thumb|De Amsterdamse motorwagen 144 met bijwagen 731 bij het Haarlemmermeerstation. thumb|De Amsterdamse motorwagen 236 op de Electrische Museumtramlijn Amsterdam in 1976. thumb|De Amsterdamse motorwagen 1236 (ex-236) met bijwagen 748 in de Roetersstraat. thumb|De Amsterdamse motorwagen 307 met bijwagen 792 in de Havenstraat bij het Haarlemmermeerstation. thumb|De Amsterdamse motorwagen 401 op de Electrische Museumtramlijn Amsterdam in 1976. thumb|De Amsterdamse motorwagens 301 (ex-1, ex-GTU 75) en 401 op de Electrische Museumtramlijn Amsterdam bij het Haarlemmermeerstation; 3 juli 1982. thumb|De Amsterdamse motorwagen 465 op de Electrische Museumtramlijn Amsterdam. thumb|De Amsterdamse drieasser 533 bij het Haarlemmermeerstation. thumb|Amsterdams drieasser tramstel 909 + 987 op de Amstelveenseweg / Stadionplein; 28 september 2025. thumb|Amsterdamse gelede wagens: enkelgelede wagen 586 als museumtram in de oorspronkelijke grijze kleur en dubbelgelede wagen in het geel. Van deze serie is de 709 als museumtram bewaard. thumb|Enkelgelede wagen 586 (type 2G) na opknapbeurt weer in dienst, op de Touristtram, Plantage Kerklaan; 31 juli 2016. thumb|Dubbelgelede wagen 602 (type 3G) op de Amstelveenseweg. thumb|Motorwagen 330 is voorzien van een dieselaggregaat en doet dienst als rangeerwagen; sinds 2023 als werkwagen H47. thumb|Railreiniger GVB Rr3 op de Stadhouderskade / Hobbemastraat.; 28 september 2025. thumb|Mack-kraanwagen GVB 75 op de Olympiaweg; 28 september 2025. thumb|De enige nog bestaande Amsterdamse paardentram als RETM 404 in Rotterdam. thumb|De Amsterdamse motorwagen 474 is sinds 1981 onderdeel van de tramcollectie van het East Anglia Transport Museum (Engeland). thumb|De Amsterdamse motorwagen 903 in de remise van de Tramlijn Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem. Ernaast de Haagse motorwagen 274. Beide trams zijn afkomstig van de Elektrische Museumtramlijn Amsterdam. thumb|Reportage van het Polygoonjournaal uit juni 1975 over het 75-jarig bestaan van het GVB met o.m. de inzet van een motorwagen 236 uit 1913 en de paardentram.

In Amsterdam is in de tweede helft van de 20e eeuw een uitgebreide collectie museumtrams opgebouwd. Het bewaren van oud trammaterieel is in Amsterdam grotendeels een particulier initiatief. Wel werd vanaf de jaren zeventig samengewerkt met het Gemeentevervoerbedrijf Amsterdam (GVB). De Electrische Museumtramlijn Amsterdam beheert deze trams. Hieronder een overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen, zonder pretentie van volledigheid.

De eerste pogingen Met de buitendienststelling van oud trammaterieel ontstond vanaf de jaren veertig bij diverse tram-belangstellenden de wens om een enkele vertegenwoordiger van afgevoerde tramtypen voor het nageslacht te behouden. De eerste initiatieven werden in de jaren na de Tweede Wereldoorlog genomen. In 1948 werd al gepoogd om een der af te voeren open bijwagens (nr. 595) voor museumdoeleinden te bewaren. Deze poging liep toen op niets uit. Beter verging het Union-motorwagen 28, die in 1950 verhuisde naar het toen pas opgerichte Nederlands Tram Museum te Weert. Deze tram werd in 1962 alsnog gesloopt. Wel bewaard bleef Union-motorwagen 144, die in 1950 voor sloop gespaard werd om vanaf 1956 opgesteld te worden in het Nederlands Spoorwegmuseum te Utrecht, waar deze tot 1990 zou blijven. In de jaren vijftig gingen nog enkele Amsterdamse trams naar Weert en dankzij dit vroege initiatief zijn motorwagen 307 en de bijwagens 663 (NZH B32) en 946 bewaard gebleven.

Het Gemeentevervoerbedrijf zette in 1960/'61 wel de motorwagens (1)236 en (30)1 (ex-GTU 75), twee van de laatste vertegenwoordigers van respectievelijk de Grootbordesmotorwagens en de Utrechters, apart. Tussen 1957 en 1962 werden de laatste nog in Amsterdam aanwezige Unions nog gesloopt, terwijl van de kleine middeninstapbijwagens (881-900) de laatste exemplaren in 1958 werden afgevoerd. Ook van de series motorwagens 391-395 en 476-490 bleef niets bewaard.

Tramweg-Stichting Toen in 1967 als gevolg van de aflevering van een grote serie dubbelgelede wagens het einde zou te komen van de laatste nog dienstdoende tweeassers namen particulieren binnen de in 1965 opgerichte Tramweg-Stichting het initiatief om enkele trams te bewaren met het doel om hiermee in de toekomst ook in een trammuseum te kunnen gaan rijden. Wegens ruimtegebrek in de remises van het Gemeentevervoerbedrijf moesten deze trams echter uit Amsterdam vertrekken en zo gingen in het najaar van 1967 motorwagen 401, bijwagen 908 en acht grootbordesbijwagens naar Bovenkarspel. Ook de voornoemde motorwagens 236 en 301 gingen deze weg.

Twee jaar later kwamen de elf ontheemde trams naar Hoorn waar inmiddels een werkplaats was die het startpunt vormde van de Stoomtram Hoorn-Medemblik. In 1968-'70 kwamen nog enkele trams uit Amsterdam en ook uit Weert (307 en 663), zodat er in 1970 vijftien Amsterdamse trams in Hoorn in de open lucht stonden. Ook kregen twee trams (454 en 946) in 1968 onderdak bij de Rotterdamse tram.

Terug naar Amsterdam Het Gemeentevervoerbedrijf zelf had vanaf 1970 een overgebleven tweeassig tramstel (464 met 721) gereserveerd voor gezelschapsvervoer. Als reserve fungeerde motorwagen 467 die later ook beschikbaar was. In 1971 konden de eerste drie opgeknapte trams (236, 748 en 757) weer terugkeren in Amsterdam om mee te rijden in een tramoptocht ter gelegenheid van het veertigjarige bestaan van de NVBS. Twee jaar later kwamen ook de 301 en 401 voor restauratie terug naar Amsterdam, waar zij nu wel onderdak kregen bij het Gemeentevervoerbedrijf, in de Remise Lekstraat. Dit hield verband met het naderende 75-jarig jubileum van de Amsterdamse tram dat in 1975 groots gevierd zou gaan worden.

De Museumtramlijn Naast ritten met passagiers op het stadsnet en een grote tram- en busoptocht werd ook de eerste fase van de latere Electrische Museumtramlijn Amsterdam bij het Haarlemmermeerstation gerealiseerd. In een in 1973 aangekochte loods konden in 1973-'75 de meeste elders verblijvende Amsterdamse museumtrams onder dak gebracht worden. Dit werd de remise Karperweg, uitvalsbasis van de Museumtramlijn. Bij de opening van de Museumtramlijn in september 1975 waren in Amsterdam zes motorwagens (236, 301, 307, 401, 454, 465) en dertien bijwagens (663, 731, 748, 754, 757, 766, 778, 792, 807, 816, 820, 822 en 946) aanwezig. Alleen de 144 stond nog in Utrecht en de 739 in Weert.

Vanaf de opening van de Museumtramlijn werden ook trams uit andere steden ingezet (zie elders in dit artikel).

Verdere uitbreiding Na 1975 werd de collectie Amsterdamse museumtrams in 1977 nog uitgebreid met een drieassig stel in de niet verbouwde vorm (533 en 987), in de jaren tachtig kwamen hier nog enkele motor- en bijwagens bij (o.a. 891, 903, 909, 958, 961, 968). Ook diverse werkwagens werden aan de collectie toegevoegd. Genoemd kunnen worden: de pekelmotorwagens (o.a. P7, H41), rangeermotorwagen R1 (ex-321), railreinigers Rr2 en Rr3 en sneeuwvegers Sv1 en Sv2. Ook de oudste nog bestaande Amsterdamse tram, de bakwagen H2 (gebouwd in 1918 op een onderstel uit 1900) bleef bewaard. Uit pekelmotorwagen H47 werd een dieselelektrische rangeermotorwagen verbouwd, die het oude nummer 330 kreeg; later weer terugvernummerd in H47.

In de jaren zeventig en tachtig werden rijvaardig gerestaureerd (onder andere) de volgende trams: 236, 301, 401, 454, 465, 533, 731, 748, 792, 807, 916, 946 en 987. Bijwagen 766 vertrok naar Scheveningen en werd daar verbouwd tot bijwagen B37 in NZH-stijl, kwam in 2021 terug uit Den Haag naar Amsterdam staat nu in Aalsmeer. De 757 ging naar het trammuseum te Wehmingen (Duitsland).

Een van de grootste lacunes in de Amsterdamse museumtramcollecte was het ontbreken van een open bijwagen. Hierin werd in 1990 voorzien door de nieuwbouw van een replica die het nummer 600 kreeg. De in 1989 verworven motorwagen 470 werd in 1991 terugverbouwd tot bijwagen 916. In 1990 keerde ook Union-motorwagen 144 terug in Amsterdam. Inmiddels was in 1986 de wagenbak van Union-motorwagen 72, die 35 jaar als schuur had dienstgedaan, uit Vijfhuizen (Haarlemmermeer) gerepatrieerd, met de bedoeling hier weer een rijvaardige motorwagen uit te restaureren.

Eeuwfeest elektrische tram Het eeuwfeest van de Amsterdamse elektrische tram in 2000 gaf nog eens een stimulans om enkele trams rijvaardig te maken. Zo reed de 144 in september bij de grote tramoptocht voor het eerst in een halve eeuw weer op eigen kracht. Op 24 april 2011 werd deze in dienst gesteld op de Electrische Museumtramlijn.

In de jaren na 2000 werd (onder andere in Den Haag) restauratiewerk verricht aan de 72, 307 en 663, die nu rijvaardig zijn. De 307 en 663 werden na voltooiing van de restauratie op 10 mei 2009 officieel in dienst gesteld, 59 resp. 61 jaar nadat zij buiten dienst waren gesteld. De 72 werd in verband met het jubileum van de Haagse tram in 2004 in de uitvoering van de HTM 2 gebracht. In april 2009 verscheen deze tram voor het eerst weer als Amsterdamse 72, in de oorspronkelijke uitvoering van 1903, (in Den Haag) op straat. Met deze projecten houdt zich de Stichting TramWerk bezig. Op 18 september 2010 reed de Union-motorwagen 72 voor het eerst sinds 1950 weer in Amsterdam. Bijwagen 754 werd tussen 2020 en 2025 in Haarlem gerestaureerd. Motorwagen 468 kwam na een jarenlange opknapbeurt in maart 2026 weer in gebruik.

De Amsterdamse railreiniger Rr3 ging in 2004 naar de Tramlijn Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem en werd na restauratie in 2006 rijvaardig in dienst gesteld voor het doel waarvoor deze is gebouwd: het schoonhouden van de rails.

Gelede wagens Inmiddels gingen ook de oude gelede wagens uit de jaren vijftig, zestig en zeventig buiten dienst. Tussen 1996 en 2004 werden voor museumdoeleinden van de verschillende subseries telkens een of twee exemplaren bewaard, dit betrof de 586, 869, 602, 665, 709, 734 en 776.

Op 8 juni 2011 keerde gelede wagen MPK 800 (ex-GVB 615) terug uit Poznan. Deze bleef in de groene MPK-kleur van Poznan bewaard in Amsterdam. Op 14 februari 2023 vertrok deze weer naar Poznan.

De Amsterdamse gelede wagen 794 werd op 19 augustus 2016 aan de collectie toegevoegd.

Op 14 juni 2021 werden de gelede wagens 820 en 919 aan de collectie toegevoegd.

Ondanks de (onderdak)problemen en vele andere obstakels is in de afgelopen halve eeuw toch een aardig representatieve collectie Amsterdamse museumtrams bewaard gebleven, zij het versnipperd en verspreid over diverse locaties en organisaties. Een aantal van deze trams is rijvaardig aan te treffen op het Amsterdamse tramnet en/of de Electrische Museumtramlijn Amsterdam.

Niet-Amsterdamse trams Naast de uit Amsterdam afkomstige museumtrams zijn er sinds 1975 ook trams uit andere steden bij de Museumtramlijn terechtgekomen. Dit betreft trams uit onder andere Den Haag, Rotterdam, Utrecht - Zeist (NBM), Groningen, Kassel, Wenen, Graz, Boedapest en Praag. In de loop der jaren gingen diverse trams weer naar elders. Tussen 2002 en 2026 zijn bijna alle buitenlandse trams weer vertrokken uit Amsterdam.

De Groningse wagen is niet origineel, maar een uit Den Haag afkomstige vrijwel gelijksoortige wagen met hetzelfde bouwjaar in Gronings uiterlijk gebracht. In tegenstelling tot destijds in Groningen, waar de tram op meterspoor reed rijdt de huidige GTG 41 op normaalspoor.

Ook met enkele niet-Amsterdamse trams kan een ritje op de Museumtramlijn gemaakt worden.

Tramweg-Stichting koopt boedel AOM