thumb|Burgemeester Schönfeldplein Winschoten (; Gronings: Winschoten of Winschoot)Siemon Reker: Zakwoordenboek Gronings-Nederlands, Nederlands-Gronings. Staalboek, Veendam, 1999. 5e druk is een stad en voormalige gemeente in de gemeente Oldambt in de provincie Groningen in Nederland.
Positie in de provincie Als hoofdplaats van de gemeente Oldambt vervult Winschoten een centrumfunctie in deze gemeente, maar ook voor de rest van Oost-Groningen. Winschoten is na de stad Groningen de tweede koopstad van de provincie, met een winkeloppervlakte van circa 77.000 m². Vanwege de nabijheid van de Duitse grens, heeft de stad ook een sterke aantrekkingskracht op consumenten in de grensregio Emsland en Ostfriesland. In had Winschoten inwoners, waarmee het de vijfde plaats van Groningen is. Op 1 januari 2024 had de stad 18.750 inwoners, een groei ten opzichte van een jaar eerder.
Winschoten werd sinds de 16e eeuw beschouwd als vlek, dat is een grotere marktplaats zonder stadsrechten. De plaats kreeg in 1819 (net als Delfzijl) alsnog stedelijke rechten en mocht zich vanaf dat moment stad noemen. Dit werd in 1825 vastgelegd in een stedelijk reglement. Stadsrechten hadden toen echter nog slechts een symbolische betekenis.
In de 16e en 17e eeuw was Winschoten tevens een militaire vestingplaats. De vesting Winschoten was deel van de reeks vestingen en schansen in het Groninger grensgebied met Duitsland. De vestingwerken werden in de 18e eeuw ontmanteld. De stadsvlag herinnert nog aan de vesting.
Algemeen thumb|Topografische kaart van Winschoten (woonplaats), juni 2014 miniatuur|Torenstraat en toren thumb|Het Oldambtplein, verkeersplein in de binnenstad van Winschoten thumb|De korenmolen Edens. De oudste nog bestaande molen van de provincie Groningen en sinds 2006 ook de hoogste: Door de bouw van een appartementencomplex zou de 'molenbeschermingszone' (vrije windzone) in het geding komen, waarop het bouwwerk 3 meter werd verhoogd. thumb|Binnenstad Winschoten, Blijhamsterstraat
Winschoten had in het verleden vele molens in haar stad (op enig moment zelfs meer dan zes, waarvan nog drie steeds bestaan), wat Winschoten sinds de jaren vijftig de bijnaam van Molenstad heeft opgeleverd, maar wordt ook wel Sodom genoemd. Inwoners worden daarom ook wel Sodommers genoemd, maar ook wel gekscherend Tellerlikkers. De bijnaam Sodom is in de 19e eeuw ontstaan binnen de Joodse gemeenschap van Winschoten. Een rabbijn was op sabbat ontstemd door het geringe aantal mannelijke aanwezigen tijdens zijn dienst in de synagoge aan de Langestraat. Die dag stond het verhaal van Abraham en Sodom en Gomorra op het leesrooster. Sodom was de stad waar Abraham nog geen tien rechtvaardigen kon vinden om het te redden van de ondergang. De rabbijn vergeleek met een briljante woordgrap vanuit het Hebreeuws Winschoten met Sodom. (‘’Winschoten, dat betekent Winsjgotem’’, oftewel ‘Winschoten betekent: ‘de mannen waren zondaren’’) Het verhaal is ongetwijfeld binnen de joodse gemeenschap, maar ook daarbuiten uitgebreid doorverteld. Door de vele Joden was een andere bijnaam ook Lutje Mokum (Klein Amsterdam). Verder is de stad ook wel bekend als de Rozenstad vanwege de vele rozenkwekers rondom de stad en het Rosarium in het Stadspark ten noorden van de binnenstad. In de stadsmarketing wordt Winschoten gepromoot als de "Roos in de Regio".thumb|Winkelpromenade: Langestraat
Het belangrijkste beeldmerk van de stad is de toren van de Marktpleinkerk (d'Olle Witte) aan de Torenstraat met een hoogte van 41 meter.
Tot Winschoten worden de buurtschappen Oostereinde. Winschoterzijl en Zuiderveen gerekend. Winschoterzijl is inmiddels geheel verdwenen. De voormalige buurtschappen Bovenburen en Sint-Vitusholt zijn volledig met aangrenzende nieuwbouwwijken vergroeid. Daarentegen geldt Heiligerlee (circa 1.500 inwoners) nog als een zelfstandig dorp, hoewel het dorp volledig met Winschoten en Scheemda (circa 5000 inwoners vergroeid is tot een aaneengesloten stedelijke zone langs de snelweg A7.
Even ten noorden van Winschoten aan de andere kant van de A7 ligt het woon, werk en recreatie gebied Blauwestad. Dit grootschalige landschapsproject bestaat uit ruim opgezette woonwijken met nieuwbouw woningen in het midden- en hogere segment die bijna allemaal aan het vaarwater zijn gelegen. Ook zijn er in het gebied nieuwe natuurgebieden rond Oldambtmeer (800 ha) aangelegd en liggen er 5 nieuwbouwwijken Blauwestad. De Blauwestad heeft de status van een zelfstandig dorp gekregen en behoord tot 1 van de snelst groeiende woonkernen in Nederland. In 2026 zijn er ruim 691 woningen voltooid en woonden er in het gebied 1674 mensen. Blauwestad is via de langste fiets en voetgangersbrug van Europa (800 meter) via het Stadspark en Rosarium met de binnenstad van Winschoten verbonden.
Geschiedenis Naam Voor de naam Winschoten bestaan meerdere verklaringen.
Volgens de kroniek van Mariëngaarde werd in 1231 het klooster van Heiligerlee gesticht in het dorp Asterle, dat was gelegen tussen Westerlee en Winsewida. Met de laatste naam werd kennelijk Winschoten of Sint-Vitusholt bedoeld, waardoor deze plaats samen met Onstwedde, Vlagtwedde, Ulsda (Olswyda, 1447) en Bunde (Bunwyda, 1427) tot de oudste plaatsen in de omgeving kan worden gerekend. Al deze plaatsen hebben namelijk de uitgang of wortel widu ('bos, hout') in hun naam. Dit in tegenstelling tot de jongere dorpen met de uitgang -wolde die ontstaan zijn tijdens de veenontginning. De naamkundige Wobbe de Vries veronderstelt echter dat het bij Winsewida om Kloosterholt zou kunnen gaan.Wobbe de Vries, Groninger plaatsnamen, 1946, pp. 275-276
De huidige naam Windtschote(n) wordt voor het eerst gebruikt in 1391, in latere teksten staat Wynschote(n), Wynschotten, Wynschoeten of Winschote(n). Het achtervoegsel -schote, Oudfries -skat, dat 'zandopduiking, hoger liggend land' betekent, is typerend voor hooggelegen nederzettingen in het veengebied.K. Gildemacher, Friese plaatsnamen, 2008, pp. 190-191
Het voorvoegsel Win(s)e- in de plaatsnaam is waarschijnlijk afgeleid van een Germaanse wortel *winithi- in de betekenis van 'weiland, hooiland'.Jürgen Udolph, Namenkundliche Studien zum Germanenproblem, Berlijn/New York 1994, p. 274-288. Deze wortel komt ook voor in de plaatsnaam Wynedaham (verdronken in de Dollard). De namen Winschoten en Winsewida betekenen dan: 'de zandopduiking' dan wel 'het bos bij de weilanden'.Verwant is mogelijk ook de naam Winsel, waarmee vroeger een deel van Blijham werd aangeduid.
De naamkundige Wobbe de Vries dacht eerder aan een persoonsnaam met het achtervoegsel -kote. De naam *Windeskote zou dan 'de kleine hoeve of het kot van Windo' betekenen. In theorie zou het kunnen gaan om de Oudfriese persoonsnaam Wine met de meervoudsuitgang -ingi ('de mannen van Wine'), waaruit via de tussenvorm *Winen(d)se- de latere vormen Winsewida en Win(dt)schoten kunnen zijn ontstaan.Vgl. K. Gildemacher, Friese plaatsnamen, 2008, p. 274: de plaats Wijns, in 944 Weingi, ontstaan uit de persoonsnaam Wine met de meervoudsuitgang -ingi. Deze afleiding is echter ingewikkelder en daarom iets minder waarschijnlijk.
Middeleeuwen De oorsprong van Winschoten ligt misschien rond De Garst, een tot zes meter hoge keileemopduiking van 23 ha, die in gebruik was als es en in smalle akkertjes was opgedeeld. Op grond van het onregelmatige verkavelingspatroon kan worden vermoed dat hier al vóór de 11e of 12e eeuw een nederzetting kan zijn ontstaan.Henny Groenendijk, ‘Oude bekenden: Winschoten en Pekela’, in: Stad en Lande 1 (1990), nr. 1, p. 8-11. hier p. 9. De omvang van het grondgebied suggereert dat Winschoten tot de oudere parochies behoort. Westerlee, Heiligerlee en mogelijk ook Blijham zijn daarvan kennelijk afgesplitst. Ook bezat de pastorie van Winschoten drie boerderijen met 72 akkers land in De Heemen onder Blijham en een stuk veen over de Pekel A (de Schrokkelkamp of Schrekkelvenne), beide mogelijk afkomstig van de bezittingen van de Abdij van Corvey aan de Wezer.Paul Noomen, 'Middeleeuws Westerwolde', in: Jochem Abbes et al., Landschapsbiografie van Westerwolde, Assen 2021, p. 102-123. hier 115..Groninger Archieven, 1536, inv.nr. 1003 (kladopmeting) en 1004: De Barcklaage sloot van Winschooter zijl tot aan de Peekel veenen, door H.W. Folckers, 1725. Idem, inv.nr. 3639: Plan der ligging van het Westelijk gedeelte van de Pekela en van het oostelijk gedeelte van Blijham, met de voorgestelde correspondentie weg over de Schrokkelkamp, 1830-1850.
Volgens een document uit 1474 berustte de voogdij over de kerk van Winschoten bij de abt van de Abdij van Corvey, waar de relieken van Sint Vitus werden bewaard. Aangezien dit klooster eerder betrokken was bij de kerstening van Westerwolde en het Emsland, mag worden aangenomen dat Winschoten oorspronkelijk nauwe banden had met Westerwolde en dat de eerste bewoners banden met dit gebied hadden. De abt bezat echter geen patronaatsrechten in Winschoten, zoals hij die wel in Westerwolde bezat.De abt van Corvey had voor zover bekend geen patronaatsrechten in Winschoten of Sint-Vitusholt. Roemeling vermoedt daarom dat de voogdij over Winschoten pas in tweede instantie is ontstaan, wellicht ten tijde van de stichting van de Marktpleinkerk.
In de 11e of 12e eeuw ontstonden drie randveenontginningsdorpen, die in een halve cirkel om de latere dorpskern heen lagen, namelijk Zuiderveen, Bovenburen en Oostereinde. Omstreeks de 13e eeuw moet zich een nieuwe dorpskern hebben gevormd op een vooruitgeschoven hoogte die De Haffelt of Hoge Haffelt werd genoemd. Deze naam is verwant aan de plaatsnaam Havelte, vermoedelijk met de betekenis *ho-veld 'het hoge veld'.G. van Berkel & K. Samplonius, Nederlandse plaatsnamen verklaard, 2018. trefwoord Havelte. De 16e-eeuwse dijk naar Winschoterhogebrug sloot aan bij de hogere gronden van De Haffelt. De herberg 'De Vrijheid' aan het einde van de Blijhamsterstraat werd eerder De Haffelt genoemd. Nog rond het midden van de 19e eeuw begon hier de bebouwing van Winschoten. G.A. Venema, ‘St. Elmslichtjes’, in: Algemeene Konst- en Letter-bode voor het jaar 1852, dl. 2, nr. 49 (3 december), p. 354-357, hier 357. Het gebied rond de kerk op het Marktplein stond bekend als het Ronde Loegh (1544), een benaming die ook elders in de provincie voor een dorpskern werd gebruikt. Volgens verklaringen van bejaarde inwoners bestond het dorpscentrum in de 15e eeuw uit niet meer dan 30 of 40 huizen rond de kerk, gebouwd op landerijen die zeven boeren ter beschikking hadden gesteld.
De meeste bewoners verdienden de kost met pottenbakken en het maken van grapen. Ze werden daarom groperen genoemd. Archeologen hebben in de omgeving van Winschoten veel scherven van middeleeuwse kogelpotten en ander aardewerk gevonden, herkenbaar aan de opvallende cordon-versieringen en stripdecoratie. Daaruit heeft men geconcludeerd dat zich hier een belangrijk productiecentrum moet hebben bevonden.Jaap W. Boersma, 'De middeleeuwse vondsten in het Stadspark te Winschoten', in: Groningse Volksalmanak (1964), p. 217-236. Martha de Jong, ‘Geglazuurd kogelpotaardewerk uit Noord-Nederland. Van ongewone scherven en waar je ze kunt vinden’. in: P.W. van den Broeke et al. (red.), Artefactueel 1. Nieuwe inzichten in archeologisch materiaal, Zwolle 2021, p. 41-52, hier 43. Plastische cordonversieringen worden ook wel als leistenverzierte Grauware betiteld. De buurtschappen Oostereinde en vermoedelijk ook Bovenburen vielen onder de parochie aan het Marktplein. De Langestraat of Wittevrouwenstraat verbond de nieuwe dorpskern met het klooster van Heiligerlee.
De bakstenen Sint-Vituskerk aan het Marktplein dateert uit de tweede helft van de 13e eeuw (rond 1275). Bij de restauratie in de jaren 1905 tot 1907 vond men geen sporen van een voorganger.