thumb|Logo voor het Nederlandse depositogarantiestelsel dat gebruikt wordt in campagnes van De Nederlandsche Bank.
Een depositogarantiestelsel (DGS), kortweg de depositogarantie, biedt een bepaalde bescherming voor de tegoeden van de rekeninghouders als een bank failliet gaat. Alle lidstaten van de Europese Unie hebben op de een of andere manier een depositogarantiestelsel, om te voldoen aan Europese richtlijnen.
Het Nederlandse depositogarantiestelsel is geregeld in de Wet op het financieel toezicht, die op 1 januari 2007 van kracht werd, en het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft, § 6.4Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft, § 6.4. Depositogarantiestelsel. In België is een soortgelijke regeling van toepassing. Deze regeling wordt uitgevoerd door het Beschermingsfonds voor deposito's en financiële instrumenten.Beschermingsfonds deposito's en financiële instrumenten (België)
Europese rol Binnen Europa zijn nationale depositogarantiestelsels de afgelopen jaren steeds verder op elkaar afgestemd om regelgevende concurrentie en concurrentievervalsing tegen te gaan. Sinds eind 2010 is het dekkingsniveau voor de gehele Europese Unie vastgesteld op € 100.000. Elk land moet die garantie zelf kunnen waarmaken. Verder is de uitbetalingstermijn aan depositohouders verkort van drie maanden naar maximaal 20 werkdagen.
Doel De reden dat het stelsel van toepassing is op banken is dat deze kunnen worden geconfronteerd met een snelle opname van tegoeden (bankrun). Het doel van het stelsel is hierbij tweeledig: het voorkomen dat een bankrun optreedt en het beschermen van houders met een relatief klein deposito indien een bank failleert.
Het depositogarantiestelsel is niet van toepassing op verzekeraars, dus het beschermt geen "spaartegoeden" in de vorm van kapitaalverzekeringen, lijfrenten, pensioenen, en dergelijke, omdat een situatie als bovengenoemd bij een verzekeraar niet in dezelfde mate kan optreden, aangezien bij verzekeraars meestal sprake is van langlopende wederzijdse verplichtingen. Het is wel van toepassing op tegoeden in het kader van banksparen.
Situatie in Nederland Voor volledige zekerheid mag het tegoed, inclusief de bijgeschreven rente en de opgebouwde, maar nog niet bijgeschreven rente, niet meer dan €100.000 zijn.
Geschiedenis De Nederlandse Wet op het financieel toezicht werd van kracht op 1 januari 2007. Daarmee verviel de Collectieve Garantieregeling (met een dekking van € 20.000) en het Besluit van 12 oktober 2006, houdende regels met betrekking tot verscheidene bijzondere prudentiële maatregelen, het beleggerscompensatie- en het depositogarantiestelsel op grond van de Wet op het financieel toezicht (Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft).
Sinds het in werking treden van de Wet op het financieel toezicht (1 januari 2007) is de bescherming als volgt geregeld: Tot oktober 2008: De eerste € 20.000 was voor 100% gegarandeerd, de volgende € 20.000 voor 90%; effectief betekent dit bij een tegoed boven € 20.000 dat € 38.000 was gegarandeerd. Met ingang van oktober 2008 (tijdelijk): De eerste € 100.000 is voor 100% gegarandeerd. Deze regeling was in beginsel tijdelijk maar werd – in afwachting van een Europees garantiestelsel – verlengd tot 31 december 2010.Het Financieele Dagblad, Bos verlengt depositogarantiestelsel tot 2010, 10 maart 2009 De regeling is verlengd tot 1 juli 2013, daarna zal alleen de financiering anders zijn.
Financiering (Nederland) Ex post In beginsel betalen de andere banken gezamenlijk het stelsel. Wanneer De Nederlandsche Bank (DNB) het depositogarantiestelsel in werking stelt, keert DNB die vergoedingen uit aan de depositohouders. Vervolgens worden deze vergoedingen omgeslagen over de overige deelnemende banken. Hiermee wordt het depositogarantiestelsel ex post gefinancierd: eerst na de inwerkingstelling van het depositogarantiestelsel wordt van de overige banken verlangd dat zij een bedrag betalen aan DNB.Ministerie van Financiën: Ontwerp-Besluit over het nieuwe depositogarantiestelsel, betreft een wijziging van het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft, met toelichting, 30 maart 2012; https://zoek.officielebekendmakingen.nl/dossier/33227
Bij een faillissement van een van de grootste banken (een systeembank) zouden de bijdragen van de overige banken voor hen te zwaar te zijn. De overheid probeert mede daarom zo'n faillissement te voorkomen.
Ex ante Op 30 maart 2012 heeft het Ministerie van Financiën een voorstel ingediend het garantiestelsel zodanig te hervormen dat het stelsel ex ante gefinancierd wordt, waarbij de bijdrages mede afhankelijk zijn van het risicoprofiel van de banken. De invoering is uitgesteld tot 1 juli 2013. Banken die dan een Nederlandse bankvergunning hebben betalen vanaf die datum bijdragen aan het depositogarantiefonds. Zij bouwen in beginsel in vijftien jaar tijd een fonds op met een omvang van 1% van de gedekte deposito’s. Dit fonds wordt beheerd door een stichting met de naam Stichting depositogarantiefonds. Ultimo september 2009 werd ongeveer € 390 miljard aan deposito’s gedekt door het depositogarantiestelsel, dit impliceert een fonds van circa € 4 miljard. Ex ante financiering heeft een aantal voordelen: De uiteindelijk faillerende bank betaalt mee aan het depositogarantiestelsel, iets dat onmogelijk is onder ex post financiering. De geloofwaardigheid voor de depositohouders wordt bevorderd: zij weten dat er daadwerkelijk geld wordt gespaard, zodat er meer zekerheid bestaat dat zij een vergoeding ontvangen. Het helpt in het spreiden van de kosten van het depositogarantiestelsel over de tijd; banken behoeven minder te betalen op het moment dat een bank daadwerkelijk failliet gaat. Het is effectiever om risicogedifferentieerde premies te hanteren, omdat zij vooraf al een sturende werking hebben.
Met betrekking tot het laatste punt worden de banken op basis van vier indicatoren ingedeeld in een risicocategorie. Afhankelijk van de uitkomst betaalt een bank een risico-opslag van 0%, 25%, 50% of 100% van het basisbedrag.Ministerie van Financiën, Antwoorden ivm de oprichting Stichting Depositogarantiefonds, 31 mei 2012, geraadpleegd op 14 oktober 2012 Een bank wordt door DNB in een risicocategorie ingedeeld door een gewogen gemiddelde te berekenen van de volgende vier indicatoren: de risicogewogen activa gedeeld door de totale activa (gewicht: 50%), de totale activa gedeeld door het Tier 1-kapitaal (25%), totale liquiditeit gedeeld door de totale activa (12,5%) en de totale liquiditeit gedeeld door de niet-gedekte deposito’s (12,5%). Deze som is de risicoscore op basis waarvan DNB een bank in een risicocategorie indeelt. De individuele scores per bank zullen overigens niet bekend worden gemaakt.
De banken betalen al mee aan de vorming van de fonds. Per medio 2024 moet het fonds de voorgeschreven omvang bereiken, namelijk 0,8% van de gegarandeerde deposito's in Nederland ofwel een bedrag van ongeveer € 5 miljard. Mocht het komen tot een uitkering ten laste van het fonds dan is een aanvulling noodzakelijk. Dit kan door betalingen uit de boedel van de failliete bank en door bijdragen van de banken.
De middelen in het depositogarantiefonds worden zeer veilig belegd, tegen een laag krediet-, rente-, en operationeel risico, zonder valutarisico en met hoge liquiditeit. Hierbij valt te denken aan tegoeden bij DNB en waardepapieren, luidende in euro, uitgegeven door een lidstaat van het eurogebied, met een looptijd of resterende looptijd van ten hoogste twee jaar en die snel verkocht kunnen worden. Aandelen behoren niet tot deze groep van waardepapieren.
Tijdens de behandeling werd nog geïnformeerd naar de mogelijkheid een maximale dekking van € 100.000 te halveren. Deze dekking is binnen EU verband vastgelegd en lidstaten kunnen daar niet van afwijken. Uit onderzoek van 2007 blijkt dat bij een dekking van € 50.000 87% van de depositos in Nederland volledig is gedekt en dat stijgt naar 94% bij een dekking van € 100.000.
Beschermde personen en instellingen Het depositogarantiestelsel beschermt naast natuurlijke personen ook rechtspersonen, maar per rechtspersoon voor geen hoger maximum dan per natuurlijk persoon (zie boven). Het stelsel beschermt ook Nederlanders en buitenlanders die bij een buitenlandse vestiging van een Nederlandse bank een tegoed hebben.Zie bijvoorbeeld de
Tegoeden Het gaat om tegoeden op betaal- en spaarrekeningen, en die in de vorm van obligaties op naam,Een tegoed op naam van obligaties aan toonder is niet hetzelfde als het bezit van obligaties op naam. inclusief de nog niet bijgeschreven rente tot het moment waarop de bank niet meer aan zijn verplichtingen kan voldoen. Valt rente ook onder de spaargarantie?
Er wordt geen rente vergoed vanaf dat moment tot het moment van uitkering.
Het depositogarantiestelsel is onder meer niet van toepassing op: deposito’s van depositohouders die zich niet hebben geïdentificeerd overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme instrumenten die vallen onder de definitie van eigen vermogen in de zin van de verordening kapitaalvereisten
Achtergestelde deposito's vallen daarom in het algemeen niet onder het depositogarantiestelsel. Echter, in het geval van DSB Bank heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven anders beslist: de achtergestelde deposito’s van DSB vallen er wel onder, omdat ze in enkele bijzondere gevallen buiten het geval van liquidatie van de bank vervroegd opeisbaar waren, en om die reden niet mochten worden beschouwd als behorend tot het garantievermogen van de bank. Dit wordt niet anders indien de bank bij het aanbieden van de deposito's de klanten erop gewezen heeft dat ze niet onder het depositogarantiestelsel zouden vallen, en ook niet door het feit dat DNB ze destijds gekwalificeerd heeft als lager aanvullend (“Lower Tier 2”) vermogen.
Schulden (van de klant) worden zo veel mogelijk verrekend met deze tegoeden. Resteert een tegoed dan wordt de vergoeding daarop gebaseerd.
Deze bedragen gelden per (rechts)persoon, voor alle bankrekeningen tezamen die iemand bij alle betreffende banken heeft die onder dezelfde vergunning vallen. Sommige banken zijn een dochter van een andere bank. De dochterbank kan een eigen vergunning hebben, maar de dochter kan ook gebruikmaken van de vergunning van de moederbank (voorbeeld MoneYou, dochter van de ABN AMRO). Als men zijn spaargeld verdeelt over meerdere bankrekeningen bij verschillende banken met verschillende bankvergunningen (bijvoorbeeld om per bankvergunning niet boven het gegarandeerde maximum uit te komen of om te voorkomen dat men, indien een bank omvalt, tijdelijk niet bij het hele spaartegoed kan) kan men bij fusie van deze banken hier toch boven komen. Dit knelt vooral als het geld niet vrij opneembaar is. De actuele lijst van banken met eigen vergunning is te raadplegen op de website van de Autoriteit Financiële Markten.
Procedure Wanneer een in Nederland gevestigde bank failliet gaat, zal DNB via de grote dagbladen rekeninghouders oproepen een verzoek tot terugbetalen in te dienen. Dit moeten de rekeninghouders binnen vijf maanden na publicatie doen. Binnen 15 werkdagen na de openstelling van het garantiestelsel, alleen in uitzonderlijke gevallen eenmalig te verlengen met maximaal 10 werkdagen, krijgen de rekeninghouders in principe hun geld terug bij banken die volledig onder het Nederlandse garantiestelsel vallen.DNB Depositogarantiestelsel, geraadpleegd op 23 februari 2019
Financiële instellingen De regeling is van toepassing als een onderneming is opgenomen in het register "Kredietinstellingen en financiële instellingen" dat uit hoofde van de Wft door De Nederlandsche Bank wordt bijgehouden.Nederlands register van kredietinstellingen en financiële instellingen