De Bismarck was het eerste van twee slagschepen van de Bismarck-klasse. Dit schip en het zusterschip de Tirpitz waren de grootste Duitse slagschepen ooit gebouwd.
De Bismarck was genoemd naar de staatsman Otto von Bismarck. Het slagschip verkreeg een legendarische status door zijn eerste, enige en korte inzet op het hoogtepunt van de Slag om de Atlantische Oceaan, waarbij het in een kort gevecht tegen een overmacht de trots van de Britse marine de slagkruiser Hood in de lucht liet vliegen, om daarna drie dagen later op spectaculaire wijze kort voor het bereiken van de veilige haven zelf tot zinken werd gebracht door de Britse vloot. Van Duitse zijde werd benadrukt dat de Bismarck door de eigen bemanning tot zinken werd gebracht nadat er een bevel was gegeven het schip te verlaten, om zo het schip toch een aura van onoverwinnelijkheid te kunnen geven. Anderen stellen, dat de Bismarck na het laatste gevecht zoveel schade had opgelopen, dat het schip uiteindelijk toch zou zinken.
Ontwerp en bouw miniatuur|links|De Bismarck net na de tewaterlating, met rechte boeg Het vredesverdrag van Versailles bepaalde dat Duitsland alleen zijn oude pre-dreadnought slagschepen mocht vervangen en limiteerde de tonnage van de vervangschepen tot 10 000 long ton. Vanwege deze beperkingen bouwden de Duitsers tot 1935 drie pantserschepen van de Deutschlandklasse, maar geen echte slagschepen. Door de toepassing van allerlei gewichtsbesparende maatregelen konden deze schepen toch nog 28 cm-kanonnen voeren, waardoor ze geclassificeerd werden als vestzakslagschepen. Conform het Brits-Duits vlootverdrag van 18 juni 1935 mocht Duitsland opnieuw slagschepen bouwen. Er werd zo snel mogelijk begonnen met de bouw van de Scharnhorst en de Gneisenau die waren gebaseerd op een sterk vergroot ontwerp van de Deutschlandklasse, en die eveneens waren bewapend met 28 cm-kanonnen. Kort daarna volgde een nieuw ontwerp voor twee grotere slagschepen met 38 cm-kanonnen, de Bismarck en de Tirpitz. Hoewel de tonnage limiet conform het Vlootverdrag van WashingtonDuitsland was geen partner bij het Vlootverdrag van Washington (tenslotte waren de strikte beperkingen van het Verdrag van Versailles toen nog van kracht), maar door het latere Brits-Duitse vlootverdrag waren de beperkingen ten aanzien van slagschepen naderhand toch van toepassing. en het Verdrag van Londen van 1930 was bepaald op 35 000 ton en later bijgesteld tot 45 000 ton, bleek na de Tweede Wereldoorlog dat die overschreden was. Zo had de Bismarck een deplacement (waterverplaatsing) van meer dan 48 000 ton en mat het schip volgeladen circa 51 000 ton.
thumb|links|De Bismarck in 1940, met klipperboeg Het ontwerp van de Bismarck begon in 1934, op 1 juli 1936 werd bij Blohm & Voss in Hamburg de kiel gelegd en op 14 februari 1939 vond de tewaterlating plaats. Net zoals de andere kapitale schepen van de Duitse Kriegsmarine had het schip oorspronkelijk een rechte boeg, waarmee men dacht hogere vaarsnelheden te kunnen halen. In de praktijk bleek zo'n boeg veel te veel water te scheppen, zodat het bovendek altijd nat stond, en kregen de schepen een klipperboeg. Op 24 augustus 1940 werd het schip in dienst gesteld door de commandant Ernst Lindemann. De Bismarck ging voor de opwerking naar de Oostzee, waar schip en bemanning tot een goed op elkaar afgestemd geheel werden gevormd.
miniatuur|links|De pantsering van de romp en de kimkiel De hoofdbewapening bestond uit acht zware kanonnen van 38 cm opgesteld in tweelingtorens. In vergelijking met potentiële tegenstanders viel de hoofdbewapening eerder licht uit: nieuwe Franse, Britse, Amerikaanse, Italiaanse en Japanse slagschepen werden uitgerust met drielingtorens of vierlingtorens zodat ze meer kanonnen in minder torens voerden, waardoor de totale lengte kleiner was en er minder ruimte gepantserd moest worden. Voor de secundaire bewapening ontwikkelden de Duitsers, in tegenstelling tot de Britten en Amerikanen, geen kanon dat zowel tegen lucht- als zeedoelen gebruikt kon worden. De Bismarck voerde daarom een uitgebreide dubbele secundaire bewapening van twaalf 15 cm-kanonnen in gesloten torens op barbettes en van zestien vrijstaande 10,5 cm-luchtafweerkanonnen met gyrostabilisatie. Het luchtafweergeschut bestond verder uit zestien snelvuurkanonnen van 3,7 cm en twaalf snelvuurkanonnen van 2 cm. Voor verkenning beschikte de Bismarck over vier Arado Ar 196-watervliegtuigen. Aan elke kant van de schoorsteen was een hangar voor één startklaar vliegtuig en onder de achteropbouw stond een werkhangar voor twee reservevliegtuigen. De katapult was dwars op het dek vast gemonteerd en kon in beide richtingen een toestel lanceren. Twee grote vliegtuigkranen stonden aan bakboord en stuurboord bij de katapult en konden ook de bijboten uitzetten of binnennemen. Aan een platform op de schoorsteen waren nog twee kleinere hulpkranen bevestigd.
miniatuur|links|Silhouet Tirpitz, het identieke zusterschip van de Bismarck miniatuur|links|Silhouet Prinz Eugen
De snelheid van het (destijds) grootste slagschip ter wereld bedroeg ruim 30 knopen. Met zijn lengte van 250,5 meter en breedte van 36 meter was het iets korter en iets breder dan de Titanic. De romp van de Bismarck was vijf dekken hoog: onderaan waren er drie platformdekken die middenschips doorsneden waren voor de turbinekamers en ketelruimtes. Daarboven was het pantserdek en daarboven het batterijdek. Het horizontale pantser was niet zo modern: voortstuwing, munitiekamers en rekencentrales waren beschermd door het pantserdek dat naargelang de plaats tussen de 80 en 220 mm dik was, maar het batterijdek was licht bepantserd met 50 mm dikte, wat het tot een 'splinterdek' maakte: Het kon alleen granaatsplinters tegenhouden, granaten zelf werden alleen afgeremd vooraleer ze op het pantserdek terecht kwamen. Dit was een ouderwets concept uit de Eerste Wereldoorlog, andere moderne slagschepen voerden het pantserdek minstens een dek hoger, zodat meer interne delen en uitrusting beschermd werden. Het laag liggende pantserdek (plus de grotere breedte/lengte verhouding en de kimkiel) zorgde wel voor een goede stabiliteit, waardoor de Bismarck een goed geschutplatform was. Het zijpantser was bij de turbinekamers en ketelruimtes tot 320 mm dik, het zogenaamde gordelpantser. Meer naar boven toe, boven het pantserdek was het citadelpantser tussen 120 en 145 mm dik. De geschuttorens van de hoofdbewapening waren het dikst bepantserd: vooraan 360 mm, zijkanten 220 mm, achterkant 320 mm. De boven het dek uitstekende delen van de barbettes waren 340 mm dik en daaronder 220 mm. De secundaire kannonnen hadden maximum 100 mm. Ook twee van de drie gevechtscentrales waren zwaar bepantserd: de voorste gevechtscentrale had zijkanten van 350 mm, de achterste gevechtscentrale had als reservecentrale maar 150 mm. De gevechtscentrale in de top van de gevechtsmast was daarentegen heel licht bepantserd met maximaal 60 mm, anders zou het de stabiliteit te veel aantasten.
miniatuur|Een optische afstandsmeter uit het wrak van het Duitse vestzakslagschip Admiral Graf Spee. Op de uiteinden van de armen van tien meter lengte staan de optische lenzen die via triangulatie afstand konden meten Alle drie de gevechtscentrales hadden een draaibare optische afstandsmeter van zeven of tien meter. Binnen de voorste en middelste gevechtscentrale waren drie vuurleidingsposten, in de achterste twee. Daarmee konden acht verschillende doelen gevolgd worden. Ingeval de gevechtscentrales uitvielen, konden de torens zelfstandig vuren, daartoe waren alle zware geschutstorens en de middelste secundaire geschutstorens ook met optische afstandsmeters uitgerust, die achteraan langs de zijkanten uitstaken. Elke koepel met optische afstandsmeter droeg ook een antenne voor een Seetakt-radar met een reikwijdte van 25 km. Twee rekencentrales diep in het schip berekenden aan de hand van gegevens uit de gevechtscentrales en de sensoren de instellingen voor het geschut. De hydrofoon of passieve sonar was in de boeg gemonteerd en kon naargelang omstandigheden doelen tot 20 km ver waarnemen. Ook was er een radiowaarnemingsapparaat aanwezig, waarmee vijandelijke radarpulsen gedetecteerd konden worden. Voor het richten van de luchtafweerkanonnen waren er vier vuurleidingsstations voorzien, twee aan elke kant van de gevechtsmast en twee achteraan op de middellijn. Deze posten waren uitgerust met een gyrostabiliseerde afstandsmeter van vier meter.
De Duitsers besteedden veel aandacht aan een gelijkaardige lay-out voor hun schepen: dat maakte het de vijand veel moeilijker om uit te maken met welke tegenstander ze geconfronteerd werden. Hun slagschepen en kruisers hadden dezelfde bovenbouw: na de voorste geschutskoepels stond een voorkasteel van vier dekken hoog met een gevechtscentrale en karakteristieke afstandsmeter, daarachter een gevechtstoren met weer een gevechtscentrale en afstandsmeter op de top, gevolgd door een enkele schoorsteen. Het achterkasteel was één dek lager en had een derde gevechtscentrale en afstandsmeter. Tussen de schoorsteen en de achteropbouw stond de grote mast.
Start van operatie Rheinübung miniatuur|De door de schepen afgelegde routes, mei 1941 Vanwege de Britse suprematie ter zee was de Duitse strategie om confrontaties met de Britse vloot uit de weg te gaan en zich te richten op het tot zinken brengen van geallieerde koopvaardijschepen om zo de bevoorrading van Groot-Brittannië te bemoeilijken. In november 1940 was de zware kruiser Admiral Scheer uit de blokkade ontsnapt. Na een aanval op het Noord-Atlantische konvooi HX-84 voer deze kruiser verder om raids uit te voeren tot in de Indische Oceaan en keerde na enkele successen in maart 1941 terug naar Duitsland. Tussen december 1940 en februari 1941 had de zware kruiser Admiral Hipper met wisselend succes twee raids op de Noord-Atlantische en West-Atlantische konvooiroutes uitgevoerd en als voorlopig hoogtepunt hadden de kleinere slagschepen Scharnhorst en Gneisenau tussen februari en maart 1941 diezelfde konvooiroutes aangevallen. Ook waren er hulpkruisers, tot oorlogsschip omgebouwde koopvaarders, op alle zeeën actief. Het meeste succes echter hadden de U-boten.
miniatuur|links|De Bismarck (uiterst rechts), gefotografeerd door een RAF-verkenningsvliegtuig in de Grimstadfjord bij Bergen (Noorwegen) Op 18 mei 1941 vertrok de Bismarck samen met de zware kruiser Prinz Eugen vanuit Gotenhafen voor zijn eerste missie: operatie Rheinübung. De opdracht was om uit te breken naar de Atlantische Oceaan en konvooien aan te vallen. Waar de vorige Duitse raiders strikt bevel hadden om onder geen enkele omstandigheid een treffen aan te gaan met oorlogsbodems, en enkel koopvaarders aan te vallen, kreeg de Bismarck de order om zelfs geëscorteerde konvooien aan te vallen. Het eskader stond onder commando van viceadmiraal Günther Lütjens. Al voor het vertrek hadden de Britten aanwijzingen gekregen van de ophanden zijnde operatie via Ultra. Tijdens de vaart door het Kattegat naar Noorwegen werd het eskader opgemerkt door de neutrale, Zweedse kruiser Gotland die de schepen rapporteerde, en dit rapport werd door de Zweden gelekt naar de Britten. Gealarmeerd zonden de Britten een paar Spitfire-verkenningsvliegtuigen uit en op de middag van 21 mei werd de Bismarck ontdekt in de Grimstadfjord bij Bergen in Noorwegen. De Bismarck was voor anker gegaan in afwachting van slecht weer, om dan ongemerkt te kunnen ontsnappen via de Straat Denemarken. Lütjens maakte een fout door de Bismarck de reeds verbruikte stookolie niet te laten bijbunkeren; alleen de Prinz Eugen die een kleinere actieradius had, bunkerde stookolie bij.
miniatuur|De Bismarck voor anker in de Grimstadfjord. miniatuur|De HMS Hood op 24 mei gefotografeerd vanuit een Coastal Command Hudson vliegtuig