thumb|Kaart van Haarlem uit 1652 De geschiedenis van Haarlem gaat zeker tien eeuwen terug. De stad ontstond als geestnederzetting aan het Spaarne en de eerste vermeldingen dateren uit de tiende eeuw.

Prehistorie-Romeinse tijd Haarlem ligt tot Schoten op een noord-zuid lopende strandwal. Op deze wal werd al vroeg kleinschalige sedentaire akkerbouw bedreven in het laat-neolithicum en de daarop volgende bronstijd. Archeologisch materiaal dat daar op wijst bestaat voornamelijk uit scherven aardewerk van kleinere vindplaatsen in de stad zelf en uit de onmiddellijke omgeving. Ook grondsporen van bewerking met een eergetouw (haakploeg) in de zandgrond uit die tijd zijn gevonden. In de Waarderpolder werden enkele inheems-Romeinse aardewerkscherven uit de 1e-2e eeuw na Chr. gevonden.

Middeleeuwen De stad ontwikkelde zich aan de verbindingsweg tussen zuidelijke en noordelijke landstreken. Het werd een zetel van de graaf van Holland. in Harulahaima, 'huis op hoge zandgrond' in het Frankisch, zoals de naam in 948 geschreven werd in een document van de Sint Maartenskerk te Utrecht ter aanduiding van drie hoeven die tot haar bezit behoorden.Hein Klemann, Haarlem ! Een geschiedenis, Verloren, Hilversum, 2023, p. 21.

Stadsrechten Graaf Willem II van Holland verleende Haarlem op 23 november 1245 stadsrechten. In die tijd nam de graaf vaak het initiatief tot verlening van stadsrechten. Haarlem vroeg deze rechten op eigen initiatief aan. Men vroeg advies bij een stad die de rechten al had, namelijk 's Hertogenbosch in het hertogdom Brabant. Haarlem bedong in het eerste artikel vrijheid van tol voor haar handel over de rivieren en wegen in het hele graafschap Holland. Bij rechtspraak fungeerde een schout namens de graaf als aanklager. De schepenen van de stad waren behalve bestuurders ook rechters. Een uitspraak beëindigde een aangebracht geschil. Onderlinge twisten konden zo niet langer als een vete voortwoekeren. De straffen varieerden van boetes, tot verbanning of de doodstraf. Boeren uit de stad kregen het recht buiten de stad te zaaien en te oogsten. Dat vrouwen al een economische rol speelden blijkt uit de regel, dat een echtgenote geen schadevergoeding aan haar man verschuldigd was, als zij een volle oven brood of een brouwsel bier door ongeluk verloren had laten gaan.C.L.Hoogerwerf, Het Haarlemse stadsrecht (1245) proefschrift Universiteit van Amsterdam, Cabeljauwpers, Amsterdam, 2001 De graaf bekrachtigde het charter dat in het Latijn op perkament was geschreven met zijn zegel in groene was, een zogenaamd jachtzegel. Hij had bij Haarlem een klein slot voor de jacht.

Economie Haarlem lag gunstig voor de ontwikkeling van bedrijvigheid en handel. Op de landweg van Alkmaar naar Den Haag en aan het Spaarne, die de stad noordwaarts verbond met het IJ, de Zuiderzee, en zuidwaarts met Zuid-Hollandse meren en rivieren, tot aan de Zeeuwse delta. Het duinwater was zuiver genoeg voor het brouwen van bier. Met schuiten werd het aangevoerd naar de brouwerijen, die aan het Spaarne lagen. Meer dan honderd kleine familiebedrijven deden goede zaken. Later door concurrentie van andere steden en hogere kosten werden het, tegen 1500 een kleine zeventig. Voor het bier werd behalve gerst, ook tarwe en vooral haver gebruikt, wat een dikker bier, het kuitbier, opleverde. De smaak en vooral ook de duurzaamheid werd verbeterd door toevoeging van een mengsel van kruiden, zoals gagel, moerasrozemarijn en laurierbes, gruit genoemd. Rond 1300 volgden de brouwers het Duitse idee na om hop, hopbelletjes, aan het brouwsel toe te voegen, met hetzelfde doel maar met een beter resultaat. Bier was de dagelijkse drank van jong tot oud en werd dus veel verkocht. De stadsbelasting op bier zorgde voor de helft van de inkomsten van de stad. Voor de scheepvaart over de binnenwateren maakten of herstelden de bouwers op hun werven langs de rivier jaarlijks een vijftiental schepen. Vanaf de veertiende eeuw werd van Engelse wol laken bereid, een uitgebreid proces, van ongereinigde balen tot aan de fijn geweven gladde stof, in rode, groene of blauwe kleuren. Het duinwater en de duinen waren zeer geschikt om het gewaad vooraf te bleken. Ook sponnen wevers van de vlasplantvezels het lijnwaad.J.W. Marsilje, Een ontluikende stad, in: Deugd boven geweld. Een geschiedenis van Haarlem,1245-1995, Verloren, Hilversum, 1995, p. 46-57

Haarlemse verovering van Damiate

Het wapen van de stad zou terug te voeren zijn op deelname aan de Vijfde Kruistocht. De Haarlemse bijdrage aan deze tocht berust voornamelijk op een verhaal bedacht door Johannes a Leydis of Johannes van Leiden, prior van een klooster te Haarlem, in een kroniek over de Hollandse graven. De aanval van de kruisvaarders (1218) richtte zich niet op Jeruzalem zelf, stevig in handen van de moslims, maar op de stad Damietta (Damiate) aan de Nijlmonding, geen open haven maar ingericht als een fort. De Friezen in het gevolg van graaf Willem I slaagden erin de grote verdedigingstoren te veroveren en de zware ketting, waarmee de verdedigers de Nijl hadden afgesloten, los te maken. Het is natuurlijk niet mogelijk deze met een zaag onder een schip stuk te varen, zoals het verhaal wil. De feiten over dit gevecht zijn, op basis van een verslag van kardinaal-bisschop Olivier van Keulen, die namens de paus de leiding had, neergeschreven en geïllustreerd door de Engelse benedictijner monnik Matthew Paris, in een kroniek uit die tijd. Het Wapen van Haarlem, bestaande uit vier sterren, dat bij deze gelegenheid door de Duitse keizer Frederik II zou zijn uitgebreid met een zwaard en een kruis, dateert eerst van 1391. Het legendarische van het verhaal blijkt uit de rol de keizer hier toegeschreven. Die had in deze periode namelijk geen bemoeienis meer met het Nederlands gebied. Het motto ‘vicit vim virtus’ ('Moed heeft het geweld overwonnen') werd eerst na het Beleg van Haarlem toegevoegd.Koorn, F.W.J in: Ach Lieve Tijd. 750 jaar Haarlem, Vrieseborch, Haarlem & Waanders, Zwolle, 1984, p. 8, 34 De Damiaatjes, de klokjes die in de Grote of Sint-Bavokerk elke avond tussen negen en halftien klingelen, oorspronkelijk om aan te duiden dat de stadspoorten gesloten werden, hebben niet aantoonbaar iets met het beleg van Damietta van doen. Maar de legende is wel oud. Volgens een document uit 1562 werden ze geschonken door de laatste bisschop van Haarlem, Nicolaas van Nieuwland. In de stadsrekeningen is echter al eerder sprake van klokjes, eerst in de voormalige Westertoren, daarna in de dakruiter van de Bavo, om het einde van de werkdag en het doven van het vuur in de werkplaatsen af te kondigden.Jaap Molenbroek, De herkomst van de Damiateklokjes of Damiaatjes in de toren van de Sint-Bavokerk in Haarlem, Jaarboek Haerlem, 2016, p. 25-38

Geloof Het christendom werd gebracht door zendelingen uit Engeland en Ierland, monniken en bisschoppen van de Benedictijner orde. Hun taal, het Angelsaksisch, verschilde niet zo veel van het Oudfries, dat toen in de kustgebieden van de rivier Eems tot aan Zeeland werd gesproken. Missionaris Wynfreth, later Bonifatius genoemd, stichtte op een zandrug in Felison (Velsen) een houten kerkje in het begin van de achtste eeuw. De uitbreiding van het geloof was moeilijk door de strijd met de Friezenleider Redbad en de invallen van de Vikingen. Maar rond het jaar 1000 is er sprake van een kerkje in Haarlem als dochterkerk van Velsen. Het kerkje werd gewijd aan de heilige Bavo, een kluizenaar uit Gent. De keus voor deze beschermpatroon was waarschijnlijk te danken aan het huwelijk van de graaf van Holland Dirk II met de dochter van de graaf van Vlaanderen. Relikwieën van de heilige zouden door monniken uit de Baafs abdij te Gent mee zijn genomen, voor de kapel van de graaf in Haralem en voor zijn klooster in Egmonde (Egmond).C.L. Verkerk, De parochie Haarlem en de religieuze stichtingen binnen haar grenzen, in: Deugd boven geweld. Een geschiedenis van Haarlem, 1245-1995, Verloren, Hilversum, 1995, p. 61, 64

Nadat de plaats stadsrechten had verworven maakten vooraanstaande burgers en de graaf de vestiging van kloosters mogelijk. Tegen 1500 waren dat twaalf vrouwenkloosters en acht mannenkloosters op een bevolking van ongeveer 10.000 inwoners. Graaf Floris V van Holland schonk ruimte achter zijn hof aan het Sant, de Grote Markt, aan de Dominicanen. Zielzorg en prediking waren hun taak. In het herbouwde verblijf, nu stadhuis, is de oude kloosterhof nog aanwezig. Een Haarlemse ridder gaf met steun van de vader van Floris zijn huis en andere gebouwen aan de orde van Karmelieten. Beide bedelordes mochten geen eigen bezit hebben en leefden van gaven. Niet alleen binnen de stad mochten zij prediken maar in het hele graafschap. In de dertiende eeuw komt uit de burgers een nieuwe impuls van het geestelijk leven voort. Vrouwen, die een gelofte van kuisheid en armoe hadden afgelegd, begijnen, gingen samen wonen in een convent. Met andere gebouwen voor hun onderhoud en een kerkje vormde dit een begijnhof. De kloosters trokken in deze periode van kerkelijke verbeteringen en nieuwe geestelijke ordes meer gelovigen uit de eigen stad. Ook de kloosterkerken werden soms meer bezocht dan de eigen parochiekerk. De belangrijke plaats van geloof in het leven bleek uit de religieuze taken van de gilden, zoals het houden van een processie, het bidden en branden van kaarsen voor het zielenheil in een eigen kapel in de parochiale Grote Bavo kerk. Een opvallende kloosterorde in de stad was die van de Johannieters, een ridderorde met een oorsprong in het Heilige Land, waarvan de Janskerk nog een herinnering is.C.L. Verkerk, p. 68-78; Lourens, Piet; Lucassen, Jan (1997). Inwonertallen van Nederlandse steden ca. 1300–1800. Amsterdam, p. 61-62

Politiek

Het graafschap begon als een Frankisch leen vanaf eind negende eeuw met als graaf een verwant van de Friese koningen. Deze en de opvolgende graven van Frisia, “comes Fresonum” in de acten, beheersten bezittingen in een gebied van Texla (Texel) tot aan Dordrecht, het voormalig eigendom van de verslagen Vikingleider Godfried met de Baard.1) Gerulf, Wikipedia, 2018 Later kregen deze bestuurders Zeeland in leen van de graaf van Vlaanderen en speelden ze een rol in de internationale politiek van die dagen. De graven, die zich vanaf 1100 graaf van Holland noemden, streefden naar uitbreiding van hun macht in het gebied van de Maas, Utrecht en West-Friesland. De West-Friese boeren waren eeuwenlang een taaie tegenstander. Twee graven vonden hier de dood op een militaire expeditie.2) Arnulf van Gent, Willem II van Holland, Wikipedia, 2018

Haarlem werd een nieuw bestuurlijk en militair bolwerk van de graven. Zo raakte de stad betrokken bij het verzet van de boeren uit Waterland en West-Friesland tegen nieuwe belastingen. De boeren maakten daarbij gebruik van onderlinge opvolgingstwisten in het grafelijk huis. In 1155 drongen tegenstanders het nog onbeschermde stadje binnen en verbranden grafelijke huizen en schuren. Ruim een eeuw later liep verzet van de Kennemer bevolking stuk op de omwalling van de stad en werden ze door een uitval van de Haarlemmers verdreven. In de Hoekse en Kabeljauwse twisten was Haarlem in 1425 Kabeljauws. Pretendent Jacoba van Beieren tegen de Bourgondische vorst Filips de Goede zocht, na een militaire tegenslag, steun bij inwoners van Kennemerland. Troepen van Kennemers en vendels met Jacoba drongen op Haarlem aan legden een beleg rond de stad. De stadsgouverneur Jacob van Gaasbeek liet een groot deel van de Haarlemmerhout kappen, mogelijk om de tegenstander beter in het zicht te hebben en te voorkomen dat deze het hout gebruikte voor aanvalswerktuigen. Gelderse ruiters in dienst van Haarlem deden een uitval en vernietigden belegeringswerktuigen. Het beleg verliep al spoedig toen Philips van Bourgondië troepen uit Vlaanderen zond. Zie verder Beleg van Haarlem (1426) miniatuur|portret van Jacob van Abcoude