Cetiosaurus is een geslacht van uitgestorven plantenetende sauropode dinosauriërs, behorend tot de Eusauropoda, dat tijdens het Midden-Jura, het Bathonien, leefde in het gebied van het huidige Europa.

Cetiosaurus is een van de eerste dinosauriërs die ontdekt is. Fossielen van het geslacht werden al in het begin van de negentiende eeuw in Engeland gevonden. In 1842 kreeg het geslacht zijn naam, die zoiets als 'zeemonstersauriër' of 'walvishagedis' betekent. Men begreep namelijk niet dat het een dinosauriër was en dacht dat het om een reusachtige in de zee levende krokodil ging. Pas rond 1860 werd het duidelijk dat het een op het land levende sauropode betrof.

In de late negentiende eeuw was het gewoonte om allerlei vondsten van Sauropoda in dit geslacht onder te brengen. Binnen Cetiosaurus zijn zo in totaal achttien soorten benoemd. De meeste daarvan worden tegenwoordig bij andere geslachten ondergebracht of zijn gebaseerd op zulke slechte resten dat niemand precies weet om wat voor dieren het gaat. Dat laatste geldt ook voor de oorspronkelijke typesoort van het geslacht, Cetiosaurus medius. Daarom werd voorgesteld om van de enige soort waarvan wel goede fossielen bekend zijn, de in 1869 ontdekte Cetiosaurus oxoniensis, officieel de vervangende typesoort te maken. De ICZN besloot in 2014 deze verandering inderdaad door te voeren. Van C. oxoniensis zijn enkele gedeeltelijke skeletten gevonden zodat van de bouw, op de nog onbekende schedel na, een redelijk goed beeld bestaat.

Cetiosaurus oxoniensis werd ongeveer zestien meter lang en elf ton zwaar. Net als alle sauropoden had hij een lange nek en staart en liep op vier poten. Zijn nek was niet heel langgerekt maar de voorpoten waren wel vrij hoog. Die combinatie wijst erop dat hij zowel van de grond als van lagere boomtakken at. C. oxoniensis leefde 167 miljoen jaar geleden, ver voor de meeste bekende sauropoden, en zijn botten zijn nog niet zo sterk uitgehold als bij latere soorten van die groep.

In 2025 werd bij graafwerken in een Engelse steengroeve een pootafdrukken gevonden over een lengte van ruim 200 meter. Deze werden toegeschreven aan de Cetiosaurus.

Naamgeving Owen benoemt Cetiosaurus De eerste overblijfselen van wat later Cetiosaurus zou worden genoemd, werden gevonden bij Chipping Norton.Het materiaal van het eiland Wight, dat vaak als eerste vondst van Cetiosaurus wordt genoemd, blijkt vrijwel uitsluitend te bestaan uit restanten van Iguanodon; zie Upchurch & Martin (2003): 209, onder C. brevis John Kingdon deed er in 1825 verslag van in een brief aan de Geological Society (gelezen in de bijeenkomst van 3 juni). Verschillende paleontologen dachten dat de gevonden resten, bestaande uit wervels en beenderen van de ledematen, van een walvis waren. Toen het materiaal onder de aandacht kwam van de paleontoloog Richard Owen, dacht die echter dat de gevonden botten van een onbekend in het water levend reptiel kwamen, een gigantisch roofdier dat gezien zijn 'alles overstijgende omvang en sterkte' geschapen was om de krokodillen en Plesiosauria van zijn tijd in te tomen. Owen benoemde het geslacht in 1841 als Cetiosaurus wat als 'walvis-hagedis' vertaald kan worden.Owen, R. (1841), A description of a portion of the skeleton of the Cetiosaurus, a gigantic extinct saurian reptile occurring in the oolitic formations of different portions of England. Proceedings of the Geological Society of London 3: 457–462. Gearchiveerd op 14 mei 2016. De naam is afgeleid van het Oudgrieks κήτειος, kèteios, 'zeemonster'. Hoewel hij in dezelfde tijd (1842) de groep Dinosauria creëerde, had hij niet in de gaten dat Cetiosaurus een dinosauriër was. left|thumb|Owen gaf zeven soorten van Cetiosaurus hun naam In 1842 benoemde Owen twee soorten: Cetiosaurus hypoolithicus en Cetiosaurus epioolithicus. De soortaanduidingen weerspiegelen of de vondsten onder (hypo) of boven (epi) de zogenaamde oölitische lagen gedaan waren.Owen, R. (1842), Second rapport sur les reptiles fossiles de la Grande-Bretagne. L’Institut, Journal général des Sociétés et Travaux Scientifique de la France et de l’ Étranger 10: 11–13 De eerste soort was gebaseerd op het materiaal van Kingdon; de tweede soort op wervels en middenhandsbeenderen gevonden bij White Nab in Yorkshire. In de publicatie worden beide namen los van een beschrijving genoemd en in 2003 concludeerden Upchurch & Martin dat het nomina nuda zijn.Upchurch, P.M. & Martin, J. (2003). The anatomy and taxonomy of Cetiosaurus (Saurischia, Sauropoda) from the Middle Jurassic of England. Journal of Vertebrate Paleontology 23(1): 208-231 De namen zijn nooit in gebruik geraakt omdat er kort daarop een nieuwe publicatie van Owen verscheen, waarin hij het geslacht opnieuw, nu veel uitgebreider, besprak, en nieuwe namen gaf.Owen, R. (1842), Report on British Fossil reptiles, Pt. II. Reports of the British Association for the Advancement of Science 11: 60–204 (Cetiosaurus vanaf p. 94) Hierin benoemde hij Cetiosaurus brevis, 'de korte', (van de Wealden strata, Isle of Wight, uit de collectie van William Devonshire Saull, en de Hastings Beds van Cuckfield), Cetiosaurus brachyurus, 'de kortstaart', (van de Wealdenformatie by Tetham, Kent), Cetiosaurus medius, 'de middelgrote', (van de oölitische strata onder de Wealden, bij Chipping Norton) en Cetiosaurus longus, 'de lange', (uit de Portland stone, collectie William Buckland, en uit de Yorkshire oöliet bij White Nab, Yorkshire).

Volgens Upchurch & Martin behoort het materiaal dat geassocieerd is met de naam Cetiosaurus brevis, voornamelijk wervels, vrijwel allemaal tot het geslacht Iguanodon. Dit was in 1849 ook al opgemerkt door Melville, die het weinige materiaal dat wél van een sauropode dinosauriër is, al apart als Cetiosaurus conybeari benoemde.Melville, A.G. (1849), Notes on the vertebral column of the Iguanodon. Philosophical Transactions of the Royal Society of London 139: 285–305 (de naam Cetiosaurus conybeari wordt vermeld op pagina 297) Dit is daarmee echter een jonger objectief synoniem van C. brevis.Het nieuwe epitheton conybeari was overbodig aangezien de nieuwe naam gebaseerd was op wat er over was van het typemateriaal van Cetiosaurus brevis nadat de rest aan Iguanodon was toegeschreven, dus de naam brevis was nog steeds van toepassing; zie Upchurch & Martin (2003): 209, onder C. brevis Upchurch & Martin denken dat dit materiaal resten betreft van een lid van de Brachiosauridae of in ruimere zin van de Titanosauriformes en dus niet van Cetiosaurus. Mede op ditzelfde materiaal werd in 1850 door Gideon Mantell de soort Pelorosaurus conybearei gebaseerd, die daarmee ook een jonger synoniem is van C. brevis. Het zeer schaarse materiaal dat is geassocieerd met de naam C. brachyurus, losse wervellichamen die niet meer te lokaliseren zijn in de moderne collecties, hoort volgens hen ook toe aan een Iguanodon. Het deel dat Upchurch & Martin konden terugvinden van het materiaal waarmee de naam C. longus is geassocieerd, is volgens hen hetzelfde als waarop C. epiooliticus was gebaseerd. Vanwege het gebrek aan diagnostische kenmerken, beschouwden ze deze naam als nomen dubium, hoewel ze niet uitsluiten dat het materiaal tot Cetiosaurus behoort. In 1990 werd het door John McIntosh hernoemd tot een Cetiosauriscus longus. De enige naam waarmee wel veel materiaal van een Cetiosaurus geassocieerd is, is Cetiosaurus medius. Owen zelf schreef al dat het materiaal waarop hij de naam baseerde afkomstig was van verschillende plaatsen (Chipping Norton, Buckingham, Blisworth, Stratford-upon-Avon) en Upchurch & Martin laten zien dat zelfs het materiaal van de belangrijkste collectie, die van John Kingdon, uit Chipping Norton, van verschillende locaties bij elkaar is gebracht. Dat maakt het lastig om te beoordelen of het materiaal wel tot dezelfde soort behoort. Het typemateriaal bestaat uit elf losse staartwervels, specimina OUMNH J13693–13703, een partij sacrale ribben met een middenvoetsbeen (OUMNH J13704–13712), een middenhandsbeen (OUMNH J13748) en een klauw (OUMNH J13721). Daarnaast werden verschillende andere fossielen door Owen aan C. medius toegewezen.

De vondsten door Phillips thumb|350px|Resten van C. oxoniensis. Bovenaan het schouderblad, opperarmbeen en dijbeen. Onderaan het ravenbeksbeen, darmbeen, de ellepijp en een scheenbeen, met een ruggenwervel In 1870 publiceerde Thomas Henry Huxley een brief van John Phillips, waarin deze de naam Cetiosaurus giganteus aan Owen toeschreef.Huxley, T.H. 1870. "Further evidence of the affinity between the Dinosaurian reptiles and birds". Quarterly Journal of the Geological Society of London 26: 12–31 Het zou gaan om een linkerdijbeen, gevonden in de Gibraltar quarry bij Bletchingdon Station, en dat nu nog bewaard is als specimen OUMNH J13617. Aangezien de brief geen beschrijving bevatte en een descriptie verder ook niet van Owen bekend is, beschouwen Upchurch & Martin de naam als een nomen nudum. In 1871 werd Cetiosaurus oxoniensis beschreven door John Phillips (als Ceteosaurus Oxoniensis), samen met C. glymptonensis.Phillips, J. (1871), Geology of Oxford and the Valley of the Thames: 245-294 (de naam oxoniensis wordt voor het eerst vermeld op pagina 291). Gearchiveerd op 13 april 2016. De soortaanduiding oxoniensis is afgeleid van de Latijnse naam voor Oxford: Oxonia; glymptonensis verwijst naar Glympton. Phillips had tussen maart 1869 en juni 1870 opgravingen verricht bij Bletchingdon nadat arbeiders in een steengroeve in maart 1868 het rechterdijbeen van een sauropode gevonden hadden.

C. glymptonensis, gebaseerd op een reeks afwijkend lange wervellichamen uit de staart, specimina OUMNH J13750–13758, beschouwden Upchurch & Martin als een andere soort dan C. oxoniensis, mogelijk zelfs een ander geslacht, een lid van de Diplodocoidea. De hernoeming door McIntosh in 1990 tot een Cetiosauriscus glymptonensis wezen ze af. Het materiaal dat Phillips associeerde met de naam C. oxoniensis bestaat voor een deel uit fossiele resten die ook door Owen werden genoemd in zijn beschrijving van C. medius, en verder noemde Phillips drie recenter gevonden, completere skeletten, uit de buurt van Bletchingdon. Deze betroffen een vrij compleet groter dier, waarvan de resten nu de inventarisnummers OUMNH J13605–13613, J13615–16, J13619–J13688 en J13899 dragen; een middelgroot skelet waarvan alleen wat beenderen uit ledematen over zijn (OUMNH J13614) en een skelet van een veel kleiner individu waarvan een schouderblad en een achterpoot bewaard zijn (OUMNNH J13617–8, J13780–1). Deze vondsten zijn gedaan in de Forest Marble die dateert uit het Bathonien. In 2003 kozen Upchurch & Martin het grootste en meest volledige skelet als het lectotype; het is daarmee dus het typespecimen van C. oxoniensis. In dezelfde publicatie gaven ze daarvan de eerste uitgebreide moderne beschrijving. Ook wezen ze een op 19 juni 1968 bij Great Casterton nabij Rutland gevonden skelet van veertien à vijftien meter lengte, specimen LCM G468.1968, aan C. oxoniensis toe. Dit vult het oudere materiaal in verschillende elementen aan, vooral uit de nek. Dit exemplaar is het meest complete dat in het Verenigd Koninkrijk ooit van een sauropode is gevonden.

Later benoemde soorten