thumb|240px|Florence Nightingale maakte rond 1875 van de verpleegkunde een volwaardig beroep De oorsprong van het verplegen is te vinden bij de oudste cultuurvolkeren. In deze tijd was het verplegen en verzorgen nog een intuïtieve handeling. Waarschijnlijk werden hiervoor nog geen specifieke personen aangewezen. Verplegen werd gedaan door directe naasten zoals familieleden of stamgenoten. Binnen deze eerste vormen van verplegen speelde de medicijnman een sleutelrol. De belangrijkste handelingen waren wrijvingen/massage, wassingen, wondverzorging en het toepassen van kruidenpreparaten.

2000 v.Chr. Babylonië Het verbinden van de kleur wit met gezondheidszorg stamt uit het oude Babylonië. Artsen moesten witte kleding dragen. De eerste medische voorschriften ten aanzien van bepaalde handelingen (massage, diëten, aderlaten) verschenen. Er bestaat een toenemend begrip voor hygiëne en infectiepreventie. Bijvoorbeeld het besef dat insecten ziektes kunnen overdragen.

Egypte Toenemend gebruik van geneesmiddelen waarvan de werking op grond van ervaring bekend was. Eerste onderzoeksmethoden verschenen: bijvoorbeeld een zwangerschapstest door het overgieten van graankorrels met urine. Met ontkiemende korrels werd een zwangerschap aangetoond. Grote belangstelling voor persoonlijke hygiëne. Eerste verpleegtechnische handelingen: klysma's werden gegeven door middel van een runderhoorn waarvan de punt was afgezaagd.

Israël De wetten van Mozes worden gezien als een belangrijke oorsprong van de gezondheidsleer. Zo waren er isolatievoorschriften ten aanzien van besmettelijke ziekten. De eerste vormen van dieetleer werden bekend, zoals het niet eten van schelpdieren ter voorkoming van ingewandsziekten.

500 v.Chr.: India In India stond de gezondheidszorg en de verpleging hoog aangeschreven. De eerste vormen van ziektepreventie ontstaan. Belangrijke ontwikkeling is het ontstaan van gasthuizen in de dorpen, waarin zieke reizigers en dieren werden opgenomen en behandeld. Hier waren verplegers werkzaam waaraan eisen werden gesteld ten aanzien van hun vaardigheden. Zij moesten patiënten kunnen wassen en masseren, helpen bij het lopen en pijn bestrijden.

Griekenland en Rome In het oude Griekenland waren gezondheidszorg en religie nauw met elkaar verweven. De eerste echte ziekenhuizen waren in feite tempels (tempelziekenhuizen, Abaton) waarin de goden Asklepios (god van de geneeskunde; bekend van de esculaap) en Hygieia (godin van de gezondheid) werden vereerd. Het in die tijd bekendste tempelziekenhuis lag in Epidaurus. Patiënten lagen in ruime open zuilengalerijen. Ongeneeslijk zieken, kraamvrouwen en stervenden werden hier niet verpleegd vanuit de gedachte dat deze de tempel onrein zouden maken. Medici, verplegend personeel en patiënten waren verplicht witte kleding te dragen uit respect voor de hygiëne. Verpleegkundige handelingen: massage, geneeskrachtige baden en diëten. In deze ziekenhuizen werkten overigens alleen mannen. Vrouwen verpleegden thuis eigen familieleden. Naast deze tempelziekenhuizen bestonden er badhuizen en gemeentelijke en particuliere poliklinieken.

Hippocrates (460-377 voor Christus) was de grootste geneesheer (vader der Geneeskunde). Bekend van de "Eed van Hippocrates". Hippocrates ging uit van het idee dat ziekten worden veroorzaakt door ongehoorzaamheid aan de natuurwetten. Ook voor de verpleegkunde historisch gezien een belangrijk persoon. Hippocrates gaf in zijn boeken uitgebreide instructies voor de verzorging van zieken: Instructies voor het aanleggen van verbanden, bijvoorbeeld het hoofdverband ("Muts van Hippocrates"). Een verband moet snel worden aangelegd en zonder pijn te veroorzaken. Wondverzorging: uitwassen met gekookt water of regenwater. Voorkom onnodig bloot liggen van een patiënt tijdens onderzoek of behandeling. Instructies ten aanzien van observeren en het deskundig uitvoeren van handelingen. Dieetleer.

De Romeinen importeerden met het veroveren van Griekse gebieden de geneeskunst. De Griekse god Asklepios heette bij de Romeinen Aesculapius. Griekse slaven met kennis van de geneeskunst verzorgden als "huis"-arts hun meester. De Romeinse steden stonden bekend om de voorzieningen voor de gezondheidszorg, zoals de badhuizen, het rioleringstelsel en de watervoorziening door middel van aquaducten. Speciaal aandacht bestond er voor de verzorging van (gewonde) soldaten. Speciaal voor dit doel reisden medici en verplegers (capsarii) mee met de legioenen. Daarnaast had elke legerplaats (castrum) een eigen militair hospitaal (valetudinarium). In Nederland was het hospitaal op de Hunnerberg bij Nijmegen bekend. Het bood onderdak aan zieken, gewonden en herstellenden (reconvalescenten). Men was vertrouwd met het gebruik van verschillende verbandmaterialen en operatietechnieken zoals aderlaten, oogoperaties en het verwijderen van blaasstenen.

Voor de verzorging van gladiatoren waren speciale sportartsen aangesteld. De bekendste was de Griek Galenus (130-200 na Christus). Als hoofdarts van de gladiatoren en persoonlijke lijfarts van keizer Aurelius beschreef hij belangrijke geneeskundige uitgangspunten zoals de kenmerken van een ontsteking, de functies van lichaamsdelen en organen en de invloed van koude, hitte, droogte en vochtigheid op ziekten.

Vroegchristelijke periode Vanaf de vroegchristelijke periode kreeg de vrouw bepaalde functies in het openbare leven. Tot die tijd had zij uitsluitend directe naasten verzorgd. Verpleging stond in deze periode in het teken van naastenliefde, het verzachten van lijden door liefdevolle verzorging. De zorg voor zieken was een van de zeven werken van barmhartigheid en kwam in de Bijbel onder meer ter sprake in Gelijkenis van de barmhartige Samaritaan.

De diaconessen waren de eerste wijkverpleegkundigen. In opdracht van de kerkgemeente bezochten zij zieken thuis om te zorgen, te bidden en Bijbelles te geven. Bekende diaconessen zijn Phebe (Grieks ) (60 na Christus) en Olympia (400 na Christus). De laatste stichtte samen met bisschop Chrysostomus in Constantinopel de gemeente van diaconessen. Hierna verspreiding van deze gemeente in Syrië, Italië, Spanje, Frankrijk en Ierland. Het ambt van diaconessen stond onder druk na de synode van Orléans in 549. Het "veldwerk" van de diaconessen werd verboden om te zorgen dat mensen naar de kerk kwamen.

De eerste bisschoppen gaven binnen hun verblijf onderdak aan hulpbehoeftigen. Later, bij toenemende behoeften, werden speciale gasthuizen gebouwd. Van belang is tevens het concilie van Nicea waarin bepaald werd dat iedere stad een plek kreeg voor zieken en armen. Zij deden dit naar het voorbeeld van het gasthuis van bisschop Basilius in Caesarea (370 na Christus): uit vrees voor besmetting werd buiten de stad een hospitaalstad opgericht. Een centraal gelegen kerk werd hierbij omringd door huizen, speciaal ingericht voor verpleging van zieken (chronisch zieken, lepralijders), vreemdelingen en armen. Personeel (artsen, verplegers) waren binnen deze stad werkzaam. De zorg was in hoge mate georganiseerd. Karel de Grote bepaalde dat iedere bisschop bij zijn kathedraal een gasthuis moest hebben voor armen, zieken en vreemdelingen.

Middeleeuwen 500-1100 In de vroege middeleeuwen waren vooral de kloosters de centra voor gezondheidszorg. Twee orden zijn hierbij van belang: de augustijnen en benedictijnen. De laatste orde bouwde direct buiten de kloostermuren een hospitium. Veel voorkomende verpleegkundige handelingen uit die tijd: lichamelijke verzorging, wassen wonden verbinden medicijnen (kruiden) toedienen aderlaten geven van klysma's hygiëne en infectiepreventie bijvoorbeeld het verbranden van beddengoed bij besmettelijke ziekten

De ideeën van Hippocrates werden overschaduwd door bijgeloof. Zo was men ervan overtuigd dat sommigen de macht hadden iemand op afstand ziek te maken (Boze oog). Hiermee hangt samen het verbod voor kloosterlingen om te snijden in het menselijk lichaam, waardoor de ontwikkeling van de medische wetenschap geen kans kreeg. Men kende de anatomie van het menselijk lichaam alleen van de boeken.

De zorg binnen deze kloostergasthuizen is van grote invloed geweest op de ontwikkeling van de verpleegkunde. Nog steeds wordt een verpleegkundige soms 'broeder' of 'zuster' genoemd. Daarnaast bleek toen al dat voor het geven van goede zorg vier voorwaarden gesteld kunnen worden: Voldoende toegewijd personeel Goede scholing van zorgverleners Goede organisatie en werkverdeling Goede beschikbaarheid materiële zaken Deze voorwaarden blijken tot op de dag van vandaag actueel.

Belangrijke personen: Hildegard van Bingen (1150 na Christus) en Radegundis (518-587).

Middeleeuwen 1100-1500 Na 1000 na Christus ontstonden de eerste verplegersorden voor leken (niet-geestelijken). Tijdens deze periode speelden lepra en de pest een rol bij de ontwikkeling van de gezondheidszorg. Ridderlijke verplegersorden ontstonden tijdens de kruistochten. Burgerlijke verplegersorden ontstonden door de toenemende macht van de burgerij in de steden. De eerste grotere ziekenhuizen (Hôtel-Dieu) worden in Europa gebouwd. Tijdens het concilie van Tours (1162) werd het motto Ecclesia abhorret a sanguine (de Kerk is afkerig van bloed) vastgesteld. Hierbij werd bepaald dat geestelijken geen medische handelingen meer mochten verrichten. Het verbod kwam er als gevolg van de vele misbruiken: monniken weigerden bijvoorbeeld medische zorg tot het testament (in het voordeel van het klooster) getekend was. Hierdoor verschoof de ontwikkeling van de medische wetenschap van kloostergasthuis naar de gasthuizen in de stad.

Bekende ridderlijke verplegersorden zijn: De orde van St. Jan (Maltezer Orde), waarvan vooral het hospitaal op Malta (gebouwd ca. 1575 te Valletta) bekend is geworden. De organisatie was voor die dagen bijzonder vooruitstrevend. Zo werden broeders (er werkten geen vrouwen) opgeleid, onder meer aan de hand van anatomielessen en de bespreking van ziektegevallen. Patiënten werden uitzonderlijk goed verzorgd in eenpersoonsbedden, waarvan het beddengoed dagelijks werd verschoond. Voor bepaalde ziekten waren speciale zalen ingericht. Eind 18e eeuw raakte het in verval. In Nederland en België zijn diverse gasthuizen opgericht door de orde. Bekend zijn het St. Catharijne-Gasthuis in Utrecht (ca. 1122; later geworden het Academisch Ziekenhuis Utrecht, nu UMC Utrecht) en het St Jansgasthuis in Brugge. De Duitse Orde, waarvan de huidige Nederlandse afdeling als liefdadigheidsinstelling nog steeds betrokken is bij de Nederlandse gezondheidszorg. De Orde van Sint-Lazarus die vooral begaan was met het lot van melaatsen en lepralijders.

Bekende burgerlijke verplegersorden zijn: de Heilige Geest Broederschap had in de 13e eeuw in vrijwel elke stad een Heilige-Geest-gasthuis. Beroemd geworden is het hospitaal Ospedale di Santo Spirito in Sassia te Rome.Geschiedenis van de verpleging, L.M. de Pater (2011), Protestants Nederland, geraadpleegd 24 augustus 2020 via Digibron de Orde van de begijnen was een wereldlijke orde die zieken thuis bezocht en verpleegde. de Orde van cellebroeders- en zusters (Alexianen). de Hospitaalbroeders van Sint-Johannes de Deo.

Belangrijke personen zijn Franciscus van Assisi (1182-1226), Elisabeth van Thüringen (1207-1231).

Opkomst renaissance 1500-1600 Een aantal zaken heeft de verpleging in Nederland en België tijdens de opkomst van de renaissance beïnvloed: het humanismeGeschiedenis van de ziekenverpleging, Corrie Dane, De Tijdstroom, 1980, de boekdrukkunst en de kerkhervorming. De medische wetenschap kwam tot ontwikkeling.

Het humanisme ging uit van een ander mensbeeld: de mens als individu. Hierdoor kreeg men meer oog voor de verschillende patiëntencategorieën. Dit betekende een verschuiving van algemene naar meer gedifferentieerde zorg. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de indeling van gasthuizen. Daarnaast ontstonden er verschillende gasthuizen voor pestlijders en geesteszieken.