thumb|Kaart van Appingedam uit de atlas van Jacob van Deventer uit 1545. De vestingwallen waren toen reeds geslecht. thumb|De gemeente Appingedam rond 1866 (Atlas van de provincie Groningen 1865-1870) thumb|Nicolaïkerk thumb|Raadhuis thumb|De oude Joodse begraafplaats op de wierde waar het Augustijnerklooster stond. Appingedam () (Gronings: Dam of DaamLokaal soms uitgesproken als Appegedam, Apmgedam, Appin'dam of Apnkedaam) is een stad en voormalige gemeente in Nederland in de provincie Groningen, die in 2021 is opgegaan in de fusiegemeente Eemsdelta. Het aantal inwoners per 31 januari 2022 was ca. 10.900.Berekend met behulp van deze tabel

Het stadje Appingedam, gelegen aan het Damsterdiep, werd tot de 19e eeuw als hoofdplaats van Fivelingo beschouwd. Het is sinds de middeleeuwen de enige plaats in de Groninger Ommelanden met stadsrechten.De late verlening van stadsrechten aan Delfzijl en Winschoten in 1825 leverde geen feodale privileges meer op en had een symbolische bedoeling. Het centrum van Appingedam is sinds 1972 een beschermd stadsgezicht, waaraan in 1991 een uitbreiding is toegevoegd.

Toponymie De naam Appengadomme (1225) of Damme (1235) is volgens sommige theorieën ontleend aan een dam in de rivier de Appe of Apt, maar op naamkundige gronden is een afleiding uit de riviernaam Appe onwaarschijnlijk. Dergelijke vormen komen in de Middeleeuwen alleen voor bij landschapsnamen als Fivelingo.A. Remmers, Von Aaltukerei bis Zwischenmooren. Die Siedlungsnamen zwischen Dollart und Jade, Schuster, Leer 2004, p. 265

Waarschijnlijker is een afleiding van de persoonsnaam Appe/Abbe, dan wel de familienaam Appinga/Abbinga. Appingedam betekent dan 'dam bij de woonplaats van de mannen van Abbo' of 'dam bij de woonplaats van de familie Abbinga'. Volgens enkele 15e-eeuwse bronnen werd de wierde die zich ter plaatse bevond ook wel Appingen genoemd.Vergelijkbaar daarmee is de kloosterwierde Appingen in de Krummhörn rond Emden (Nedersaksen), 1401 Appungen.

Een inwoner van Appingedam wordt een Damster of Appingedammer genoemd. In de Middeleeuwen sprak men wel van Damsaters, Latijn Dammenses, dat is 'dambewoners'.

Appingedam wordt ook wel de Fivelstad genoemd. Met de Fivel wordt in dit geval het Damsterdiep bedoeld, maar de historische Fivel was een andere rivier op afstand van Appingedam.

Geschiedenis Ontstaan Over de precieze ouderdom van Appingedam bestaat geen zekerheid. De archeologische vondsten gaan terug tot ongeveer 1140, al zijn er enkele oudere vondsten gedaan, waaronder een Badorf-kan uit de 10e eeuw.Noordelijk Archeologisch Depot Nuis: trefwoorden Badorf tuitkan, Appingedam (geraadpleegd 7 november 2021). Gearchiveerd op 18 december 2021.

Appingedam ontstond vermoedelijk rond 1100 op een van de dijken langs de Delf (het latere Damsterdiep) of een van de voorlopers daarvan. Bij de kruising van de Delf, de Groeve, de Groote Heekt en enkele handelswegen ontstond een nederzetting van schippers, koop- en ambachtslieden. In een document uit 1224 is voor het eerst sprake van een markt- of vergaderplaats (Forum), waarmee waarschijnlijk Appingedam wordt bedoeld. Een deel van de nederzetting lag op De Wierde (onder Tjamsweer), waar in 1328 een Augustijnenklooster werd gevestigd.

Over de beginperiode bestaan verschillende theorieën, die zich concentreren op de vermoede loop van het riviertje de Appe (zie daar). Een aantal auteurs (Hoft 1990; Ten Broek 1935-37) gaat ervan uit dat Appingedam is ontstaan aan een dam in de Heekt, de Appe of de Groeve. De nederzetting zou al hebben bestaan voordat rond 1200 de Delf (het Damsterdiep) werd gegraven. Als consequentie van deze opvatting wordt soms gesteld dat met de in 1057 genoemde plaats Geleviswert, waar munten werden geslagen, niet Garrelsweer maar Garreweer wordt bedoeld. Andere auteurs meenden dat Appingedam pas na het graven van de Delf is gesticht. Het stadje zou mogelijk zijn ontstaan aan een sluis of dam in de Delf.Kooke & Vermeulen (1978) Recent historisch-geografisch onderzoek heeft laten zien dat het Damsterdiep al voor het jaar 1000 moet zijn gegraven om de ontwatering van het achterland te verbeteren.Ligtendag (1995). Aanwijzingen voor het bestaan van een dam in de Delf zijn echter niet gevonden.

Groei en bloei Door de gunstige ligging aan de Delf, die een open verbinding met de zee vormde, groeide de nederzetting in korte tijd uit tot een belangrijk handels- en marktcentrum. Appingedam werd de hoofdplaats van het Friese gewest Fivelingo. Aan de kaden van de Delf werden binnengelopen zeeschepen afgemeerd en losten en laadden schippers hun vracht. Vervolgens werden de goederen opgeslagen en verhandeld. Handel werd gedreven met Noord-Duitsland en het Oostzee-gebied, Scandinavië en Westfalen. Bij de Wezertol van Bremen golden gunstige uitzonderingstarieven voor Damster schepen. Appingedam was een belangrijk regionaal marktcentrum. De groei van de stad bleek ook uit de omvang van de romanogotische H. Mariakerk, die halverwege de 14e eeuw de Nicolaïkerk werd en in deze periode als het ware met de stad meegroeide.

Appingedam had in de middeleeuwen niet alleen in economisch, maar ook in juridisch en bestuurlijk opzicht een centrumfunctie. Al in de 13e eeuw vergaderden hier de redgers van het Friese gewest Fivelingo. De zelfstandigheid van rechtspraak en bestuur werd bevestigd in 1327. In dat jaar erkenden de vertegenwoordigers van de Zeven Friese Zeelanden, verenigd in het verbond van de Upstalsboom, de al van oudsher in Appingedam bestaande rechten en gewoonten en leggen deze vast in het stadsprivilege van Appingedam, de buurbrief. Ook in de overeenkomst van 1506 tussen de stad Groningen en graaf Edzard I van Oost-Friesland wordt Appingedam erkend als marktplaats.

De voertaal in Appingedam was in de middeleeuwen Fries. Dit blijkt ook uit overgeleverde Oudfriese wetsteksten. Het Fries werd als gevolg van de Hanzehandel en de invloed van de stad Groningen aan het einde van de middeleeuwen verdrongen door het Nedersaksisch.

Achteruitgang en nieuwe bloei In 1473 sloot de stad Groningen een verdrag met alle landschappen in de provincie, waarbij voor het graan (vooral gerst) het stapelrecht voor de stad werd gevestigd. Daaraan werd gekoppeld dat in de provincie alleen bier geschonken mocht worden dat in de stad was gebrouwen. Met name Appingedam verzette zich hevig tegen het stapelrecht van de stad, maar stond machteloos tegenover het veel grotere Groningen.

In 1514 werd Appingedam ingenomen door Georg van Saksen. De bevolking, die voor een deel zijn toevlucht had gezocht in de Nicolaikerk, werd uitgemoord. Bij dit bloedbad kwamen volgens Wilhelmus Coenders van Helpen meer dan 1000 mensen om het leven, waaronder ook ouden van dagen, vrouwen en kinderen.Feit, H.O. (1886), Nobilarium Groninganum van Wilhelm Coenders van Helpen.

In 1536 werd de stad ingenomen door Meindert van Ham, een aanvoerder in het leger van Karel van Gelre, maar in september van datzelfde jaar werd hij verdreven door Georg Schenck van Toutenburg, stadhouder van Karel V. Daarna werden de vestingwerken geslecht.

Eigenlijk had Schenck van Toutenburg bevolen dat heel Appingedam gesloopt moest worden. Hij liet er een garnizoen legeren onder leiding van overste Hans Hesse, die hierop moest toezien. De Damsters wisten echter op Hesse in te praten om vooral geen haast te maken met de sloop van de huizen. Daardoor werden alleen de vestingwallen gesloopt. Het Augustijnenklooster moest ook worden gesloopt, maar dat werd verboden door Schenck zelf, wiens broer er begraven lag. De stad Groningen probeerde nog in 1565 landvoogdes Maria van Hongarije (die de sloop van Appingedam aanvankelijk had bevolen) ervan te overtuigen de sloop alsnog uit te voeren. Zij wees dit verzoek af omdat de Stadjers hiervan in 1536 te weinig werk hadden gemaakt en bovendien al eens akkoord waren gegaan met een uitspraak van de rechter over een handelsconflict tussen beide steden.Broek, J. van den (2007), Groningen, een stad apart: over het verleden van een eigenzinnige stad (1000-1600). p. 336.

Bij de reductie van Groningen in 1594 werd het stapelrecht niet afgeschaft, maar wel verzacht. Appingedam kreeg het recht op een eigen korenmarkt. Nadat Appingedam in de 16e eeuw in economisch opzicht geleidelijk aan achteruit was gegaan, ontstond er een opleving rond 1630, toen het laatrenaissancistische Raadhuis gebouwd werd en rond 1760, toen veel gevels, vooral in de Solwerderstraat, werden vernieuwd. Aan het eind van de 18e eeuw werden toch nog altijd zo'n 50 zeeschepen per jaar bevracht en werden regelmatig vaste beurtdiensten onderhouden op Sneek, Amsterdam en Leer.

Langs het Damsterdiep stonden steen- en pannenbakkerijen, kalkovens en scheepswerven. Wind- en rosmolens zorgden voor het malen van graan en boekweit het persen van olie en het zagen van hout. Bovendien telde de stad zes bierbrouwerijen, twee jeneverstokerijen, enkele leerlooierijen, weverijen, garentwijnderijen, een zeepziederij, een lijmziederij, een azijnmakerij en een zoutkeet.

Toen de Fransen zich opmaakten voor het Beleg van Delfzijl (1813-1814) werd Appingedam van de voorraden leeggeroofd. Later zou Marcus Busch, als Nederlandse kolonel van de schutterij de belegeraar van de vestingstad Delfzijl, zijn hoofdkwartier in Appingedam kiezen. De Damsters zouden tijdens het beleg nog wel natte voeten krijgen, want Pierre Maufroy, verdediger van de stad, sloot de sluizen van Delfzijl, zodat de Fivelboezem onder water kwam te staan.

Na de voltooiing van het Eemskanaal nam de scheepvaart over het Damsterdiep af en wist buurplaats Delfzijl deze naar zich toe te trekken. Delfzijl wist te bedingen dat de Damsters geen gebruik van het Eemskanaal mochten maken. In 1884 kreeg de stad aansluiting op de spoorlijn Groningen - Delfzijl. Het vervoer over water nam hierdoor nog verder in belang af.Panman, M. & J. Possel (1992), Architectuur en stedebouw in Groningen 1850-1940. pp. 66-67

Aan het einde van de 19e eeuw bloeide de Damster economie weer wat op. Appingedam maakte vooral naam met de veemarkten, waarvan de paardenmarkt de belangrijkste was. In 1870 introduceerde C. Roggenkamp de eerste stoommachine in Appingedam en richtte hij een van de eerste stoomtimmerfabrieken van Nederland op, Molly.

Eerste helft van de 20e eeuw Aan het begin van de twintigste eeuw ontwikkelde de stad zich meer en meer tot het industriële centrum van Fivelingo. Appingedam kreeg onder andere een zuivelfabriek, een vlasfabriek, een strokartonfabriek De Eendracht, een gasfabriek, een trailerfabriek (onderdeel van de DAM) en twee carrosseriefabrieken Medema en Bos (later Smit). De machinefabriek Ter Borg & Mensinga (Borga) kreeg wereldfaam en de Appingedammer Bronsmotorenfabriek van Jan Brons produceerde de Bronsmotor, een scheepsmotor van eigen vinding die over de hele wereld werd verkocht. Thans staat op de hoek van de Kniestraat en de Dijkstraat, als industrieel monument, de reusachtige krukas van zo'n Bronsmotor. De industrie vestigde zich vooral langs het Damsterdiep en De Groeve (het Damstermaar), de verbinding met het Eemskanaal. Met de groei van de industrie namen ook de middenstand, het bankwezen en onderwijs en maatschappelijke voorzieningen toe, onder andere door initiatieven van de advocaat en lokale politicus mr. A.T. Vos.