|thumb|Askop met wiekenkruis van de Walderveense molen |- |thumb|Dwarsgetuigde windmolen met zes wieken op Mallorca |- |thumb|Buitenroe en binnenroe met de porring van de Concordiamolen |- |thumb|Het voorleggen van het zeil. Het witte gedeelte van de wiek bestaat uit de borden |- |thumb|Achterkant wiek met oplanger van de Doesburgermolen; het stormbord (onderste bord) is verwijderd |- |thumb|Achterkant wiek met van links naar rechts: voorzoom, stormbord met bordveer, bordschroot (smalle lat), ijzeren roe, middenzoom, zwichtlat, middenzoom en achterzoom en de drie op het hekwerk vastgemaakte zwichtlijnen. Dwars daarop de kluften (driehoekige balkjes) en heklatten. |- |thumb|Wiek zonder zwichtlat |- |thumb|Voorkant wiek |- |thumb|Wiek met houten roe. Let ook op de bordveer rechts |- |thumb|Zeeg van Walderveense molen |- |thumb|Vastgezette wiek met bliksemafleider. De driehoekige blokken zijn de kluften |- |thumb|Fokwieken met remkleppen van de De Vlijt, Wageningen. Op de foto staan de remkleppen in de remstand. |- |thumb|Gestroomlijnde wieken met Van Busselneuzen bij de Holten's Molen te Deurne |- |thumb|Wiek van de Zuidmolen met fok (rechts) van het Fauëlsysteem, Ten Have klep (links) en remklep (rechts onderaan) |- |thumb|Zelfzwichting en zelfkruiing bij een Engelse molen in Herne |- |thumb|De Hoop in Stiens. De binnenroede van het wiekenkruis heeft Van Busselneuzen met Ten Havekleppen en de buitenroede heeft het Fauëlsysteem met remkleppen. |- |thumb|Donsbrüggen Molen met Bilau- of ventiwieken |- |thumb|Zelfzwichting van 't Witte Lam |} Het gevlucht of een wiekenkruis, meestal bestaande uit vier wieken, is een onderdeel van een windmolen en is bevestigd aan de bovenas in de askop.
Het grootste gevlucht in Nederland is de 30,05 meter lange buitenroede (de binnenroede is 10 cm korter) van de Boezemmolen nr. 6 in Haastrecht, en het kleinste is 3,75 meter van het kleine slijpsteenmolentje De Windhond aan de Zaanse Schans.
Behalve bij een spinnenkopmolen met vierkante voet, staat het gevlucht achterover onder een hoek van ongeveer 12 graden om te voorkomen dat de wieken tegen de molen slaan. Doordat de bovenkant van de molenromp smaller is dan de onderkant zou anders de as te ver uit de kap van de molen moeten steken. Ook voorkomt het dat de bovenas door het gewicht van het gevlucht naar voren schuift.
Opbouw In Nederland hebben de windmolens vier wieken, enden genoemd. In het buitenland in bijvoorbeeld Engeland en Spanje komen ook molens voor met zes wieken. Onderzoek heeft echter uitgewezen dat vier wieken optimaal zijn. Bij meer dan vier wieken treedt te veel verstoring van de lucht voor de volgende wiek op en is het rendement daardoor lager.
Als men met de rug in de wind staat draaien de wieken tegen de wijzers van de klok in, althans in West-Europa. Hierdoor zal de molen ook bij ruimende wind nog blijven draaien en behoeft er dus niet direct gekruid te worden. Toch staat er net over de Nederlandse grens in Duitsland bij Papenburg een standerdmolen, waarvan de wieken met de wijzers van de klok meedraaien.
De omwentelingssnelheid van het gevlucht wordt gemeten in enden, ofwel de wieken die per minuut voorbijkomen. Een korenmolen maalt het beste als het gevlucht 50 tot 60 enden draait, dat wil zeggen dat er per minuut 60 wieken voorbijgaan en de bovenas dus 15 keer per minuut ronddraait. De korenmolen mag maximaal 80 enden draaien. Een poldermolen draait sneller en maalt het beste bij 80 tot 90 enden.
De basis van het wiekenkruis bestaat uit 2 roeden, een binnen- en een buitenroede. Omdat de toppen van de wieken in hetzelfde vlak moeten staan, ze moeten sporen, is de binnenroede naar buiten toe krom (porring genoemd). Vroeger waren de roeden van hout, later zijn ze van ijzer gemaakt. Een houten roede kan uit één stuk bestaan maar bestaat meestal uit meerdere stukken. Zo kan een roede bestaan uit een borststuk met twee oplangers, zoals bij de Doesburger molen of uit twee delen, die elkaar bij de askop overlappen of uit een zogenaamd haspelwiekenkruis, waarbij de delen langs de askop zitten, zoals bij de Robonsbosmolen in Alkmaar. Houten roeden zijn aan de voor- en achterkant afgeschuind, hetgeen baljoening wordt genoemd.
Als de roeden door de askop gaan, zoals bij de meeste molens, zitten ze met 16 wiggen en 4 keerklossen (klampen) vast in de askop van een gietijzeren of houten bovenas. Een houten bovenas is nu nog zeer zeldzaam in Nederland. Tegen de wiggen zitten per 2 wiggen de spitijzers, die ervoor zorgen dat de wiggen er niet uit kunnen vallen als ze eventueel los zouden gaan zitten. Tegenwoordig wordt EPDM tegen vocht en dus tegen roest op de legzijden van de askop aangebracht.
De wieken worden bij een bovenkruier op de wind gezet door de kap van de molen met een kruirad of kruilier rond te draaien.
Draaiende wieken worden met een vang weer stilgezet en met een roeketting aan weerszijden vastgezet als ze niet meer hoeven te draaien. Ook wordt dan de afkoppelbare bliksemafleider aan de wiek bevestigd.
Dwarsgetuigd De oudste vorm van zeilvoering op de wieken is de dwarsgetuigde zeilvoering. Net als op oude dwarsgetuigde zeilschepen, bijv. koggen, wordt aan weerszijden van de roe (c.q. mast) een gelijke hoeveelheid zeil gevoerd.Bij een molen wordt dat zeil dan nog gesteund en gevormd door een hekwerk van latten.
Buiten de Benelux komen nog dwarsgetuigde gevluchten voor, waarbij aan beide zijden van de roede hetzelfde hekwerk zit, zoals de Tuxford windmill in Tuxford, Engeland, de dwarsgetuigde standerdmolen, de Moulin de Dosches in het Franse Dosches en de Bockwindmühle Oppenwehe in het Duitse Oppenwehe. In Nederland is nog een Spinnekopmolen met dwarsgetuigd hekwerk met vlinderwieken; dit is molen Arkens te Franeker in Friesland. Daarnaast zijn er nog dwarsgetuigde tjaskers, zoals de tjasker Kalenberg en de tjasker Jonen.
In Nederland werd op een gegeven moment een derde voor en twee derde achter de roede bespannen met zeil. Rond het midden van de zeventiende eeuw ontstond hieruit de oudhollandse tuigage, vergelijkbaar met langsgetuigde zeilvoering op schepen.
In Frankrijk komt nog het Berton-systeem voor, waarbij de wieken bestaan uit lange langs elkaar schuivende planken. Met een centraal bediend differentieel met hefbomen in het achtereind van de bovenas worden de planken meer of minder ver van elkaar geschoven (zie externe link).
Oudhollandse tuigage De oudhollandse tuigage van de wieken stamt uit de 17e eeuw en kan gemiddeld 25 tot 30 kW leveren. Stroomlijnroeden, zoals fokwieken, kunnen tot 45 kW leveren. Aan de roeden van deze wieken zijn de voorzoom en het hekwerk bevestigd. Tussen de voorzoom en de roede of bordschroot zitten de schuin naar voren staande windborden. Het onderste windbord heet het stormbord of steekbord en zit met een essenhouten bordveer, bestaande uit een lat met bovenaan een verdikking, tegen de wiek geklemd. Ook komt het voor dat het steekbord en de windborden vastgezet worden met wervels. Tussen de windborden en de roede zit het bordschroot. Het hekwerk zit achter de roede en bestaat uit dwarslatten (heklatten), drie langslatten of scheerlatten (1 achterzoom en twee middenzomen) en al of niet een zwichtlat. Poldermolens hebben niet altijd een zwichtlat en worden twee zwichtlijnen op dezelfde middenzoom vastgezet. De achterzoom zit voor op de heklatten vastgemaakt. Hierdoor kan deze niet door de zwichtlijnen van de heklatten afgetrokken worden. De middenzomen zijn achter de heklatten vastgemaakt, zodat het zeil vlak op het hekwerk ligt en de overgang van zeil naar achterzoom in hetzelfde vlak ligt. De eerste heklat zit hart hekstok 15 tot 20 cm vanaf de top van de roe, de tweede 30 cm, de derde 32 cm, de vierde 34 cm en de volgende steeds 36 cm hoger. De heklatten steken door de roede en hebben aan de voorkant in verband met de windborden kluften, die verbonden zijn door de voorzoom. Het deel van de heklat waar de kluft op staat wordt kardoes of schardoes genoemd. De heklatten worden met hekwiggen vastgezet in de roede. Soms worden er in plaats van kluften scheerhouten toegepast tussen de eerste en tiende heklat, zoals bij sommige pelmolens. Deze zitten niet aan de heklatten vast maar zijn in de roede gestoken. De eerste en tweede heklat kunnen aan de achterzijde versterkt zijn met een zogenaamde spanlat om doorbuigen tegen te gaan. In de roe kunnen hekstokbussen met omgeslagen randen zitten waar de heklatten door de roe gestoken worden.
Het hekwerk is iets schroefvormig, de zeeg genoemd, wat aerodynamisch beter is. Door de zeeg loopt de molen gemakkelijk aan (gaat gemakkelijk draaien bij weinig wind) en kunnen de wieken een voldoende grote snelheid krijgen. Als de wind tegen een wiek met een schuin naar achteren staand hekwerk blaast, ontwijkt de wind naar links en wordt de wiek naar rechts geduwd en gaat dan draaien. Door een kleine hoek is de druk naar rechts laag. Er is dus vrij veel wind nodig alvorens de wiek gaat draaien. Hoe groter de hoek dus hoe schuiner naar achteren het hekwerk staat des te gemakkelijker gaan de wieken draaien. Een nadeel van de schuine stand is echter dat de wiek bij het draaien meer weerstand ontmoet. Hoe schuiner de stand van het hekwerk des te gemakkelijker beginnen de wieken te draaien, maar des te lager is het te bereiken aantal omwentelingen per minuut (toerental). Een zeeg is een combinatie van een bijna vlakke stand tot een sterk schuine stand van het hekwerk. Omdat de top van de wiek sneller gaat dan het gedeelte vlak bij de askop heeft de heklat aan de top een vlakke stand en die bij de askop een sterk schuine, naar achteren gerichte stand. Hiervoor is de heklat bij de askant onder een hoek van 17 tot 28 graden in de roede gezet. Deze hoek, de diepte van de zeeg, wordt de schoot genoemd. De windborden hebben over de gehele lengte dezelfde hoek van 17 tot 28 graden. De volgende heklatten staan onder een steeds kleiner wordende hoek, waarbij de laatste heklat een hoek van -3 tot -8 graden heeft. Dit laatste is nodig, omdat het zeil anders aan de onderzijde gaat klapperen. Bij een pelmolen, die zeer veel trekkracht nodig heeft, staan de heklatten onder 28 graden bij de askant en -8 graden aan de top van de roe. Een diepe of holle zeeg geeft veel trekkracht, reageert traag op windvlagen maar heeft een grote windsterkte nodig en geeft een laag aantal omwentelingen per minuut. Pelmolens, houtzaagmolens, veel korenmolens en veel poldermolens hebben daarom een diepe zeeg, een vrij breed hekwerk en brede, schuin naar voren staande windborden. thumb|left|Brede wiek van pelmolen Het Prinsenhof
Een ondiepe of vlakke zeeg geeft weinig trekkracht, maar de molen komt bij een lage windkracht al op gang. De molen reageert snel op windvlagen en draait daardoor onregelmatiger. Oliemolens, korenmolens met een kleine versnelling (standerdmolens) en poldermolens met een geringe opvoerhoogte hebben vaak een ondiepe of vlakke zeeg, een relatief smal hekwerk en vrij smalle, minder naar voren staande windborden.
Soms moet het hekwerk van de binnenroede bij de askop ingekort worden, omdat anders het hekwerk tegen de kap zou lopen. Dit wordt een wafel genoemd. Bij een enkele wafel is de bovenste heklat bij de binnenroede ingekort tot de buitenste middenzoom. Soms is het hekwerk verder ingekort, zoals op de bovenste foto van de Walderveense molen te zien is.