Buidelkikkers (Gastrotheca) zijn een geslacht van kikkers uit de familie Hemiphractidae.

Buidelkikkers zien eruit als gewone kikkers, maar hun vorm van broedzorg is zeer opmerkelijk en niet te vergelijken met die van de meeste andere kikkers. Als het vrouwtje haar eitjes afzet, worden deze door het mannetje met de achterpoten in een huidflap op haar rug gebracht, waarna hij ze bevrucht. De eieren en de hieruit komende larven worden vervolgens een tijdje door het vrouwtje meegedragen in de broedzak op de rug. Bij sommige soorten blijft het nageslacht net zo lang in de broedzak tot de larven volledig zijn ontwikkeld tot kleine kikkertjes. Bij andere soorten komen de larven tevoorschijn, die zich in het water verder ontwikkelen en metamorfoseren.

Alle soorten leven in tropische regenwouden in Midden- tot noordelijk Zuid-Amerika, van Costa Rica en Panama tot delen van Brazilië en Argentinië. Buidelkikkers zijn meestal bodembewoners, die leven in de strooisellaag van bossen. Sommige soorten worden met uitsterven bedreigd, omdat ze een klein en kwetsbaar verspreidingsgebied hebben. Andere soorten komen daarentegen in een groot gebied voor en zijn juist erg algemeen.

Naamgeving De Nederlandstalige naam buidelkikkers slaat op de huidzak op de rug van de vrouwtjes, waarin de eieren worden meegedragen. Ook in andere talen wordt een dergelijke naam gebruikt, zoals het Engelse 'marsupial frog'.

Sommige soorten hebben eveneens een wetenschappelijke soortnaam die naar de broedzak verwijst, zoals die van de buidelkikker (Gastrotheca marsupiata), dat letterlijk 'broedbuidel' betekent. De wetenschappelijke soortnaam van de reuzenbuidelkikker (Gastrotheca ovifera) betekent letterlijk vertaald eier-dragend.

Verspreidingsgebied en habitat thumb|Verspreidingsgebied van alle buidelkikkers in het rood. Buidelkikkers komen voor in delen van Midden- en Zuid-Amerika. Ze leven precies rond de aanhechting van de twee continenten; in Midden-Amerika komen ze alleen voor in het zuiden en in Zuid-Amerika alleen in de noordelijke delen. De verschillende soorten komen voor in de landen Argentinië, Bolivia, Brazilië, Colombia, Costa Rica, Ecuador, Panama, Peru en Venezuela. Op de verspreidingskaart recht is het areaal weergegeven in het rood. Merk op dat niet het exacte verspreidingsgebied is weergegeven maar de landen waar de verschillende soorten voorkomen.

Buidelkikkers verschillen soms sterk wat betreft de grootte van het verspreidingsgebied en ook de hoogteverspreiding varieert per soort. De soort Gastrotheca fissipes bijvoorbeeld is alleen aangetroffen in laaglanden langs de oostkust van Brazilië tot een hoogte van 700 meter boven zeeniveau. De soort Gastrotheca dysprosita is slechts bekend van een enkele locatie op een noordhelling van de Cerro Barro Negro op een hoogte van 3370 tot 3440 meter boven zeeniveau. Gastrotheca ossilaginis is alleen bekend van twee locaties langs het meer Lago de Los Condores in noordelijk Peru op een hoogte tussen 3000 en 3100 meter boven zeeniveau. Van de soort Gastrotheca lauzuricae is slechts een enkel exemplaar bekend. Dit zogenaamde holotype werd op een locatie in het departement Cochabamba (departement) in Bolivia aangetroffen op een hoogte van 2800 meter boven zeeniveau. Ook Gastrotheca pachachacae is slechts bekend van een enkele locatie, in een nevelbos nabij Chinchay in Peru op een hoogte van 3050 boven zeeniveau. Soorten met een dergelijk klein verspreidingsgebied zijn aanzienlijk kwetsbaarder dan soorten die in een groot areaal voorkomen.

Habitat thumb|Veel buidelkikkers leven langs rivieroevers, afgebeeld is Gastrotheca litonedis. Alle soorten zijn bodembewoners die leven in tropische bossen. Buidelkikkers hebben een voorkeur voor op de bodem groeiende bromelia's en andere planten die een kelkvormige bladgroei hebben. Veel soorten komen voor in en rond de Andes, een bergketen met een gemiddelde hoogte van 4000 meter boven zeeniveau. Buidelkikkers leven bijna altijd in bergwouden hoewel er ook soorten zijn die in lagergelegen gebieden kunnen worden aangetroffen. De habitat bestaat uit nevelbossen, waar het vaak mistig is en de luchtvochtigheid altijd zeer hoog is.

De buidelkikker Gastrotheca trachyceps komt meestal voor in bosranden, en met name in de buurt van bosbeekjes. Deze soort wordt ook gevonden in páramo; een neotropisch alpine ecosysteem in het hoge deel van de Andes.

De biotoop is vaak dicht begroeid met planten, zowel op de bodem als hogere lagen. De leefomgeving van de buidelkikkers is permanent vochtig en relatief warm. De vele planten in de natuurlijke habitat worden door de kikkers gebruikt om zich in te verschuilen en om op prooien te jagen die in of onder de vegetatie leven.

Uiterlijke kenmerken thumb|Gastrotheca excubitor komt endemisch voor in Peru. Sommige buidelkikkers blijven vrij klein en andere worden juist vrij groot, afhankelijk van de soort. Een wat grotere soort is de gehoornde buidelkikker (Gastrotheca cornuta); de mannetjes kunnen iets langer dan acht centimeter worden. De verschillende soorten hebben een groene tot grijze of bruine lichaamskleur en hebben een typisch kikker-achtig uiterlijk. Veel soorten bezitten kleine of wat grotere langwerpige huidklieren op de rugzijde, deze kunnen zowel in de lengte als de breedte gepositioneerd zijn. Er zijn ook soorten met een vrij gladde huid, zoals Gastrotheca angustifrons. Veel soorten bezitten een duidelijk zichtbare dorsolaterale lijst, dit is een langwerpige huidklier die loopt van achter het oog tot de lies.

De ogen zijn relatief groot, de pupil is horizontaal en spleetvormig als er weinig licht is. Overdag kan de puil sterk worden vergroot en doet dan bijna rond aan. Ook de trommelvliezen of tympana zijn relatief groot en zijn vaak duidelijk te herkennen aan de afwijkende kleur.

De schedel van buidelkikkers is sterk verbeend, de huid is bij enkele soorten met de beenderen van de kop vergroeid. Dit is het geval bij de soorten Gastrotheca trachyceps en Gastrotheca nicefori. Veel soorten hebben verhoornde uitsteeksels op de kop die dienen ter versteviging of voor de camouflage. Dergelijke benige vergroeiingen worden wel exostosen genoemd. Buidelkikkers hebben tanden in de bek, zowel aan de voorzijde van de bovenkaak (premaxilla), aan het bovenkaakbeen of maxilla en het voorste deel van het ploegschaarbeen of prevomer.

Veel groepen kikkers zijn te herkennen aan de grootte van de zwemvliezen aan de vingers van de voorpoten en de tenen aan de achterpoten. Bij de buidelkikkers zijn de zwemvliezen tussen de vingers klein of ontbreken geheel. Die aan de tenen zijn vaak middelmatig ontwikkeld en reiken niet tot aan de teenpunten zoals van andere kikkers bekend is. Mannetjes hebben net als bij andere groepen van kikkers kleine bobbels op de duimen tijdens de voortplantingstijd. Deze worden wel paarkussentjes genoemd en dienen om een vrouwtje tijdens de paargreep of amplexus beter vast te kunnen houden. De paarkussentjes zijn bij mannetjes van de buidelkikkers donker van kleur. Mannetjes verschillen daarnaast ook van vrouwtjes omdat ze een keelzak hebben. Deze keelzak is aan de onderzijde van de kop gelegen en bestaat altijd uit een enkele structuur die soms aan de binnenzijde van de keel aanwezig is maar ook aan de buitenzijde gepositioneerd kan zijn.

Buidelkikkers zijn te verwarren met andere soorten kikkers, een voorbeeld zijn de vertegenwoordigers uit het geslacht Hemiphractus. Soorten uit deze laatste groep hebben echter zeer kleine zwemvliezen tussen de tenen, in tegenstelling tot de buidelkikkers. Sommige buidelkikkers zijn gemakkelijk van andere soorten te onderscheiden in een bepaald leefgebied. De gehoornde buidelkikker bijvoorbeeld heeft duidelijke driehoekige uitsteeksels boven de ogen en is in combinatie met de dwarsrichels op de rug niet met andere kikkers te verwarren.

Voortplanting en ontwikkeling thumb|Bovenzijde van vrouwelijke exemplaren van de soorten tandboomkikker (Gastrotheca guentheri) (links) en Gastrotheca plumbea (rechts). De openingen van de broedbuidels zijn rood omcirkeld. De mannetjes lokken de vrouwtjes door gebruik te maken van hun kwaakblaas. De lokroep van de mannetjes varieert per soort. De meeste soorten maken luide en hoge, pulserende geluiden die ver dragen. Buidelkikkers paren op de bosbodem en niet in het water zoals veel andere kikkers. Het vrouwtje zet de eieren af waarna het mannetje de eieren met zijn achterpoten in een opening van de huid van de rugzijde van het vrouwtje te manoeuvreert.

Paring Tijdens de paring positioneert het mannetje van de reuzenbuidelkikker Gastrotheca ovifera zich aan de achterzijde van het vrouwtje en houdt haar met zijn voorpoten vast aan weerszijden van de voorzijde van haar lichaam. Tijdens de bevruchting richt het vrouwtje haar achterpoten op, zodat haar lichaam naar beneden is gericht, vanaf de achterzijde bezien. Bij de buidelkikker (Gastrotheca marsupiata) draait het vrouwtje haar poten zodat de opening van de cloaca zich aan de bovenzijde bevindt. De rug van het vrouwtje wordt eerst bevochtigd door erop te urineren, dit kan zowel door het mannetje als het vrouwtje worden uitgevoerd. Het vrouwtje zet vervolgens de eitjes af in groepjes van een of twee die direct door het mannetje worden bevrucht. De omlaag gerichte lichaamshouding van het vrouwtje -die bij de reuzenbuidelkikker een hellingshoek heeft van ongeveer dertig graden- dient als het ware als glijbaan om de eieren makkelijk in de broedbuidel te transporteren na de bevruchting. Het mannetje van Gastrotheca marsupiata laat voorafgaand aan de afzet van de eieren een vloeistof in de broedbuidel lopen. Deze bevat waarschijnlijk de zaadcellen aangezien het mannetje tijdens de afzet van de eieren geen vloeistoffen meer produceert. Nadat de eieren zijn afgezet door het vrouwtje en in de broedzak zijn gestopt door het mannetje worden de eieren door hem bevrucht waarna de huidopening zich sluit en de eieren onder de huid komen te liggen.

Eieren Het aantal eieren dat door een vrouwtje wordt meegedragen verschilt sterk per soort. Sommige buidelkikkers produceren een groot aantal eitjes, een voorbeeld is de eerdergenoemde buidelkikker. De vrouwtjes kunnen meer dan 200 eitjes opslaan in de broedbuidel, die verdeeld worden in twee lagen. Van de soort Gastrotheca riobambae is bekend dat er meer dan 100 eieren in de broedzak kunnen worden aangetroffen. De reuzenbuidelkikker zet nog minder eieren af; ongeveer twintig per keer.

De vrouwtjes van Gastrotheca cornuta produceren een relatief klein aantal eitjes; uit waarnemingen blijkt dat ze zeven tot negen eieren dragen. Daar staat tegenover dat de eieren zeer groot worden, van 9,8 tot 12 millimeter. Hiermee heeft de kikker de grootst bekende eieren uit de amfibieënwereld.

De grootte van de eieren hangt duidelijk samen met het aantal dat wordt afgezet. De grootte van een ei wordt feitelijk bepaald door de grootte van de dooier van het ei; dus het voedselaanbod van de embryo's en later de larven. Als een dooier klein blijft, heeft de larve niet voldoende voedsel om zich volledig tot een klein kikkertje te ontwikkelen in de broedzak en moet het een tijdje in het water leven waar de metamorfose plaatsvindt. Ondanks het grotere aantal nakomelingen van dergelijke soorten staan de larven bloot aan de vele vijanden die in het water leven.

Broedzorg thumb|Buikzijde van een vrouwtje met zichtbare verdikkingen aan de rugzijde. Bij de meeste soorten ontwikkelen de embryo's zich in de broedbuidel in één keer tot kleine kikkertjes die beschikken over vier poten, een kikkerachtig lichaam en een grotendeels gedegenereerde staart. Bij deze soorten is er wel degelijk een larvaal stadium, het is alleen niet zichtbaar. Er zijn echter uitzonderingen, zoals de buidelkikker, waarbij larven verschijnen die een vrij zwemmend stadium kennen. Ze moeten dus afgezet worden in zoet oppervlaktewater om te overleven. Dit komt wel meer voor bij soorten die in hooggelegen berggebieden als de Andes leven.