Het Beleg van Oostende was de belegering van Oostende tijdens de Tachtigjarige Oorlog. De stad was in handen van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en werd tussen 5 juli 1601 en 22 september 1604 belegerd door de koninklijke Spaanse troepen van aartshertog Albrecht van Oostenrijk. De strijd was uitermate bloedig. Aan beide kanten vielen tienduizenden doden.
Sinds de Pacificatie van Gent in 1576 stond de stad onafgebroken aan de kant van de opstandelingen. In Vlaanderen werden in de jaren 1580 alle opstandige steden door de Spanjaarden heroverd. Alleen Oostende kon uit hun handen blijven. Vanuit de stad werd het omliggende gebied gebrandschat waarbij dorpen plundering en brandstichting konden afkopen door een belasting te betalen. De druk aan Zuid-Nederlandse kant om de stad te veroveren nam toe nadat de Republiek in 1600 gebruikmaakte van Oostende om Vlaanderen binnen te vallen.
Op 5 juli werd het beleg voor Oostende geslagen. De aartshertog was echter niet in staat de stad volledig te blokkeren door de overmacht van Engelse en Noord-Nederlandse schepen op zee. Daardoor konden gedurende de hele belegering manschappen, munitie en levensmiddelen de stad worden binnengebracht. De belegering werd een uitputtingsslag. In heel Europa waren de ogen gericht op Oostende, waardoor het een prestigekwestie werd dat beide partijen wilden winnen. Maurits van Nassau probeerde tevergeefs de aartshertog weg te lokken van Oostende door andere steden te belegeren. Omdat de aartshertog weinig vooruitgang boekte, werd hij door de koning Filips III van Spanje vervangen door de Genuees Ambrogio Spinola. Als bankier had die meer financiële middelen en hij boekte in korte tijd veel vorderingen. Op 22 september 1604 werd de stad overgegeven.
Na drie jaar en tweeënhalve maand vechten was de stad compleet verwoest en ontvolkt. De belegering van Oostende heeft de meeste slachtoffers gekost en het langst geduurd van alle belegeringen tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Het verlies werd voor de Republiek verzacht doordat het kort ervoor Sluis wist te bemachtigen. Vanwege de duur en inspanning wordt het beleg van Oostende wel eens vergeleken met de belegering van het antieke Troje.
Situering Voorgeschiedenis thumb|left|De situatie in de Nederlanden begin 1601
De Tachtigjarige Oorlog begon midden jaren zestig van de zestiende eeuw in de Nederlanden als een opstand. De oorzaak was onder andere onvrede met de centraliseringsdrang van de regering in Brussel en de vervolging van protestanten. Het verzet werd hard neergeslagen door het Spaanse leger. De Spanjaarden slaagden er echter niet in hun gezag te herstellen in het noorden en westen, door het maritieme overwicht van de opstandelingen en het dichte net van steden. In 1579 sloten de noordelijke provincies een defensieverdrag, de Unie van Utrecht. Het noorden zou later een zelfstandige republiek vormen en de zuidelijke provincies verzoenden zich met de Spaanse koning. Onder de Spaanse commandant Parma werd een groot deel van het zuiden en de nieuwe republiek veroverd. Alleen Zeeland, Holland, Friesland en Utrecht waren nog vrijwel volledig in Staatse handen. In het zuiden waren dat alleen de steden Bergen op Zoom, Venlo en Oostende. De Spaanse Armada zou een genadeklap moeten geven, maar werd op zee vernietigd door de Engelsen en Nederlanders. Ondertussen raakte koning Filips II van Spanje ook in oorlog met Frankrijk. Omdat Filips aan die oorlog de hoogste prioriteit gaf, kreeg de Republiek wat adem en lukte het tussen 1588 en 1598 het oosten en noorden terug te winnen.
In mei 1598 werden de Nederlanden door Filips II geschonken aan zijn dochter de infante Isabella en haar aanstaande man aartshertog Albrecht van Oostenrijk. Hoewel het paar soeverein was over de Nederlanden bleven ze financieel en militair afhankelijk van Spanje. Filips had als voorwaarde opgenomen dat, mocht het echtpaar kinderloos blijven, het land terug aan de Spaanse kroon kwam. Nadat hij in september van datzelfde jaar overleed werd hij opgevolgd door Filips III van Spanje.
Spanje had in 1598 vrede gesloten met Frankrijk en kon zich hierdoor richten op de oorlog tegen Engeland en de Republiek. De Republiek had in 1599 de mogelijkheid in te gaan op een vredesinitiatief van Spanje. Daartoe werd echter niet besloten omdat legeraanvoerder Maurits van Nassau en landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt Spanjes bedoelingen wantrouwden en de eenheid in de Republiek wilden behouden, ondanks de hoge kosten en onzekerheid die de oorlog met zich meebracht.
Vanaf 1600 werd de strijd gevoerd om de Zuidelijke Nederlanden. Duinkerke werd het volgend doelwit van de Republiek. Vanuit die Vlaamse havenstad brachten Duinkerker kapers en koninklijke schepen veel schade toe aan de Hollandse en Zeeuwse scheepvaart en vissersvloot. Toen het Spaanse leger geplaagd werd door muiterijen greep Maurits zijn kans en drong met een invasieleger door tot diep in Vlaanderen. Albrecht was echter in staat de muiterij te stoppen en razendsnel met zijn leger op te trekken richting het Staatse invasieleger. Bij Nieuwpoort werden de Staatsen verrast en moesten gedwongen slag leveren. Hoewel de Staatsen wonnen, blies Maurits de tocht naar Duinkerke af. Het Staatse leger trok terug naar Oostende, waar het inscheepte en Vlaanderen verliet. De Spanjaarden wilden de nederlaag wreken door Oostende, het laatste Staatse bastion in de Zuidelijke Nederlanden, te veroveren. & , 'De Republiek in oorlog' in De Tachtigjarige Oorlog. Van opstand naar geregelde oorlog. 1568-1648 blz. 240
Vesting Oostende thumb|Kaart van Oostende, door Jacob van Deventer, circa 1562. De stad heeft hier nog geen stadswallen.
Oostende was een arme vissersplaats in Vlaanderen, gelegen aan de Noordzee, met zo'n drieduizend inwoners. Voor het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog had de stad geen middeleeuwse verdedigingswerken omdat de inwoners zich voldoende beschermd voelden door kreken, schorren en polders. Regelmatig overstroomde het land rondom de stad met getijdenwater.
Toen de Opstand uitbrak en Oostende in 1572 werd gebruikt door geuzen, besloot de Spaanse regering de stad in 1573 te versterken. Eerst nog met palissades en toegangspoorten. In 1578, toen Oostende de kant van de opstandelingen had gekozen, werd de stad door de Staatsen gebastioneerd en kreeg het de eerste aarden bolwerken. Tot 1601 werden de versterkingen meerdere keren uitgebreid en verbeterd., ' De stad Oostende en de nieuwe gebastioneerde versterkingswijzen in de Nederlanden' in De val van het Nieuwe Troje. Het beleg van Oostende. 1601-1604, blz. 52, De vestingbouwkundige werken van Oostende 1572-1865, De Plate 1987 (10): 236-249
left|thumb|Op deze kaart met de belegering gaande, zijn de uitgebreide verdedigingswerken te zien die in de loop der jaren zijn aangelegd. Aan de rechterzijde van de stad heeft de Geule zich gevormd na het afgraven van de duinen en het doorsteken van de dijk.
De stad werd omringd door een wal met onregelmatig geplaatste hele en halve aarden bastions. Aan de west- en de zuidoostkant hadden de courtines een naar binnen gekeerde knik, een zogeheten getenailleerde vorm. Rondom de stad lag een gracht met daaromheen een getenailleerde bedekte weg met ravelijnen en wapenplaatsen. Voor een gedeelte van de gracht lag nog een voorgracht. In het oosten deed de Geule dienst als voorgracht. Aan de zeezijde waren de oude haven en de stad beschermd met ravelijnen op de zeedijk. De vestingwerken waren specifiek ontworpen op de situatie in Oostende en ze bevatten elementen uit het Oud-Italiaans, Nieuw-Italiaans en Oud-Nederlands vestingstelsel. Heel innoverend was het plaatsen van een naar buiten geknikte courtine tussen twee bastions aan de kant van de nieuwe haven. Daarmee werd de lange courtine gehalveerd en kon samen met de Oostpoort verdedigd worden vanuit de teruggetrokken flanken van de bastions. Bovendien konden zo vijandelijke schepen op de Geule beschoten worden. Dit was een voorbeeld van het polygonaal stelsel dat in de negentiende eeuw de norm zou worden in de vestingbouw., ' De stad Oostende en de nieuwe gebastioneerde versterkingswijzen in de Nederlanden' in De val van het Nieuwe Troje. Het beleg van Oostende. 1601-1604, blz. 54-55
Ook inundatie was een belangrijk verdedigingsmiddel. Na de mislukte driedaagse belegering door het Spaanse leger in 1583 onder commando van de hertog van Parma werden in 1584 de duinen ten oosten en westen van de vesting afgegraven. Daarnaast werd de zeedijk ten oosten van de stad doorgestoken. Door getijdenwerking is hier de Geule gevormd en liepen grote delen van het land rond de stad onder water.
Het Vlaamse platteland had tussen 1584 en 1599 veel last van de plundertochten die vanuit Oostende werden ondernomen door garnizoenssoldaten. De vrijbuiters kwamen tot aan Brugge, Veurne, Ieper en Rijsel., Over vrybuters en quaetdoenders. Terreur op het Vlaamse platteland (eind 16de eeuw), blz. 65 De gebieden werden gebrandschat en om plundering en brandstichting door garnizoenssoldaten te voorkomen moesten dorpen belasting of contributie betalen. Als reactie lieten de Vier Leden van Vlaanderen vanaf 1598 een dubbele ring met forten, schansen en andere veldwerken rond de stad bouwen om het Oostendse garnizoen binnen te houden. Een buitenste ring met onder andere de forten Oudenburg, Plassendale en Snaaskerke kwam vier à vijf kilometer van de stad te liggen. Een belangrijkere ring met de forten Sint-Albertus, Isabella, Sint-Clara en dat van Bredene werd 2,5 kilometer van de stad geplaatst., Veldslagen in de Lage Landen, blz. 81 De forten waren met elkaar verbonden door waterlopen en wegen. De stad bleef bereikbaar via de zee. Tijdens de grote belegering werden de twee ringen verder uitgebreid, waarbij de structuur behouden bleef.
Garnizoen en bevoorrading thumb|Portret van Karel van der Noot, gouverneur van Oostende in 1601 en voormalig kapitein van de lijfwacht van Maurits van Nassau.
Kort na het begin van de belegering werd de stad versterkt waardoor het aantal militairen in Oostende op 4500-4700 man kwam.: Het Beleg van Oostende (1601–1604), blz. 7, 'Het Beleg van Oostende' in De val van het Nieuwe Troje. Het beleg van Oostende. 1601-1604, blz. 83 Een aantal dat door de jaren heen belangrijke schommelingen kende. Koningin Elizabeth I van Engeland steunde de Republiek met geld en troepen volgens het Verdrag van Nonsuch uit 1585. In de twee maanden na het begin werd het garnizoen uitgebreid tot achtduizend man. & , 'De Republiek in oorlog' in De Tachtigjarige Oorlog. Van opstand naar geregelde oorlog. 1568-1648 blz. 244 Gewonden en omgekomen soldaten werden regelmatig vervangen.
De gouverneur en/of de opperbevelhebber had de leiding over het garnizoen. In sommige gevallen waren de functies gescheiden, zoals bij Karel van der Noot en Francis Vere en in sommige gevallen werden de functies door een persoon waargenomen zoals bij Daniël de Hertaing. Gedurende de belegering hebben negen personen de leiding gehad. Van der Noot was van het begin tot 9 december 1603 gouverneur. Toen generaal Vere aankwam, kreeg die de leiding over het garnizoen. Na zijn vertrek nam Frederik van Dorp dat over tot 31 mei 1603. Van der Noot werd opgevolgd door Pieter van Ghistelles, die omkwam op 29 maart 1604. Zijn vervanger Johan van Loon kwam een aantal dagen later om het leven, op 5 april. De opvolger Jacques de Buvry raakte gewond en werd geëvacueerd. Jacob van der Meer werd de nieuwe gouverneur maar ook zijn leiderschap was van korte duur. Hij overleed en werd op 8 juni 1604 opgevolgd door Anthonis van Utenhove. Deze raakte gewond en werd vervangen door De Hertaing.