Bernardus Johannes Alfrink (Nijkerk, 5 juli 1900 – Nieuwegein, 17 december 1987) was een Nederlands aartsbisschop, kardinaal en metropoliet. Alfrink was aartsbisschop van Utrecht van 1955 tot zijn emeritaat in 1976, een periode waarin zich binnen de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland en daarbuiten grote veranderingen voltrokken. In het licht hiervan was Alfrink een overgangsfiguur, die zijn ambt aanvaardde in een tijd dat het kerkvolk nog hoog opkeek tegen zijn bisschoppen en het neerlegde toen het bisschoppelijk gezag voor niemand meer vanzelfsprekend was. Gedurende het Tweede Vaticaans Concilie, dat tijdens zijn episcopaat plaatsvond, was Alfrink als lid van het presidium een gezaghebbend concilievader die zich sterk maakte voor de bisschoppelijke collegialiteit. Na het concilie leidde hij in Noordwijkerhout het zogenaamde Pastoraal Concilie dat grote spanningen tussen Nederland en Rome tot gevolg had. Het vond plaats in het grootseminarie Leeuwenhorst.
In de Nederlandse kerkprovincie waren de verhoudingen intussen gepolariseerd: aan de ene kant stonden de progressieve en aan de andere kant de meer gematigde katholieken. Voor de eerste groep was Alfrink degene die uitzicht had geboden op allerlei moderniseringen in de Kerk. De tweede groep verweet Alfrink dat hij de crisis in de kerkprovincie niet naar behoren had aangepakt en de eenheid met Rome op het spel had gezet.
Alfrink was een kerkbestuurder van grote intellectuele allure, maar de groeiende tegenstellingen binnen de Kerk van Nederland gingen zijn macht te boven. Hij slaagde er niet in de uitersten te verzoenen. Hij was de vijfde in de lijst van kardinalen in Nederland, die begint met de enige Nederlandse paus Adrianus VI en diens kardinaal Willem van Enckevoirt, en na Willem Marinus van Rossum en Johannes de Jong, de derde kardinaal sinds het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853.
Jeugd en opleiding Bernardus was de jongste zoon in het gezin van timmerman-aannemer Theodorus Johannes Alfrink en diens vrouw Elisabeth Catharina Ossenvoort.Geboorte Bernardus Johannes Alfrink, 05-07-1900 aktenummer 127, 0207_G_3566 Nijkerk Burgerlijke stand Gelderland, dubbelen, Gelders Archief via wiewaswie.nl Zijn moeder overleed in 1901 bij de geboorte van zijn tweelingzusjes, die beiden overigens ook al na enkele maanden stierven. Bernardus werd de drie eerstvolgende jaren verzorgd door een kinderloze tante uit het naburige Barneveld. Pas op zijn vijfde keerde hij terug in het huis van zijn vader, die op 2 september 1903 hertrouwd was met Anthonia Gerarda Gerver.Huwelijk Anthonia Gerarda Gerver en Theodorus Johannes Alfrink, 02-09-1903 aktenummer 36, 0207_8521 Burgerlijke stand Gelderland, dubbelen, Gelders Archief via wiewaswie.nl
Na de lagere school ging Alfrink naar het kleinseminarie in Culemborg. In 1919 vervolgens naar het grootseminarie Rijsenburg. Hij werd op 15 augustus 1924 priester gewijd door aartsbisschop Henricus van de Wetering. Na zijn priesterwijding wilde Alfrink graag verder studeren. Hij had zijn zinnen op Rome gezet. In 1923 was echter de Katholieke Universiteit Nijmegen opgericht. Daarom leek het Van de Wetering beter wanneer Alfrink zijn studies aldaar zou voortzetten. Paus Pius XI gaf op 27 april 1924 het motu proprio Bibliorum Scientiam uit. Pius XI, Literae apostilicae motu proprio datae de disciplinae biblicae magistris, AAS 16, 1924, 180–182, Bibliorum Scientiam Hierin deed hij de oproep aan bisschoppen overal ter wereld om jonge priesterstudenten te selecteren met het doel hen in Rome aan het Pauselijk Bijbelinstituut te laten studeren. Aldus werd besloten dat Alfrink toch naar Rome kon afreizen.Ton H.M. van Schaik, Alfrink: een biografie, Amsterdam – Anthos – 1997, p. 87
Student te Rome miniatuur|links|Het Pauselijk Bijbelinstituut Alfrink studeerde bijna vijf jaar in Rome, terwijl hij verbleef in het priesterhuis van de Santa Maria dell'Anima.Gegevens over Alfrinks studietijd zijn ontleend aan Ton. H.M. van Schaik, op. cit., 91–113Het eerste jaar was hij hier convictor, dat wil zeggen: betalende gast. Daarna verdiende hij zijn kost en inwoning door als kapelaan zo nu en dan de mis te lezen, incidenteel een preek te houden en de biecht af te nemen.
Alfrink en de enige andere Nederlandse student in de Anima (een zekere Kersemakers uit Den Bosch) werden de Batavi genoemd. Ook door zijn opleiding tot Bijbelkenner voelde hij zich een beetje een vreemde eend in de bijt. Het merendeel van zijn collega-studenten was canonicus: zij bestudeerden het kerkrecht. Alfrinks eerste studiejaren te Rome werden getekend door het volgen van colleges en het afleggen van tentamina.
Alfrink had vrijwel dagelijks colleges op het Bijbelinstituut, dat in 1909 was opgericht door paus Pius X. Die oprichting had een tweeledige bedoeling: het bevorderen van de katholieke exegese van de Bijbel en het opleiden van toekomstige seminarieprofessoren ad optima principia catholicae interpretationis, naar de beste beginselen van de katholieke interpretatie. Het Instituut was daardoor vooral een lerarenopleiding.
Alfrinks meest geliefde docenten waren Alberto Vaccari en de latere kardinaal Augustin Bea. Vaccari doceerde de geschiedenis van de Bijbelexegese en van de tekstoverlevering. Bea was vooral een filoloog, die vlekkeloos Latijn sprak. In zijn colleges behandelde hij de modernste inzichten op het gebied van de tekstkritiek, ook van niet-katholieke wetenschappers.
Het Bijbelinstituut bezat het ius promovendi niet. Studenten die wilden promoveren konden daartoe terecht bij de Pauselijke Bijbelcommissie, een instelling die door paus Leo XIII in het leven was geroepen. Vanaf het studiejaar 1927–'28 kon Alfrink zich gaan toeleggen op het schrijven van zijn dissertatie, die zou handelen over de Babylonische en Israëlitische voorstellingen van het leven na de dood. Dit thema was niet zonder risico's, want het vergde vrijwel per definitie historisch-kritische studie, iets waar de katholieke Bijbelexegese niet zo dol op was.
In 1928 kreeg Alfrink de gelegenheid om een aantal maanden in Jeruzalem door te brengen, in het succursaalhuis van het Pauselijk Bijbelinstituut aldaar. Dit gaf hem tevens de gelegenheid om de heilige plaatsen te bezoeken en om zijn dissertatieonderzoek als het ware dicht bij de bron af te ronden. In de vroege zomer van 1929 kon Alfrink zijn proefschrift – Israelitische und Babylonische Jenseitsvorstellungen – aanbieden aan de Pauselijke Bijbelcommissie die het ius promovendi voor het Bijbelinstituut waarnam. De commissie keurde de dissertatie af omdat deze op enkele punten strijdig zou zijn met de katholieke leer. Volgens haar wekte de promovendus de indruk dat in het Oude Testament de ziel en het voortbestaan van de ziel na de dood werden ontkend, wat indruiste tegen de leer dat het lichaam sterfelijk is en de ziel onsterfelijk.J.Y.H.A. Jacobs, "Bernardus Johannes kardinaal Alfrink (1900–1987): gezaghebbend vanaf leerstoel en bisschopszetel" Trajectum 3 (1994) 155–170, 158 In Nederland werkte hij aan een nieuwe versie, waarop hij op 5 juni 1930 promoveerde.Op de oorspronkelijke tekst (van 333 bladzijden) schreef Alfrink in Nederland nog een supplement.
Kapelaan en hoogleraar miniatuur|De Heilig Hart- of Hartekerk in Maarssen, waar Alfrink kapelaan was In 1930 werd Alfrink door aartsbisschop Joannes Jansen benoemd tot kapelaan aan de parochie van de Heilig Hartkerk te Maarssen, met een tweeledig doel. Enerzijds wilde Jansen de jonge doctor er – voor zover dat nog nodig was – van doordringen dat gehoorzaamheid aan de bisschop van groter waarde is dan een academische carrière. Anderzijds werd het opdoen van pastorale ervaring, ook voor iemand die voorbestemd leek te gaan doceren, gezien als een nuttige aanvulling op het curriculum. In Maarssen bekommerde Alfrink zich om het grotendeels door Alfons Ariëns geïnitieerde katholieke verenigingsleven. Zijn pastoor was Antoon Rientjes (1881–1961), een nuchtere Sallander die zelf zijn kerkelijke loopbaan begonnen was als kapelaan in Jutphaas bij G. W. van Heukelum. Alfrink en Rientjes hadden een uitstekende werkrelatie. Zij preekten om de week en hielden elke zaterdag om beurten wacht bij de biechtstoel. Alfrink hield voor de rest van diens leven contact met Rientjes, die later plebaan van de Utrechtse kathedraal en oprichter van het St. Bernulphusgilde was. Rientjes was, naar aangenomen wordt, ook Alfrinks biechtvader.Ton H.M. van Schaik, op cit. 126–128
Alfrink doceerde vanaf oktober 1933 exegese aan het groot-seminarie Rijsenburg. De katholieken noemden het seminarie "Rijsenburg", hoewel het niet in Rijsenburg lag, maar op grondgebied van Driebergen stond. Toen "Rijsenburg" in de zomer van 1942 door de Duitse bezetter werd gevorderd, verhuisde het grootseminarie naar een kasteel in Laag-Keppel in de Achterhoek, waar de leefomstandigheden primitief waren.
Van 1945 tot in 1951 was Alfrink hoogleraar exegese van het Oude Testament en in het Hebreeuws aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen. Op 23 november 1945 aanvaardde hij zijn ambt aldaar met het uitspreken van de inaugurale rede Over "typologische" exegese van het Oude Testament.B.J. Alfrink, Over "typologische" exegese van het Oude Testament: rede, uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar in de exegese van het Oude Testament aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen op vrijdag 23 november 1945, Nijmegen/Utrecht, Dekker & Van de Vegt, 1945 In deze rede bakende Alfrink de zijns inziens beperkte ruimte af voor een typologische uitleg van het Oude Testament, een bijzondere vorm van de allegorische uitleg, waarbij personen en gebeurtenissen uit het Oude Testament als "typen" van Christus worden beschouwd. Zijn meest in het oog springende wetenschappelijke studie was Josue uit de grondtekst vertaald en uitgelegd uit 1952. Hierin bood hij filologisch hecht onderbouwde reconstructies van het Bijbelboek Jozua, gekoppeld aan een gedegen historische analyse.J.Y.H.A. Jacobs, op. cit., 160 Als docent was hij eerder degelijk dan inspirerend, hetgeen ook werd veroorzaakt door zijn afstandelijkheid, die hij als aartsbisschop nog verder zou cultiveren. In 1947 werd de Nijmeegse oudtestamenticus door paus Pius XII benoemd tot consultor van de Pauselijke Bijbelcommissie.
Bisschopswijding miniatuur|Het aartsbisschoppelijk paleis aan de Maliebaan 40 te Utrecht miniatuur|Aartsbisschop Alfrink tijdens een receptie in het aartsbisschoppelijk paleis, in maart 1960, vlak nadat hij gehoord heeft dat hij tot kardinaal gecreëerd zal worden In 1951 werd aan de ernstig vermoeide aartsbisschop van Utrecht, kardinaal De Jong, een coadjutor toegewezen. Het metropolitaan kapittel had het recht daartoe een voordracht op te stellen. Algemeen werd aangenomen dat vicaris-generaal Jan Geerdinck als eerste op de voordracht zou worden geplaatst. Geerdinck had na de Tweede Wereldoorlog feitelijk het bestuur van het aartsbisdom waargenomen, dit echter met dusdanig straffe hand dat hij geringe populariteit onder de priesters genoot. Geerdinck eindigde als tweede op de voordracht. Op de terna verscheen Alfrinks Nijmeegse collega kerkgeschiedenis R.R. Post als derde kandidaat. Tot veler verrassing werd de – buiten zijn vakgebied en buiten zijn seminarie – onbekende Alfrink als eerste op de voordracht geplaatst.Ton H.M. van Schaik, op. cit., p. 187 e.v.
In mei van datzelfde jaar werd hij door paus Pius XII benoemd tot titulair aartsbisschop van Tyana en aartsbisschop-coadjutor van kardinaal De Jong. Deze was niet meer in staat zelf als hoofdconsecrator op te treden en daarom werd deze taak op 17 juli van datzelfde jaar vervuld door monseigneur Paolo Giobbe (1880–1972), sinds jaar en dag de pauselijke internuntius in Den Haag. Alfrink koos als wapenspreuk Evangelizare divitias Christi (uit Efeziërs 3:8: Christus' rijkdommen verkondigen).