Klompvoetkikkers (Atelopus) zijn een geslacht van amfibieën uit de familie padden (Bufonidae). Klompvoetkikkers hebben in tegenstelling tot andere vertegenwoordigers van deze familie een kikkerachtige lichaamsbouw.

Het geslacht dankt zijn Nederlandstalige naam aan de vorm van de poten, waarbij de op een na buitenste teen veel langer is dan de andere, die afgeknot lijken. Veel soorten hebben bonte kleuren zoals rood, blauw en geel, vaak met opvallende kleurschakeringen en patronen. De meeste klompvoetkikkers worden hooguit vier tot vijf centimeter lang.

De groep wordt vertegenwoordigd door 96 moderne soorten. Daarnaast zijn er verschillende uitgestorven soorten beschreven. De nog voorkomende soorten leven verspreid in delen van centraal- en noordelijk Zuid-Amerika en in delen van zuidelijk Midden-Amerika. De habitats bestaan voornamelijk uit vochtige gebieden, zoals beboste hooggebergten en nevelbossen.

Klompvoetkikkers zijn een van de meest kwetsbare diergroepen ter wereld. Vrijwel alle soorten zijn zeer ernstig bedreigd omdat ze een klein verspreidingsgebied hebben, dat in sommige gevallen nog verder krimpt. Enkele klompvoetkikkers komen bijvoorbeeld alleen voor op een kleine bergflank, wat ze extra kwetsbaar maakt. Andere soorten zijn al lange tijd niet meer waargenomen en worden als uitgestorven beschouwd. De belangrijkste oorzaak van de achteruitgang van de klompvoetkikkers is een schimmelinfectie die de huid aantast.

Naamgeving De wetenschappelijke naam van het geslacht werd in 1841 voorgesteld door André Marie Constant Duméril en Gabriel Bibron. & (1841). Genre Atélope. Erpétologie générale, ou, Histoire naturelle complète des reptiles 8: 660. Gearchiveerd op 16 oktober 2021. De naam is afgeleid van de Griekse woorden (atelēs; zonder einde, incompleet, afgeknot) en (pous; voet). Duméril en Bibron plaatsten slechts de soort Atelopus flavescens in het geslacht, die daarmee automatisch de typesoort werd.

Klompvoetkikkers behoren tot de familie padden. Vroeger werden ze gezien als kikker-achtige padden. Tegenwoordig wordt er echter geen onderscheid meer gemaakt tussen kikkers en padden, zie ook het artikel kikkers. Alle soorten worden hierdoor aangeduid met 'kikkers'.

Klompvoetkikkers danken hun Nederlandstalige naam aan de bouw van de poten. Van de vier tenen van de voorpoot lijken de binnenste twee en de buitenste afgeknot. Van de vijf tenen van de achterpoot is eveneens de een na buitenste lang en is de lengte van de andere gereduceerd. Ook in sommige andere talen verwijst de naam naar dit kenmerk, zoals in het Engelse stubfoot toads en het Duitse Stummelfußfrösche. Daarnaast komt ook de naam harlekijnkikkers voor. Deze naam slaat op de bonte kleuren die veel soorten dragen, al zijn er ook onopvallend gekleurde klompvoetkikkers.

Verspreiding en habitat thumb|Verspreidingsgebied van Atelopus balios, deze soort komt voor in een klein gebied in Ecuador. Klompvoetkikkers komen voor in centraal- en noordelijk Zuid-Amerika en delen van zuidelijk Midden-Amerika. Het totale verspreidingsgebied van het geslacht loopt van ongeveer 12 graden noorderbreedte tot 17 graden zuiderbreedte en omvat de landen Brazilië, Colombia, Costa Rica, Ecuador, Frans-Guyana, Guyana, Panama, Suriname en Venezuela. In Brazilië komen klompvoetkikkers alleen in het noorden voor. De meeste soorten leven op een hoogte van meer dan 1000 meter boven zeeniveau, enkele soorten komen voor tot een hoogte van 4000 meter.

De kikkers zijn voor de voortplanting afhankelijk van oppervlaktewater en blijven bij open water in de buurt. Veel soorten leven in bergstreken. De larven ontwikkelen zich in snelstromende beekjes. Hierop hebben klompvoetkikkers verschillende aanpassingen ontwikkeld. De eieren worden in strengen om stenen gewikkeld en de larven hebben een soort zuignap op hun buik om zich aan stenen te hechten. Dergelijke aanpassingen voorkomen dat de eieren en de larven wegspoelen uit de natuurlijke habitat.

De microhabitat bestaat altijd uit de bosbodem; klompvoetkikkers zijn zonder uitzondering bodembewoners. Soms zijn ze te vinden op bladeren van bomen en struiken tot een hoogte van maximaal 50 centimeter. Veel soorten leven tussen de bladeren in de strooisellaag of op met mos begroeide stenen.

Hooggebergte In grote delen van het areaal zijn klompvoetkikkers uitsluitend in hooggebergten te vinden, in een vegetatiezone die met de naam páramo wordt aangeduid. Deze vegetatiezone bestaat uit struiken en lage bomen. De bomen in deze ecozone worden zelden hoger dan tien meter. Planten waarmee klompvoetkikkers specifiek gerelateerd worden zijn verscheidene soorten orchideeën, epifyten, bromelia's, Tillandsia en varens.

Nevelwoud Soorten die in lager gelegen gebieden leven zijn te vinden in vochtige nevelwouden. Daar komen hoge bomen voor die begroeid zijn met andere planten. In deze dichte bossen dringt vaak nauwelijks zonlicht door. Dit komt niet alleen door de begroeiing, maar tevens door de vaak nevelachtige omstandigheden. De temperatuur ligt rond de 18°C en schommelt nauwelijks. De relatieve luchtvochtigheid bedraagt bijna altijd 100%.

Uiterlijke kenmerken thumb|Vrouwtje (links), mannetje (boven) en juveniel van de soort Atelopus certus. Naast de kenmerkende poten onderscheiden klompvoetkikkers zich door hun vaak bonte kleuren. Klompvoetkikkers zijn net als veel andere felgekleurde kikkers bijna allemaal zeer giftig. De felle kleuren geven dat signaal aan potentiële vijanden.

Klompvoetkikkers kunnen alle kleuren van de regenboog hebben. Veel soorten hebben een opvallende maar monotone kleur en andere hebben een opvallende tekening. Een aantal soorten heeft een duidelijke afweerkleur, omdat het kleurpatroon opvalt in de natuurlijke habitat. Andere hebben een opvallende kleur buiten hun natuurlijke omgeving, maar vallen in hun habitat niet op. Een voorbeeld is de kruisboomkikker (Atelopus cruciger), die een heldere groene tot gele kleur heeft met een opvallende zwarte nettekening. Op de met mos begroeide bodem van de bergstreken waar de kikker leeft, valt de kleur echter weg tegen de ondergrond.

Enkele bont gekleurde soorten zijn: Atelopus varius. Deze soort heeft een zwarte basiskleur en heeft heldere gele strepen en vlekken over het gehele lichaam. Atelopus oxyrhynchus; het lichaam is geheel geeloranje tot geel van kleur. Atelopus barbotini; deze soort heeft een diep zwarte kleur met zeer heldere roze tot paarse vlekken en strepen. Atelopus carrikeri; zwart met oranje vlekken en opvallend verdikte klieren over het gehele lichaam. Atelopus laetissimus; bruin met zeer veel heldere groene vlekken en groene dwarsbanden aan de poten.

Kop thumb|Atelopus nahumae heeft een bruine kleur en een wrattige huid. De soort is aan de vorm van de kop en de lange poten toch gemakkelijk te onderscheiden van de meeste andere padden. Klompvoetkikkers hebben een relatief platte kop met een duidelijk afgeplatte tot spatelvormige snuit. De snuitpunt doet hierdoor aan een snavel denken. Bij sommige soorten lijkt het of een deel van de snuit is afgesneden. De ogen zitten aan de zijkanten van de kop en zijn relatief groot. De ogen hebben een horizontale, spleetvormige pupil. De pupil is overdag, als de dieren actief zijn, bijna rond van vorm. De meeste kikkers en padden hebben een duidelijk zichtbaar trommelvlies of tympanum. Bij klompvoetkikkers is het trommelvlies aanwezig, maar niet zichtbaar.

Lichaamsbouw De lichaamsbouw is karakteristiek; alle soorten hebben ongeveer dezelfde bouw. De romp is gedrongen maar de ledematen zijn relatief lang in vergelijking met die van andere soorten uit de familie padden.

Wat klompvoetkikkers met name onderscheidt van alle andere padden uit de Bufonidae-familie is de bouw van de schoudergordel. In tegenstelling tot andere padden hebben de Atelopus- soorten een aan de buikzijde gefuseerde schoudergordel waarbij het borstbeen ontbreekt.

Klompvoetkikkers zijn in het bezit van het orgaan van Bidder, dat alleen bij padden uit de familie Bufonidae voorkomt. Het orgaan is een rudimentaire klier die een rol speelt in de voortplanting. Als de testikels van een mannetje beschadigd raken, wordt het weefsel onder invloed van hormonen actief en groeit dan uit tot een vrouwelijk voortplantingsorgaan met eierstokken. Hierdoor kan een mannelijke pad in een vrouwtje veranderen.

Poten thumb|Klompvoetkikkers springen niet maar kruipen, afgebeeld is een jonge Atelopus certus. In tegenstelling tot de meeste echte padden hebben klompvoetkikkers lange en zeer dunne poten wat een kikkerachtig kenmerk is. Ze zien er mager uit door het relatief slanke lichaam en de lange, dunne ledematen.

Klompvoetkikkers hebben net als alle andere kikkers in beginsel vijf tenen aan de achterpoten en vier vingers aan de voorpoten. Wat opvalt aan de achterpoten is dat de binnenste teen en soms de naastliggende teen zijn verkleind of zelfs zijn verdwenen. De vingers en tenen van de handen en voeten zijn in de regel deels versmolten, waarbij de uiteinden van vingers en tenen overigens nog wel zijn te zien.

De achterpoten hebben kleine zwemvliezen maar de kikkers betreden zelden het water. Alleen gedurende de paartijd komen ze tijdelijk in het water, waar de mannetjes de vrouwtjes lokken met hun geroep. Klompvoetkikkers springen niet; ze verplaatsen zich door te kruipen. De kikkers zijn niet snel, net als andere kikkers die veel lopen, waaronder de rugstreeppad (Epidalea calamita). De poten van een groot aantal soorten dragen een afstekende kleur, zoals rood of geel. Bij verstoring worden de poten boven het lichaam gekromd, zodat de felle kleuren zichtbaar worden. Dit dient om af te schrikken, zie ook onder vijanden en verdediging.

Onderscheid met andere soorten Klompvoetkikkers zijn door hun geringe lichaamslengte en de felle kleuren te verwarren met verschillende soorten.

Ze zijn vooral te verwarren met andere vertegenwoordigers van geslachten uit de familie padden die een vergelijkbare lichaamsbouw en -kleur hebben, zoals soorten uit de geslachten Melanophryniscus en Osornophryne. Daarnaast lijken klompvoetkikkers op soorten uit andere families, met als bekendste de pijlgifkikkers (Dendrobatidae). Ook de mantella's (geslacht Mantella) en de kortkopkikkers uit het geslacht Brachycephalus lijken wat betreft de bonte lichaamskleuren soms sterk op klompvoetkikkers.

Vijanden en verdediging thumb|Wetenschappers gebruiken handschoenen om contact met de huid te vermijden, hier een gehanteerde Atelopus glyphus. Klompvoetkikkers zijn zonder uitzondering giftig. De kikker slaat het gif op in de huid en ook de eitjes bevatten giftige verbindingen.

Van een aantal zeer giftige soorten is bekend dat ze zich in het geheel niet druk maken om vijanden en ook geen vluchtgedrag vertonen. Van jongere exemplaren is bekend dat ze zich vaker verschuilen, omdat ze nog geen gifvoorraad hebben.

Klompvoetkikkers zijn net als alle kikkers met felle kleuren overdag actief, anders zou hun kleur geen functie hebben. Ze zijn hierdoor gemakkelijk te zien door roofdieren maar deze aarzelen vaak om een fel gekleurde kikker op te eten vanwege de afschrikkende kleur. Alleen de minder giftige soorten worden soms wel gegeten door vijanden. Van de slang Erythrolamprus epinephelus is waargenomen dat deze zonder problemen een zeer giftige harlekijnkikker verorberde. Waarschijnlijk is de slang niet immuun voor het gif, maar heeft stoffen ontwikkeld die het vergif deels onschadelijk maken.

Klompvoetkikkers leven in hetzelfde werelddeel als de eveneens giftige pijlgifkikkers uit de familie Dendrobatidae. Vertegenwoordigers van deze laatste groep worden gebruikt om de pijlpunten van lokale indianen te voorzien van vergif. Klompvoetkikkers worden daar zover bekend niet voor gebruikt.

Gifstoffen