Kabbala (Hebreeuws: קַבָּלָה 'overlevering/receptie/ontvangen (traditie)', van qbl, 'ontvangen') is een vorm van joodse mystiek of esoterie die binnen rabbijnse kringen ontstond in het twaalfde-eeuwse Europa. Deze mystiek wordt gekenmerkt door een filosofische of theosofische benadering van God, een symbolische benadering van de kosmos, theürgische trekken, en een rituele weg die zou leiden tot een mystieke ervaring van God, verdrijving van het kwaad uit de wereld of inzicht in de schepping. Kabbala vormt een wezenlijk deel van het chassidische jodendom en was van invloed op de vroegmoderne westerse esoterie.

Ontwikkeling Invloeden Joodse mystiek ontstond in de eerste eeuwen, maar raakte niet wijdverbreid. Hoe de vroegste kabbala zich ontwikkelde, is onduidelijk. In de vakliteratuur is veel gediscussieerd over de mogelijke invloed vanuit de gnostiek en het katharisme (dat bloeide in Zuid-Frankrijk), maar dit blijft onbewezen. Geleerden uit de renaissance alsmede moderne onderzoekers vermoedden wel neoplatonische en islamitische invloed. Mogelijk is ook sprake van zoroastrische invloed door de voorstelling van het kwaad. Tevens vertonen de vroegste kabbalistische kringen overeenkomsten met esoterische kringen van de joodse Hasidey Ashkenaz of 'Vromen van Duitsland'.

Middeleeuwen Het woord kabbala betekent "dat wat ontvangen is", "traditie"Coudert, A.P. (1995): A preliminary note on the Kabbalah, in: Leibniz and the Kabbalah. The International Archives of the History of Ideas Nr 142. Dordrecht: Kluwer pdf. Gearchiveerd op 4 mei 2022. en verwees vanaf de 2e eeuw in de Talmoed (de Avot) naar ontvangen traditie, met name van halachische zaken. Kabbala als mystieke stroming die zich profileerde als een geheime, esoterische traditie ontstond in Noord-Spanje en Zuid-Frankrijk (met name de Provence) in de 12e en 13e eeuw. Kabbala werd toen de benaming. De eerste verwijzing stamt uit de Provence, tweede helft 12e eeuw. Kabbalisten verwezen naar zichzelf met benamingen als 'zij die weten', 'zij die de geheimen van de taal kennen' en 'zij die de traditie kennen'. Kabbalisten zelf beriepen zich dus op een vermeende eeuwenoude traditie, niet op eigen creativiteit. Tevens beschouwden ze kabbala als één waarheid. Moderne onderzoekers beschouwen kabbala daarentegen als een middeleeuwse uitvinding die bestond (en bestaat) uit verschillende stromingen.

Kabbalisten beschouwden zichzelf doorgaans niet als mystici. Ze waren in de eerste plaats exegeten, theologen en predikers. Verscheidene halachische autoriteiten waren goed onderlegd in de kabbala, maar schreven er relatief weinig over, om de kennis geheim en besloten te houden. Vrij vroeg ontstond het idee dat mystiek beoefenen potentieel gevaarlijk was en voorbehouden moest blijven aan goed ontwikkelde en onderlegde personen. In de middeleeuwen betekende dat rabbijnen, getrouwde mannen van minstens veertig jaar. De studie van de kabbala vond plaats in besloten kring door een leerling onder begeleiding van een leraar.

De eerste kabbalistische tekst verscheen begin 13e eeuw van de rabbijn Isaak de Blinde (Yitshaq Sagi Nahor) in de Provence. Dit was vooral een commentaar op de 3e-eeuwse Sefer Jetzirah ('boek van de schepping'). Dit is een niet-kabbalistisch, kosmologisch traktaat waarin de schepping wordt voorgesteld als ontstaan door woorden van God en Zijn manipulatie van tien getallen (sefirot) en de 22 letters van het Hebreeuwse alfabet; deze worden aangeduid als 'poorten' of 'wortels', waaruit alles ontstaan is. Al dan niet in de kring rond Isaak de Blinde verscheen toentertijd de Sefer ha-bahir ('boek van helderheid', circa 1185), onterecht toegeschreven aan een 2e-eeuwse mysticus. De kabbalistische ideeën ervan gaan terug op bronnen die onbekend zijn.

In de eerste helft van de 13e eeuw kwam de kabbala kortstondig tot bloei in Girona in Catalonië onder rabbijn Mosjé ben Nachman. Hij combineerde noties van de Provençaalse school en de Sefer ha-bahir en legde zo de basis voor de verdere ontwikkeling van de kabbala.

Vervolgens bloeide de kabbala op in Castilië met mystieke teksten van denkers als Abraham Abulafia (1240–1291) en vormen zich enkele kabbalistische strekkingen.

Vervolgens verscheen in de late 13e eeuw een derde belangrijke bron voor de kabbala, de Zohar (stralende, schitterende), die in Noord-Spanje werd samengesteld door Moses de Léon, die hem echter toeschreef aan de wijsgeer Shimon bar Yochai. Het werk is een compilatie van kabbalistische teksten. Door de erop volgende commentaren en imitaties werd de Zohar canoniek.

De rabbijn Jozef Gikatilla was een leerling van achtereenvolgens Abulafia en Mozes de Léon. Hij schreef de invloedrijkste samenvatting van de kabbalistische doctrines, de Shaarey Ora ('De poorten van het licht').

Vroegmoderne tijd en Luriaanse kabbala In de 15e eeuw werden de joden in Spanje vervolgd. Dit was van invloed op het groeiende messianisme in de kabbala en de toenemende populariteit daarvan in joodse kringen. Nadat de joden uit Spanje werden verdreven in 1492, raakte kennis van de kabbala verbreid in met name Noord-Afrika, Italië en de Levant. De kring rond Mozes de Léon werd de invloedrijkste. In de nu verspreide gemeenschappen maakte de Zohar een doorgaans belangrijk deel van de traditie uit. De eerste generatie bannelingen produceerde betrekkelijk veelvuldige maar eclectische teksten over de kabbala met als doel overleveringen veilig te stellen. Toch werden ook pogingen ondernomen om speculatieve systemen uit te bouwen. Sommige strekkingen legden zich toe op het zoeken naar diepere betekenissen in de Thora, andere streven naar extatische ervaringen.

In de 16e eeuw groeide de kabbala uit van versnipperde esoterische kringen naar een belangrijke stroming in de joodse cultuur. Belangrijk centra voor de beoefening van kabbala werden Jeruzalem en - vanaf 1540 - Safed in Palestina. Daar speelden Yosef Karo, Shelomoh ha-Levi Alkabets en Mosheh Cordovero een sturende rol in de ontwikkeling van de kabbala. Cordovero werd beïnvloed door Abraham Abulafia's werk, dat wel ingang vond in het Midden-Oosten. Cordovero schreef een samenvattend overzicht van alle kabbalistische variëteiten, Pardes rimmonim (1548). Hun volgelingen publiceerden werken die ook waren bedoeld voor een breder publiek. In Palestina werd de extatische kabbala gecombineerd met de theürgische, wat via Mosheh Cordovero's Pardes rimmonim mede de kabbalistische hoofdstroom ging vormen.

Eveneens in de 16e eeuw ontstond de luriaanse kabbala: In Safed, Israël werd Isaac Luria (1534–1572), een leerling van Mosheh, een van de bekendste joodse mystici van zijn tijd. Luria baseerde zich sterk op de Zohar. De twee belangrijkste aspecten van zijn denken waren gilgul (reïncarnatie) en tikkun (universele verlossing), die hij samen als basis zag voor een onweerlegbare theodicee. Volgens hem ontstond de wereld toen de alomtegenwoordige maar imperfecte Ein sof zich terugtrok van een bepaalde plaats, zodat een bijna-leegte ontstond. De reden van de terugtrekking was om de Ein sof te zuiveren van het onwenselijke 'potentieel andere', dat achterbleef in de lege plaats. Dat potentieel andere zou door goddelijk licht opgeheven moeten worden, maar er gaat iets mis. Het potentiële wordt actueel, en een aan Ein sof tegengestelde wereld (met daarin het kwaad) ontstaat. Vonken van het goddelijke licht bleven gevangen in deze lagere wereld. Ein sof wilde het dualisme tevergeefs herstellen door onder andere de sefirot te emaneren, die resulteerden in de fysieke wereld. Het dualisme bleef niettemin bestaan. Het is de taak van de kabbalist om de harmonie te herstellen door zich volledig te onderwerpen aan de normen van goed gedrag en door religieuze perfectie na te streven. Zo zou hij de vonken van goddelijk licht bevrijden. De vonken voeden het kwaad, en niets kan bestaan zonder het licht, dus de vonken bevrijden is de weg tot harmonie. Alle materie is bezield en ieder mens heeft een taak in het herstel van de oorspronkelijke perfectie van de wereld.

Luria's kabbala genoot de volgende eeuwen grote populariteit. Hoewel doorontwikkelde strekkingen van kabbala ontstonden, is thans de luriaanse kabbala de standaardversie in het onderwijs (de yeshivot). In de 18e eeuw ontstond het chassidische jodendom, dat zich sterk verbreidde over Oost-Europa, en waar de luriaanse leer een wezenlijk onderdeel van uitmaakte.

De reputatie en betekenis van kabbala veranderde in de vroegmoderne tijd. De associatie daarvan met magie werd versterkt door de publicatie van joodse heiligenlevens in met name de 16e eeuw, waarin joodse denkers als Maimonides (zelf geen kabbalist) en Nachmanides allerlei wonderwerken met behulp van kabbalistische magie werden toegeschreven.

In Italië werd Abraham Abulafia's werk vertaald in het Latijn, wat resulteerde in de ontwikkeling van christelijke kabbala tijdens de Italiaanse renaissance door esoterici als Giovanni Pico (1463–1494). Pico leerde daarvoor Hebreeuws maar gebruikte ook vertalingen van de bekeerde jood Flavius Mithredates. Pico en andere christenen zoals Johannes Reuchlin associeerden kabbala met universele wijsheid, magie en Griekse filosofie. Volgens Pico kon de christelijke waarheid bijvoorbeeld worden gedemonstreerd met magie en kabbala. Reuchlins De Arte kabbalistica (1516) werd een standaardwerk voor geïnteresseerde christenen. Westerse denkers als Giordano Bruno en Gottfried Leibniz werden beïnvloed door de kabbala. De vroegmoderne ontwikkelingen resulteerden dus in twee verschillende kabbala's, namelijk de joodse en de christelijke, die van elkaar verschillen.

Deelaspecten miniatuur|Een Latijnse vertaling van de Shaarey Ora ('De poorten van het licht'), een invloedrijke weergave van de kabbalistische wereldbeschouwing, geschreven door Jozef Gikatilla, 13e eeuw.

Ein sof Ein sof is de aanduiding voor het goddelijke in de joodse filosofie en kabbala, voortgekomen uit negatieve theologie (beschrijving van wat God niet is). Het begrip betekent 'oneindig' en verwijst naar het goddelijke dat perfect, onveranderlijk, oneindig en niet antropomorf is. Tevens staat het buiten de tijd en kan het niet beschreven worden met taal. Hoe iets kan ontstaan uit het eeuwige en onveranderlijke, kan volgens de kabbala dankzij de sefirot, die uit de Ein sof emaneren. Ein sof wordt dan ook gezien als een voortdurende bron van goddelijk licht (shefa) die het bestaan van de dingen – sefirot, hemel, aarde etc. – mogelijk maakt. Voor bestaan in het algemeen is dus permanente emanatie van licht nodig uit Ein sof. Deze notie van emanatie is van neoplatonische oorsprong.

Sefirot miniatuur|De tien sefirot of aspecten van god, soms voorgesteld als antropomorfisch figuur. De kosmos werd volgens de Talmoed en Midrasj geschapen en in stand gehouden door twee goddelijke krachten, genade en onverzettelijk oordeel. Elders worden dat tien logoi of 'woorden'. In de klassieke Sefer Jetzirah zijn het tien sefirot (ev: sefira, 'getal'), een soort metafysische getallen als natuurbeginselen die emaneren uit Ein sof. Voor kabbalisten bestond de goddelijke wereld uit Ein sof en de tien aspecten (als emanaties) daarvan. In verschillende bronnen worden die geduid als attributen, vermogens, graden en vooral sefirot.