Ontstaan en haven De naam "Delfzijl" betekent zijl (= spuisluis) in de Delf (= de oude naam van het Damsterdiep). Delfzijl ontstond rond 1300 toen de monding van de Delf werd afgedamd en er drie sluizen werden gebouwd, waarvan een geschikt was om schepen door te laten.
De eerste vaste bewoning van het gebied waar het huidige Delfzijl ligt, dateert al van meer dan 5000 jaar terug. In 1982 werd in de directe nabijheid van Delfzijl, onder de wierde Heveskesklooster ten oosten van Delfzijl, een hunebed gevonden. Dat is een grafmonument van een groep landbouwers die als het volk van de trechterbekercultuur gekarakteriseerd worden. Misschien zijn er meer bewoonde plekken geweest, maar die verdronken later in het hoogveen of werden bedekt door lagen zeeklei. Pas enkele eeuwen voor het begin van de jaartelling werd het gebied weer in cultuur genomen. Vooral de wierden getuigen hiervan.
De vruchtbare kuststrook rond Delfzijl was in de middeleeuwen dicht bevolkt. Vanaf de 9e eeuw begonnen de kustbewoners ook de moerassen en hoogveenvlakten in het achterland te ontginnen. Eerst stichtten ze nieuwe nederzettingen in het directe achterland, zoals Tuikwerd, Amsweer en Geefsweer, daarna ontstonden er randveenontginningen, zoals Meedhuizen, Wagenborgen en Siddeburen. Rond het jaar 1000 begon de grootschalige ontginning van Duurswold en het Wold-Oldambt. Daarbij speelde de hoofdelingenfamilie die in Farmsum woonde vermoedelijk een sleutelrol. Als proosten gaven ze tevens leiding aan het kerkelijke decanaat, waarvan Farmsum de hoofdplaats vormde. Vanaf het einde van de 12e eeuw traden bovendien de kloosters op de voorgrond, met name Bloemhof te Wittewierum, Grijzemonniken te Termunten en Heveskesklooster. De kuststreek werd beschermd door lage dijken en om het overtollige water weg te leiden, werden kanalen gegraven en sluizen (zijlen) gebouwd. Doordat het pas ontgonnen veen in het achterland inklonk en verteerde, groeide al snel de wateroverlast. De kloosters namen daarom de leiding bij de reorganisatie van de afwatering en het afsluiten van kanalen en riviermondingen. Het belangrijkste kanaal in deze regio was de Delf, oftewel het Damsterdiep, dat al voor het jaar 1000 moet zijn gegraven. De slingerende waterloop stond in directe verbinding met de zee, zodat eb en vloed ver landinwaarts te merken waren. Nadat er eerst dijken langs de oevers van het kanaal waren gebouwd, besloot men rond 1300 ook de monding van de Delf met een sluizencomplex af te sluiten. Door toedoen van het Farmsumer-, Oterdumer- en Termunterzijlvest waren al rond 1200 eerder zeesluizen langs de Eems gebouwd. Langs de Delf waren bovendien kleinere sluizen te vinden, met name voor het Oostwold- en het Woldzijlvest.
De aanduiding in Delfzilen wordt voor het eerst vermeld in een oorkonde uit 19 juni 1303.Rondom de Delfzijlen Geertsema, H. Brontsema, J.B. Roggenkampen, C. - van der Veen - Winschoten Oorspronkelijk lagen er drie zijlen (sluizen) in de Delf. Deze werden Slochter-, Scharmer- en Dorpsterzijl genoemd, omdat ze ieder onder het gezag van een afzonderlijk zijlvest of waterschap stonden. Men spreekt daarom over de "de drie Delfzijlen". De sluizen vielen onder het gezag van het Generale Zijlvest der Drie Delfzijlen. Bij deze sluizen ontstond al snel bewoning toen er een sluiswachter aangesteld werd. Dit was het begin van het ontstaan van het huidige Delfzijl.
In de middeleeuwen stonden er in de omgeving van Delfzijl verscheidene borgen, met name in Farmsum, Uitwierde, Heveskes, Oterdum en Termunten.
Rond 1400 was er reeds sprake van een haventje bij Delfzijl voor het overladen van zeeschepen op kleinere binnenschepen. De haven van Delfzijl werd vanaf de 16e eeuw in verschillende maritieme geschriften vermeld. Delfzijl vormde een belangrijke uitwijkhaven voor Nederlandse schepen, wanneer de havens van Holland en Zeeland wegens oorlogsomstandigheden onveilig waren. In 1591 veroverde prins Prins Maurits de haven met een vloot van 150 schepen. Enige decennia later bezocht Piet Hein Delfzijl met de "Zilvervloot" l. Tijdens de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog in 1665 kwam Michiel de Ruyter met de West-Indische vloot en dertig door hem buitgemaakte schepen de haven van Delfzijl binnen.Geschiedenis Groninger Seaports In 1705 week de Groenlandvloot met 96 schepen en een buit van 1100 walvissen uit naar Delfzijl uit angst voor een Franse oorlogsvloot.A. Buursma, & M. van der Ploeg, 'Delfzijl'. in: Groningen, Stad en Ommeland, Bedum: Profiel, 2008, pp. 72-76.
Door de ligging aan het water was en is Delfzijl kwetsbaar voor overstromingen. In 1597, 1686, 1717 (de Kerstvloed) en 1825 kwamen er overstromingen en dijkdoorbraken voor. Ook in de 21e eeuw moeten herhaaldelijk de coupures in de dijk bij Delfzijl gesloten worden om te voorkomen dat de stad onder water loopt. In de waterpoort aan het eind van de Havenstraat is een gedenkteken aangebracht, dat de hoge waterstand van 1962 markeert. De allerhoogste waterstand werd in november 2006 gemeten. Tijdens de Allerheiligenvloed stond door een noordwesterstorm stond het water er tijdens hoogtij toen 4,83 meter boven NAP. Het oude record van 4,50 meter dateerde uit 1825.
Vesting Delfzijl
Middeleeuwen De drie sluizen in de Delf vormden een belangrijk strategisch punt. Ze werden niet alleen gebruikt om het binnenwater te lozen op zee, maar konden ook gebruikt worden om het zeewater over het land te laten stromen. Bovendien kon vanuit Delfzijl een belangrijke handelsroute van de stad Groningen gecontroleerd worden. Tevens werd het scheepvaartverkeer op de Eems gecontroleerd en kon zo de scheepvaart voor de haven van Emden gehinderd worden. De haven van de stad vormde ook een invalsbasis voor een grote troepenmacht vanuit zee.
Omstreeks 1414 bouwde de Oost-Friese krijgsheer Keno tom Brok een versterkt huis te Delfzijl, dat vermoedelijk het volgende jaar weer werd afgebroken. In 1499 werd door graaf Edzard I van Oost-Friesland een blokhuis gebouwd te Delfzijl. In 1501 veroverden Groningse troepen de schans, maar Oost-Friese troepen wisten de schans in hetzelfde jaar te heroveren. In 1514 werd de onvoltooide schans van Delfzijl door Oost-Friese troepen onder leiding van Otto van Diepholt veroverd voor graaf Edzard I, nadat de troepen waren gevlucht.Wagenaar, J. (1793), Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden; twintigste deel; vattende eenen aanvang der beschryving van stad en Lande. pp. 298-299. Hertog George van Saksen stuurde 4000 Oldenburgse troepen en heroverden de vesting, plunderden de schans en staken deze in brand. In 1515 wisten troepen van Edzard I de vesting weer in te nemen, maar na zijn nederlaag in de Saksische Vete bij Detern in 1516 liet hij de vesting ontruimen, waarop de Groningers de vesting lieten slechten.
Rond 1530 werd de vesting verder uitgebouwd. In 1534 ondernamen Oost-Friese troepen nog een laatste plundertocht in Farmsum, waarop een tweede, kleinere vesting werd gebouwd. In 1536 erkenden de Oost-Friezen keizer Karel V als heer en werd deze schans ingenomen door zijn veldheer Schenck van Toutenburg. In deze periode ontstond binnen de vestingwallen een klein dorp. In 1558 is sprake van een eerste schooltje bij de zeilen.
Tachtigjarige Oorlog Na de Zeeslag op de Eems bezocht Alva Delfzijl op 25 juli 1568. Hij zag de strategische betekenis en het gevaar van mogelijke invallen door watergeuzen en maakte daarom plannen om er een grote vesting van te maken onder de naam 'Marsburg', waartoe ook Farmsum en wellicht Appingedam zouden behoren. Er werd al vast een kerkhof aangelegd waar een toekomstige kerk zou moeten verrijzen. Dat alles was zeer tegen de zin van de stad Groningen en is door herhaaldelijk aandringen daarvan niet doorgegaan. Wel werd er vanaf 1569 een provisorische schans met 4 bastions en een gracht van 30 meter breed opgeworpen en werd er een bezetting gelegerd. In 1572 liet De Robles de schans versterken door het terrein tussen de sluizen en de schans ook voorzien van bastions en grachten. De vesting bleef echter zwak door de grote afstand ten opzichte van de Eems, waardoor eventuele ondersteuning met geschut vanaf schepen niet mogelijk was. Met de Pacificatie van Gent in 1576 Liet de graaf van Rennenberg de schans in 1577 innemen op de Spaanse troepen onder leiding van Caspar de Robles, die hij naar Leeuwarden stuurde. Hij liet daarop de verdedigingswerken ontmantelen en gaf enige tijd later opdracht aan Johan van den Kornput om ontwerpen te maken voor de versterking van Delfzijl. Dit plan werd niet direct uitgevoerd. Rennenberg liet eerst door Berthold Entens van Mentheda in 1580 een schans met vier bolwerken aanleggen, omgeven door een gracht, de zogenoemde 'Oude Schans'. Deze schans mat 100 bij 100 meter en lag op de plek waar later de kern van het huidige Delfzijl zou ontstaan. De vesting werd na het overlopen van Rennenberg naar het Spaanse kamp bij het beleg van Delfzijl (1580) door zijn Spaanse troepen onder leiding van Schenk van Nydeggen ingenomen.
thumb|left|Vergeefse aanval door de Spaanse troepen onder Verdugo in de nacht van 12 op 13 februari 1594 In 1591 werd de schans heroverd bij de inname van Delfzijl door Prins Maurits als onderdeel van de Groninger schansenkrijg. Hij zorgde voor versterking van de schans en zo kon het plan van Van den Kornput alsnog uitgevoerd worden. De bestaande vesting van Delfzijl werd omringd door een nieuwe vesting met aan landzijde vijf bastions (of bolwerken of dwingers), omringd door een brede gracht. Dit waren vanaf het noordoosten via het westen naar het zuiden achtereenvolgens het Schippersbolwerk (noordoosten), het Kaspersbolwerk of Holwierderbolwerk (noorden), het Provoostbolwerk of Uitwierderbolwerk (noordwesten), het Jonkersbolwerk of Komandeursbolwerk (westen), het Damsterbolwerk (zuidwesten) en het Farmsumerbolwerk (zuiden). Aan zeezijde werd langs de haven een brede borstwering aangelegd met de Grote Waterpoort (die in 1833 werd vernieuwd). Het geheel werd omringd door een 40 meter brede gracht. Aan zuidzijde werd de haven gedekt door het nieuwe hoornwerk Kostverloren met een heel bastion (het Kostverlorenbolwerk in het zuiden) en een half bastion (in het zuidoosten). Tussen de bolwerken bevonden zich verschillende poorten naar buiten toe: de Landpoort tussen het Provoost- en de Jonkersbolwerk was de hoofdpoort, de Waterpoort of Havenpoort en de Kleine Waterpoort of Ruyterpoort gaven toegang tot de haven in het oosten en de Farmsumerpoort gaf vanuit de vesting Delfzijl toegang tot het hoornwerk.