Hendrik Alexander Ruysch (Zutphen, 7 februari 1767 - Rotterdam, 14 november 1839), ook geschreven als Ruijsch, was een Nederlandse viceadmiraal.
Loopbaan
Adelborst op de Piet Hein miniatuur|Zeeslag bij de Doggersbank. Hendrik Alexander was een zoon uit het tweede huwelijk van Hendrik Ruijsch, heer van Lunenburg en generaal-majoor van de infanterie bij het Staatse leger. Zijn moeder was Helena Alexandrina van Eys. Beide ouders overleden kort na elkaar in 1776. Hendrik werd grenadier-cadet in het regiment van zijn vader, maar vroeg al snel om overplaatsing naar de marine. Hij werd toen als adelborst geplaatst op het schip de Piet Hein van kapitein Willem van Braam van de Admiraliteit van Amsterdam. In december 1780 brak de Vierde Engels-Nederlandse oorlog uit. De Piet Hein maakte in augustus 1781 deel uit van het eskader van schout-bij-nacht Johan Zoutman dat op de Noordzee in gevecht raakte met een Britse vloot. In deze Slag bij de Doggersbank kreeg de Piet Hein het in het kanonvuur zwaar te verduren. Met tien doden en meer dan vijftig gewonden keerde het terug naar de haven. Ook de 14-jarige Ruysch werd gewond. Een wegvliegende houtsplinter had zijn linkerkaakbeen verbrijzeld. Net als de andere deelnemers aan de slag kreeg hij de Doggersbank-medaille uitgereikt. Bovendien werd hij wegens betoonde moed bevorderd tot luitenant-ter-zee 'titulair'. Voor die rang gold een minimum leeftijd van 17 jaar.
Luitenant op de Utrecht In 1782 voer Ruysch op de Utrecht met kapitein Jacob Pieter van Braam, een halfbroer van Willem van Braam. In het najaar voer het schip uit in een eskader van schout-bij-nacht Jan Hendrik van Kinsbergen dat op de Noordzee koopvaardijschepen moest konvooieren. Door zwaar stormweer werd dit een rampzalige tocht. Het eskader werd uiteengeslagen en de Unie verging met man en muis. De Utrecht kaapte op 27 oktober een Britse koopvaarder, de brik Dolphin. Van Braam stelde Ruysch als 'prijsmeester' aan, om met een stuurman, acht matrozen en twee Britse krijgsgevangenen het schip naar een Nederlandse haven te brengen. Ook dit schip verging echter in de storm. Ruysch en de anderen wisten in een sloep het plaatsje Højer aan de Deense kust te bereiken. Zijn Doggersbank-medaille was hij kwijtgeraakt. Hij kreeg er bij terugkomst in Amsterdam een eredegen met zilveren gevest voor terug.
Riouw miniatuur|Van Braams eskader voor Malakka. Op 14 maart 1783 vertrok Van Braam als commandeur van een eskader van zes schepen naar Oost-Indië om de VOC bijstand te verlenen en het door de oorlog beschadigde Nederlandse imago te herstellen. Ruysch was weer luitenant op de Utrecht. Na een moeizame reis, met veel verlies aan mensenlevens door een besmettelijke ziekte, kwam het eskader in maart 1784 in Batavia aan. Op verzoek van de Raad van Indië zette Van Braam het eskader in voor het ontzet van Malakka, dat belegerd werd door de Boeginese machthebbers van Riouw en Selangor. Zij hadden de sultans van die plaatsen terzijde geschoven. miniatuur|Riouw en het eiland Mars. Tijdens de succesvolle bestorming van de batterijen van de Boeginezen door de Nederlandse landingstroepen voerde Ruysch het bevel over twee grote ponten met ieder twee kanonnen. Na het ontzet van Malakka werd nog Selangor veroverd onder leiding van kapitein-luitenant Dirk van Hogendorp. Ruysch had daarbij het bevel over een divisie gewapende matrozen. De verliezen aan Nederlandse kant bij deze operaties, bijna 200 man, waren voornamelijk te wijten aan ziekte. Eind oktober verscheen het eskader bij Riouw. De stad lag in een baai, met voor de ingang een langwerpig eiland, door de Nederlanders Mars genoemd, dat aan de lange zijden versterkt was met batterijen van waaruit vaartuigen beschoten konden worden. Na mislukte onderhandelingen roeiden de Nederlandse troepen, waaronder Ruysch, in sloepen vanaf de schepen naar Mars en veroverden na een felle strijd beide batterijen, zodat de vaarweg open lag. De Boeginese leider Radja Ali vluchtte. De sultan van Riouw tekende daarop een vredesverdrag met de VOC. Terug in Batavia in december werd het eskader met veel eer ontvangen. Via Ceylon en de Kaap de Goede Hoop keerde het in augustus 1786 weer terug bij Texel, met twee jonge Ceylonese olifanten als geschenk voor stadhouder Willem V.De olifanten werden gehuisvest bij het Loo, en werden later door de Fransen meegenomen naar Parijs.
Eerste officier op de Valk miniatuur|232x232px|Pakubuwono IV. In februari 1787 werd Ruysch als derde luitenant geplaatst op het fregat Valk met kapitein Aegidius van Braam, een achterneef van de andere Van Braams. De Valk kruiste 6 maanden in het Kanaal, wachtend op de retourvloot uit Indië, en voer daarna onder kapitein Abraham KuvelAbraham Kuvel (Utrecht, 11 april 1757 – Amsterdam, 5 mei 1835) werd op 22 april 1774 luitenant-ter-zee en op 23 oktober 1783 kapitein-ter-zee extraordinair. In 1789 kapitein-ter-zee en van 1792 tot 1795 eskadercommandant. Op 27 februari 1795 ging hij uit dienst. Later was hij toch weer kapitein-ter-zee, maar weigerde in december 1810 over te gaan in Franse dienst. Op 1 juli 1814 werd hij in het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden viceadmiraal. Van 1822 tot 1829 was hij directeur en commandant van de marine te Amsterdam. naar Batavia met Ruysch als eerste officier. Daar werd de Valk samen met de Scipio naar Semarang gezonden om de gouverneur van Java's Oosthoek, Jan Greeve, van dienst te zijn. Ruysch vergezelde de kapiteins Kuvel en Lucas toen zij met Greeve en een stoet van duizenden beambten en soldaten van de VOC naar Surakarta gingen. Daar lag de oude susuhunan Pakubuwono III op sterven. Hij had de VOC gevraagd om te helpen de macht vreedzaam over te dragen aan zijn oudste zoon, Pakubuwono IV, in plaats van aan zijn rivaliserende jongere halfbroer adipati Mangku Bumi. De susuhunan stierf nog tijdens het bezoek. De daaropvolgende kroningsplechtigheid eind september 1788 vond zonder strubbelingen plaats, en het was Ruysch die de kroon op het hoofd van de kroonprins mocht zetten. Ook diens oom Mangku Bumi was aanwezig en schikte zich in de machtsoverdracht. Zijn regiment vrouwelijke lijfwachten te paard gaf een show van vecht- en paardrijkunst.
Kapitein-luitenant bij de zee-artilleristen miniatuur|227x227px|Vlag van de Bataafse Marine van 1796. De Nederlandse leeuw en maagd houden een speer met een vrijheidshoed vast. De Valk was in 1789 terug in de Republiek. Vanaf 1790 voer Ruysch op het linieschip Gelderland in eskaders op de Noordzee en de Middellandse Zee ter konvooiering van koopvaarders tegen aanvallen van de Fransen. Eind 1792 werd Ruysch bevorderd tot kapitein-luitenant bij het korps zee-artilleristen, dat net dat jaar opgericht was en direct onder Willem V als admiraal-generaal viel. Zij bemanden vestingen en kanonneerboten. Ruysch maakte zich ook verdienstelijk met het vervaardigen van zeekaarten. In 1794 had hij, nog steeds op de Valk, het bevel over 65 artilleristen bij de verdediging van Zeeuws-Vlaanderen tegen het oprukkende Franse leger, waarbij blijkens een proclamatie van luitenant-admiraal Van Kinsbergen 'in het bijzonder heeft uitgemunt de Kapitein-Luitenant Ruysch'. Hij had een hele linie verschansingen verdedigd met geschut. Het mocht niet baten: op 27 juli werd de linie overweldigd door de Fransen. miniatuur|De Bataafse Republiek in 1798. Na het zegevieren van de Fransen en de vlucht naar Engeland van Willem V werd begin 1795 door de Patriotten de Bataafse Republiek uitgeroepen. Een van de maatregelen die genomen werden was de centralisatie van de vijf admiraliteiten en het ontslag op 9 maart van alle marineofficieren, met de mogelijkheid opnieuw te solliciteren bij het centrale Comité tot de Zaken van de Marine. Zoals veel luitenants gaf Ruysch daar gehoor aan. Hij was een van de 63 luitenants die in 1796 werden aangenomen, en maakte een sprong in zijn carrière: hij werd bevelhebber van het linieschip Gelijkheid, dat onderdeel was van de Bataafse vloot van viceadmiraal Jan Willem de Winter bij Texel.
Bevelhebber op de Gelijkheid miniatuur|De Slag bij Kamperduin. De Gelijkheid rechts bij de letter G. In oktober 1797 was het Comité zo onverstandig De Winter op te dragen uit te varen tegen een superieure Britse vloot, wat leidde tot de desastreuze Zeeslag bij Camperduin. De Gelijkheid, een van de twee buitenste schepen in de linie, werd in de zeeslag door meerdere Britse schepen aangevallen en zwaar beschadigd, met omtrent zestig doden en zeventig gewonden tot gevolg. Toen Ruysch de masten van het admiraalschip Vrijheid overboord zag vallen en ook de Beschermer met Dooitze Hinxt de linie moest verlaten gaf hij omringd door vijanden zijn schip over. Vlag en wimpel werden neergehaald en seinboeken en scheepspapieren werden in zee gegooid. Ruysch werd krijgsgevangen gemaakt en door een sloep van de Agincourt van boord gehaald. Wat overbleef van de Gelijkheid werd door de Director naar de Medway in Engeland gesleept. Tien andere schepen ondergingen hetzelfde lot.
De vele gevangengenomen officieren werden met respect behandeld. Ruysch werd net als De Winter in december al toegestaan naar huis te gaan, op erewoord de wapens niet meer op te nemen tegen Groot-Brittannië. Op 6 april 1798 werd Ruysch, zijn goed gedrag tijdens de zeeslag door de krijgsraad bevestigd, bevorderd tot kapitein-ter-zee.Over de kapiteins Zegers en Verdooren, en de kapitein-luitenants Holland, Lancester en Ruysch zei de krijgsraad 'dat zij zich ten uiterste toe kloekmoedig hadden verdedigd, en hunne bodems niet eerder aan den vijand hadden overgegeven, dan toen alle middelen van defensie ontbraken'. Op 29 augustus trouwde hij met jonkvrouw Wilhelmina Agatha Crommelin.
Kapitein op de Schrikverwekker miniatuur|De door de Britten in de Slag bij Kamperduin buitgemaakte Nederlandse oorlogsschepen worden meegevoerd. Helemaal rechts is de Hercules en daarachter de Gelijkheid. In 1801 was Ruysch kapitein op het linieschip Schrikverwekker. In mei 1802 maakte hij met dat schip deel uit van het eskader van De Winter bestemd voor de Middellandse Zee.Het eskader bestond uit de De Winters vlaggenschip Oldenbarneveld - 375 man en 68 stukken onder kapitein Musquetier, de Revolutie - 350 man en 68 stukken onder kapitein Lancester, de Schrikverwekker - 350 man en 68 stukken onder Ruysch, de korvet Scipio - 80 man en 20 stukken onder kapitein-luitenant Carrega, en de schoeners Snuffelaar en Haasje onder de luitenants Grevestein en Ysbrands. De Winter haakte in de haven van Ferrol wegens ziekte af en werd vervangen door viceadmiraal Pieter Hartsinck. Deze had geheime instructies van de Raad van MarineDe Raad van Marine was in de Bataafse Republiek de opvolger van de Agent van Marine, die weer de opvolger was van het Comité tot de Zaken van de Marine, dat de vijf Admiraliteiten van de oude Republiek had vervangen. bij zich waaruit bleek dat het eskader naar Oost-Indië moest varen om het te beschermen tegen de Britten en hen hoe dan ook afbreuk doen. miniatuur|Gezicht op Gresik (Grissee).