Legio X Gemina Pia Fidelis ("Het tiende tweelinglegioen, trouw en toegewijd"), in het Nederlands ook het Tiende Legioen genoemd, is een van de Romeinse legioenen die aanvankelijk door de veldheer Julius Caesar werden gebruikt tijdens de door hem gevoerde Gallische Oorlog. Dit legioen heeft tot in de 5e eeuw zijn sporen nagelaten.
Het betreft waarschijnlijk hetzelfde legioen als Legio X Equestris ("Het bereden legioen").
Het Tiende Equestris en Julius Caesar Het Tiende Legioen werd waarschijnlijk in 61 v.Chr. in de provincie Hispania opgericht door Julius Caesar. Het bestond voor een groot deel uit Romeinse burgers uit de voornoemde provincie. Andere legionairs waren afkomstig uit bijvoorbeeld Verona, Turijn, Brescia en Amphipolis.
Het wordt voor het eerst vermeld toen het in 58 v.Chr. het enige legioen was waarop Caesar een beroep kon doen toen Gallia Narbonensis door de Helvetiërs werd bedreigd. Toen Caesar en Ariovistus een onderhoud planden, eiste Ariovistus dat beiden slechts vergezeld zouden worden door ruiters. Omdat Caesar niet wist of hij de Gallische ruiters voldoende kon vertrouwen, verving hij deze ruiters door legionairs van het tiende legioen, waarin hij het meeste vertrouwen had. Toen een van de legionairs opmerkte dat Caesar meer gaf dan hij beloofde: deze legionair was namelijk als voetsoldaat aangenomen en was nu ridder geworden. Het legioen kreeg hierdoor de bijnaam Equestris.Caesar, De bello gallico, I,42
Het legioen speelde vervolgens een grote rol in de Gallische Oorlogen en nam onder andere deel aan de strijd tegen de Nerviërs, de invasie van Britannia, de belegering van Gergovia en de strijd met Ariovistus. Het bleef trouw aan Julius Caesar in de burgeroorlog tegen Pompeius en vocht in de veldslagen bij Pharsalus en Munda.
In 45 werd het legioen ontbonden (Honesta Missio) en kregen de veteranen land bij Narbonne.
Augustus In 42 v.Chr. werd het Tiende Legioen heropgericht. Het vocht nu onder Augustus (destijds nog Octavianus), Lepidus en Marcus Antonius in de Slag bij Philippi. Later volgde het Marcus Antonius in de campagne tegen de Parthen en werd het met hem verslagen in de slag bij Actium. Augustus huisvestte het legioen naderhand in Patras, waar het legion in opstand kwam. Als strafmaatregel werd de naam Equestris aan het legioen ontnomen. Het legioen werd versterkt met onderdelen van andere legioenen, kreeg de nieuwe bijnaam Gemina en werd in Hispania Tarraconensis gestationeerd, waar Augustus een campagne tegen de Cantabriërs plande.
Vanaf 70 n.Chr. In 69 trok het Tiende Legioen vanuit Hispania een eind in noordelijke richting naar Germania Inferior, na de Opstand van de Bataven. Het verbleef van 71 tot 103 n. Chr. op de Hunnerberg (nu in Nijmegen-Noordoost), in een vesting die Legio II Adiutrix had gebouwd. In Nederland is dit legioen vooral hierdoor bekend. Vermoedelijk lag hier in de nabijheid ook de latere stad Ulpia Noviomagus Batavorum, die algemeen als Romeins Nijmegen wordt gezien.
Het oorspronkelijke houten kampement werd na 20-30 jaar (tussen 89 en 96 n.Chr.) vervangen door een stenen fort, dat vanaf dat moment als hoofdkwartier fungeerde. Links van dit hoofdkwartier moet de ambtswoning van de legatus legionis zijn geweest.
Het oorspronkelijke doel van de Romeinen om vanuit hier nog meer gebied van Germanië te veroveren was inmiddels onhaalbaar gebleken. Aangenomen wordt dan ook dat het takenpakket van het Tiende Legioen op de Hunnerberg vooral het toezicht houden op de in de nabijheid levende Bataven omvatte, en ervoor te zorgen dat die niet opnieuw in verzet kwamen. Daarnaast was het legioen verantwoordelijk voor de grensbewaking, het onderhouden en verbeteren van de infrastructuur en het helpen ontwikkelen van de stadscentra.
Het legioen werd vermoedelijk van schoon water voorzien middels een aquaduct dat vanuit het Ketelwald naar de castra op de Hunnerberg liep. Het hout hiervan is niet bewaard gebleven; niettemin wordt uit de vorm van de dalen hier afgeleid dat het aquaduct er in de Romeinse tijd geweest moet zijn. Daarmee is dit het enige bekende Romeinse aquaduct in wat nu Nederland is.
Sinds 1951 is er met tussenpozen intensief naar de archeologische sporen van het Tiende Legioen gezocht. Daarbij is ook een smalle gracht net ten noorden van de Berg en Dalseweg gevonden, die mogelijk de zuidelijke begrenzing was van het Legio II Adiutrix. Vermoed wordt dat er tot en met de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) nog relatief veel van de fundering en muren van het hoofdkwartier in de Nijmeegse grond heeft gezeten. Daarna is zeer waarschijnlijk veel van de hier aanwezige Romeinse tufsteen opnieuw gebruikt als bouwmateriaal. Van de fundering bleef uiteindelijk voornamelijk leem en grauwacke over, naast voornamelijk wat ornamenten van kalksteen die mettertijd verspreid zijn geraakt.
Pia Fidelis Domitiana De enige gelegenheid waarbij het Tiende Legioen ten tijde van hun stationering op de Hunnerberg in actie is gekomen en waarover tevens gegevens bewaard zijn gebleven, betreft een missie naar Mogontiacum (Mainz) in januari 89. Aanleiding hiervoor was de opstand van Lucius Antonius Saturninus, legatus Augusti pro praetore van Germania Superior. De plaatselijke legioenen aldaar hadden hem tot hun nieuwe keizer uitgeroepen. Het Tiende Legioen vocht aan de zijde van de princeps Domitianus, en slaagde erin de opstand in Mogontiacum de kop in te drukken.
Hiervoor kreeg het Tiende Legioen, samen met I Minervia, VI Victrix, en XXII Primigenia de eretitel Pia Fidelis Domitiana, "het trouwe en toegewijde van Domitianus", hoewel men, na de damnatio memoriae, de naam van de gehate despoot schielijk liet vallen. Sindsdien heette het legioen Legio X Gemina Pia Fidelis.
Tweede eeuw In 103 werd het Tiende Legioen overgeplaatst naar Pannonia Superior, eerst in Aquincum, later in Vindobono (het latere Wenen), om daar mee te doen in de Dacische Oorlogen. Op de Hunnerberg loste een vexillatio uit Britannia hen af.
Vexillatio's van Legio X Gemina werden ingezet in de oorlog tegen Sjimon bar Kochba (132-135), andere detachementen namen deel aan de campagne tegen de Parthen van Lucius Verus in 162 en later die van Marcus Aurelius tegen de Quaden. Het Tiende ondersteunde de ambities van zijn legatus Augusti pro praetore Septimius Severus in diens streven naar het Principaat en menig miles gregarius trok naar Rome om lid te worden van de pretoriaanse garde.
Derde eeuw Gedurende de derde eeuw, het tijdperk van de soldatenkeizers, vocht het legioen met verschillende keizers mee en verzamelde eretitel na eretitel, waarschijnlijk allemaal vergezeld van een stevige financiële beloning of kans op een (goedbetaalde) aanstelling bij de pretoriaanse garde. Onder de verleende eretitels vindt men: Pia Fidelis Antoniniana, Pia Fidelis Gordiana, Deciana, Floriana en Cariniana, die het in de regel echter niet lang overleefden (vgl. Pia Fidelis Domitiana). Voor de steun voor Gallienus tegen Postumus kreeg het de titel Pia VI Fidelis VI, zesmaal trouw, zesmaal toegewijd.
Vierde eeuw In de tijd dat de Notitia Dignitatum verschijnt (begin vierde eeuw), stond het eerste detachement van Decima Gemina onder bevel van de magister militum per orientem, dus het Oost-Romeinse Rijk, terwijl het andere nog in Vindobona (Wenen) gestationeerd was onder commando van de Dux Pannoniae primae et Norici ripensis, de bevelhebber van het gebied dat het tegenwoordige Kroatië, Slovenië en Hongarije omvat, tot de oevers van de Donau.
Zie ook Geschiedenis van Nijmegen#Romeinse tijd Romeinen in Nederland
Categorie:Romeins legioen Categorie:Romeinen in Nijmegen