In de ban van de ring (Engels: ), is een fantasy-werk geschreven door de taalkundige en universitair hoogleraar J.R.R. Tolkien. Het werd in fasen geschreven tussen 1937 en 1949, waarvan veel tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het werk werd uitgegeven in drie banden, getiteld , en , vertaald door Max Schuchart als De reisgenoten, De twee torens en De terugkeer van de koning.

Structureel gezien bestaat het werk uit zes boeken, twee per band, samen met verschillende appendices en achtergrondinformatie die zijn opgenomen op het einde van het laatste deel. De Engelstalige titel van het werk verwijst naar de belangrijkste antagonist in het verhaal: de Zwarte Heerser Sauron, die ooit de Ene Ring creëerde om op die manier de andere Ringen van Macht te regeren.

is sinds de jaren 50 verschillende keren herdrukt en vertaald in meerdere talen, zodat het al spoedig een van de meest populaire en invloedrijke werken van de 20ste eeuw werd wat betreft fantastische literatuur.

Verhaal thumb|De Ene Ring

De Hobbit Frodo Balings krijgt van zijn oom Bilbo Balings een gouden Ring. Dit blijkt een magische ring te zijn die grote macht in zich draagt. De Ring is gesmeed door Sauron, de vertegenwoordiger van al het kwade in Midden-aarde. Sauron kan alleen verslagen worden als de Ring wordt vernietigd.

De vertelling begint in de Gouw en doorkruist hierna heel het westen van Midden-aarde tot aan het vijandelijke land Mordor. Het verhaal wordt afwisselend verteld vanuit het perspectief van de hobbits Frodo Balings, Sam Gewissies, Meriadoc Brandebok en Peregrijn Toek en vanuit het perspectief van de Doler Aragorn, de Dwerg Gimli, de Elf Legolas en de Tovenaar Gandalf.

Samenvatting

De reisgenoten () De macht van de Ring wordt groter

Op een dag komt Gandalf op bezoek in Hobbitstee in de Gouw, waar de hobbit Bilbo Balings zijn 111e verjaardag viert. Gandalf vertelt aan Bilbo's neef Frodo dat Sauron Gollem gevangen heeft genomen. Hierdoor weet Sauron dat de Ene Ring in Bilbo's bezit is.Bilbo is Gollem ooit tegengekomen in een grot en heeft de Ring daar op de grond gevonden en heimelijk meegenomen; zie De Hobbit, hoofdstuk 5 Bilbo vertrekt tijdens zijn eigen verjaardagsfeest heimelijk en gaat naar Rivendel. Hij laat de Ring, die hij tientallen jaren in zijn bezit heeft gehad, met enige tegenzin achter.

Frodo krijgt van Gandalf de opdracht om met de Ring af te reizen naar Bokland, waar zijn moeders familie oorspronkelijk vandaan kwam, en te doen alsof hij zich daar zou vestigen. Gandalf zal dan ook daarheen komen en samen met Frodo de reis uit de Gouw ondernemen. Frodo vertrekt niet alleen, maar samen met zijn tuinman Sam Gewissies en zijn vrienden Merijn Brandebok en Pepijn Toek.

Onderweg naar Bokland worden de Hobbits voor het eerst opgeschrikt door Zwarte Ruiters (Nazgûl), die proberen voor Sauron de Ring te bemachtigen. Als blijkt dat Gandalf niet op tijd in Bokland is aangekomen, zetten de hobbits hun reis voort naar Breeg. Om de Nazgûl te ontwijken nemen ze de weg door het Oude Woud, waar ze Tom Bombadil ontmoeten, die hen daar uit een benarde situatie redt. Hun pad leidt ook over de onherbergzame Grafheuvels, waar ze door een grafgeest gevangen worden genomen. Opnieuw brengt Tom Bombadil redding.

Als de Hobbits in Breeg aankomen, blijkt dat Gandalf daar niet is. Hij heeft echter een brief achtergelaten bij Gersteman Boterbloem, de waard van de herberg De Steigerende Pony. In de brief staat dat Frodo al eerder had moeten vertrekken omdat de Nazgûl waren uitgereden. Gandalf schrijft ook dat ze in contact moeten komen met de Doler Aragorn, bijgenaamd Stapper, die zich in de herberg inderdaad aan de Hobbits heeft voorgesteld. Boterbloem was vergeten de brief af te geven in Hobbitstee. 's Nachts wordt de herberg aangevallen. De vier metgezellen vertrekken samen met hun nieuwe reisgenoot Stapper naar Rivendel. Onderweg rusten ze uit bij een hoge heuvel, de Weertop. Die nacht wordt hun kamp aangevallen door de Nazgûl. Stapper weet ze te verslaan, maar hun leider bezorgt Frodo wel een steek in zijn schouder. Frodo wordt zo snel mogelijk naar Rivendel gebracht, alleen daar kan zijn wond worden genezen.

De Ring gaat zuidwaarts In Rivendel wordt Frodo's wond genezen. Gandalf is inmiddels ook hier gearriveerd. Hij had gevangen gezeten in Isengard, de basis van Saruman, een andere Tovenaar, die de vrije volkeren verraden heeft. Ook Bilbo verblijft nog altijd in Rivendel en hij heeft een weerzien met zijn neef.

In Rivendel wordt tijdens de Raad van Elrond besloten dat de Ring vernietigd moet worden. Dit kan enkel gebeuren in het vuur van de Doemberg, de vulkaan waarin de Ring ook ooit is gesmeed. Deze berg ligt echter midden in Mordor. Frodo verklaart zich, als de huidige drager van de Ring, bereid om deze zware missie op zich te nemen. Rondom Frodo wordt daarop een reisgezelschap gevormd dat hem zal helpen zijn doel te bereiken: de Hobbits Sam, Merijn en Pepijn (in eerste instantie tegen de wil van Elrond), de Elf Legolas, de Tovenaar Gandalf, de Dwerg Gimli en de Mensen Boromir en Aragorn. Het 'Gezelschap van de Negen' (de Negen Lopers) neemt het vanaf nu op tegen de Nazgûl, de Negen Ruiters, tegen Saruman, die het hoofd van de orde der Tovenaars was, en tegen Sauron zelf en diens dienaren. Het gezelschap trekt naar het zuiden, waar Frodo's eindbestemming ligt. Eerst zullen ze nog door Gondor reizen, een ander land dat door Sauron wordt bedreigd.

Het gezelschap slaagt er niet in om over de Roodhornpas te trekken vanwege hevige sneeuwstormen. Ze besluiten om in plaats daarvan de weg door de duistere mijnen van Moria te nemen, waar lang geleden Dwergen woonden, maar nu waarschijnlijk Orks en misschien nog gevaarlijkere wezens. Als ze de mijnen in willen gaan, komt er uit het water voor de poort een monster (de Wachter in het water) omhoog dat Frodo mee het water wil insleuren. Geholpen door Sam weet Frodo te ontsnappen en het gezelschap vlucht de mijnen in. Daar komen ze enige tijd niemand tegen, maar als ze bijna bij het einde zijn worden ze aangevallen door Orks. Ze vluchten naar de uitgang. Als ze een brug over een diepe afgrond oversteken (de Brug van Kazad-Dûm), komt er een Balrog achter hen aan. Gandalf slaagt erin dit monster lang genoeg op te houden, zodat de rest van het gezelschap over een brug kan vluchten. Tijdens een gevecht verdwijnt Gandalf samen met het monster in een diepe afgrond.

Als de resterende acht reisgenoten uit Moria komen, trekken ze naar het bos Lothlórien, waar een Elfenvolk woont. Van Galadriel, de leidster van deze Elfen, krijgen ze drie boten om over de rivier de Anduin verder te trekken. Zodra ze bij de watervallen van Rauros stoppen, is er onenigheid over waar men heen wil. Boromir tracht Frodo ertoe over te halen mee te gaan naar Gondor, zodat de Ring daar gebruikt kan worden in de oorlog. Frodo wil echter naar het oosten, naar Mordor. Hierop probeert Boromir de Ring van Frodo af te nemen. Frodo vlucht en besluit de rest van het gezelschap te verlaten. Sam volgt hem. Ze steken met z'n tweeën de rivier de Anduin over en vervolgen hun weg naar Mordor.

De twee torens () Het verraad van Isengard thumb|Gandalf bevecht de Nazgûl Merijn en Pepijn worden gevangengenomen door de Uruk-hai, een door Saruman gecreëerde Orksoort. Boromir wordt gedood terwijl hij hen verdedigt. De Uruk-hai ontvoeren de Hobbits naar Isengard, achtervolgd door Aragorn, Gimli en Legolas. De Rohirrim overvallen de Orks. Merijn en Pepijn slagen erin te ontsnappen, en ze vluchten het woud Fangorn in. Daar hebben zij een ontmoeting met Boombaard, de leider van de Enten. Dit zijn oeroude en (normaliter) trage wezens, de herders van de bomen. Als de Enten het verhaal van de Hobbits hebben gehoord, besluiten ze gezamenlijk ten strijde te trekken tegen Saruman.

Aragorn, Gimli en Legolas steunen de mensen van Rohan in hun strijd tegen de legers van Saruman. Ook Gandalf, die toch nog blijkt te leven, voegt zich weer bij hen: hij heeft nu de opdracht weer naar Midden-aarde terug te keren om daar de krachten van het goede bij te staan tegen het kwaad. De koning van Rohan, Théoden, wordt bevrijd van de verderfelijke invloed van Gríma Slangtong, die een verrader in dienst van Saruman blijkt te zijn. In Helmsdiepte weerstaat het leger van Rohan de legers van Saruman, die uiteindelijk door de Enten worden verslagen. Gandalf ontneemt Saruman al zijn macht, maar na afloop kijkt Pepijn in de Palantír die Saruman gebruikte om met Sauron te communiceren. Daardoor denkt Sauron dat de Hobbit met de Ring ver in het westen is. Sauron besluit nu om ten strijde te trekken tegen Gondor.

De weg naar Mordor Intussen ontmoeten Frodo en Sam Gollem, die nog steeds bezeten is van de Ring en geheel gefixeerd is op het terugkrijgen ervan. Uiteindelijk leidt dit schepsel Frodo en Sam door de Dode Moerassen op weg naar Mordor. In Ithilien, op de oostelijke oever van de Anduin, worden Frodo, Sam en Gollem gevangengenomen door Faramir, de broer van Boromir. Faramir is geïnteresseerd in de Ring, maar in tegenstelling tot zijn broer doet hij geen poging om Frodo de Ring af te nemen. Hij besluit de twee Hobbits weer te laten gaan zodat ze hun missie kunnen afmaken. Hij waarschuwt ze met klem voor Gollem, die nog steeds met Frodo en Sam meereist. Gollem leidt hierna de twee Hobbits via de Ephel Dúath naar het hol van de reuzenspin Shelob, in de hoop dat die Frodo en Sam zal opeten, waarna Gollem de Ring terug kan krijgen. Zijn plan mislukt echter door Sams optreden. Sam draagt zelf een tijdlang de Ring in de veronderstelling dat Frodo dood is. Frodo blijkt echter nog in leven te zijn en wordt door Orks meegenomen.

De terugkeer van de koning () De oorlog om de Ring Gandalf en de Mensen van Rohan trekken ten strijde naar Gondor. Aragorn, Gimli en Legolas betreden de Paden der Doden, een geheime doorgang door de bergen tussen Gondor en Rohan, om een leger dode Mensen op te roepen tegen Sauron te vechten. Deze Mensen hadden een eed van trouw aan Gondor gezworen, maar braken deze toen Gondor een beroep op hen deed voor strijd tegen Sauron in een eerdere Era, waardoor ze vervloekt zijn en geen rust hebben tot een erfgenaam van Elendil hen alsnog van hun eed ontslaat. Met dit leger gaan ze naar de Gondoriaanse havenstad Pelargir, en verslaan daar een vijandige kapersvloot, de Kapers van Umbar, die op weg waren naar Minas Tirith.

In de hoofdstad Minas Tirith is de toestand inmiddels kritiek. Faramir is gewond en wordt zwaar ziek door de zwarte adem van de Nazgûl. Ook Denethor II, de stadhouder en vader van Boromir en Faramir, gebruikt een Palantír om het rijk te overzien. Doordat Sauron echter via zijn Palantír contact heeft gemaakt met die van Anor, ziet Denethor enkel wanhoop, waarna hij zelfmoord pleegt. De legers van Aragorn, die na het verslaan van de Kapers versterkingen heeft opgeroepen uit Lamedon en Lossarnach, en Rohan verschijnen net op tijd om de aanval van Sauron af te slaan, wiens legers de eerste van de zeven ringen van de stad al in handen hebben, maar in de strijd sneuvelt Théoden. Zijn nicht Éowyn weet de Tovenaar-koning van Angmar echter te doden, geholpen door Merijn. Aragorn komt daarna de stad binnen om Faramir, Éowyn en Merijn te redden met een geneeskrachtige plant. Hij kan dit doordat de leden van zijn geslacht daartoe de benodigde kennis van magie hebben. Hierom wordt hij in de stad erkend als de nieuwe koning. Aragorn is tevens de erfgenaam van de koningen van Gondor, zodoende is hij sowieso al de rechtmatige heerser van dit land. Hoewel de aanval nu is afgeslagen, blijft de militaire toestand tamelijk hopeloos. Toch gaan de legers van het westen in de aanval, om de aandacht van Sauron te trekken en zo Frodo de kans te geven ongemerkt bij de Doemberg te komen. Voor de Morannon daagt Aragorn Sauron uit, die zijn troepen vervolgens Aragorns leger laat aanvallen. De legers van de Mensen dreigen het onderspit te delven.

De terugkeer van de koning