Gustav Landauer (Karlsruhe, 7 april 1870 - München-Stadelheim, 2 mei 1919) was in Duitsland, rond het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw, een van de belangrijkste theoretici en activisten van het anarchisme. Beïnvloed door Peter Kropotkin vertegenwoordigde hij het anarchocommunisme en was daarnaast pacifist (vgl. ook het anarchopacifisme). Als tegenstander van de oorlog verzette hij zich vanaf het begin tegen de Eerste Wereldoorlog (1914-1918). Tijdens de revolutionaire toestanden, aan het einde van de oorlog en meteen daarna, bekleedde hij in april 1919 een belangrijke positie in de Münchener Radenrepubliek. Nadat die met geweld was neergeslagen, werd hij tijdens zijn hechtenis vermoord door antirepublikeinse soldaten van het Vrijkorps.

Levensloop Landauer werd geboren als tweede kind van een Joodse eigenaar van een schoenenzaak. Hij bezocht het gymnasium in Karlsruhe en studeerde Germaanse talen en filosofie in Heidelberg, Berlijn en Straatsburg. In zijn latere werk blijkt de blijvende invloed van Johann Wolfgang von Goethe en Lev Tolstoj. Hij voelde zich echter tijdens zijn leven ook verbonden met de filosofie van Johann Gottlieb Fichte en Pierre-Joseph Proudhon evenals met de anarchistische theorieën van Michael Bakoenin en Kropotkin. Hij is ook bekend als vertaler van teksten van Shakespeare. Samen met zijn tweede vrouw Hedwig Lachmann vertaalde hij werk van Oscar Wilde, onder andere The Picture of Dorian Gray, in het Duits.

200px|links|thumb|Gustav Landauer rond 1890

In het voorjaar van 1889 ontmoette hij voor het eerst in Berlijn zijn begunstiger en latere vriend voor jaren, de Duits-joodse schrijver en filosoof Fritz Mauthner. In Berlijn sloot hij zich in april 1891 aan bij de Freie Volksbühne en werd lid van de Friedrichshagener Dichterskring. In februari 1892 werd Landauer lid van de Vereniging van Onafhankelijke Socialisten, en tevens van het uitgeverscollectief van hun persorgaan De Socialist. Orgaan van de Onafhankelijke Socialisten. In dat tijdschrift publiceerde hij een reeks artikelen over kunstvraagstukken, maar ook kritische opmerkingen over politieke thema’s en over de economische opvattingen van Karl Marx en Eugen Dühring. In oktober van datzelfde jaar werd hij, samen met vrienden van de joodse literaire club di Yunge (De Jongen), die ook vaak werkzaam waren in de Vereniging van Onafhankelijke Socialisten, medeoprichter van het Nieuwe Vrije Volkstoneel. Eind 1892 huwde Gustav Landauer met de kleermaakster Margarethe Leuschner. In juli 1893 viel de Vereniging van Onafhankelijke Socialisten uiteen. Als leidende vertegenwoordiger van de anarchistische vleugel van de vereniging beëindigde Landauer in juli van datzelfde jaar zijn medewerking aan het tijdschrift De Socialist, waarvan het laatste nummer in januari 1895 verscheen.

Op het Internationale Socialistische Arbeiderscongres van de Tweede Internationale in Zürich verdedigde Landauer in augustus 1893, als afgevaardigde van de Berlijnse anarchisten, het “anarchistische socialisme”. Het Congres, waaraan 411 afgevaardigden uit 20 landen deelnamen, nam tegen de anarchistische minderheid een resolutie aan, waarin men zich uitsprak voor deelname aan verkiezingen en politieke activiteiten in de parlementen. De anarchisten werden geroyeerd uit de IIe Internationale.

thumb|De Socialist van 12 januari 1895 In oktober 1893 werd Landauer voor het eerst gearresteerd en tot twee maanden gevangenisstraf veroordeeld wegens “Het oproepen tot ongehoorzaamheid aan het staatsgezag”, wat in december verlengd werd tot negen maanden. De gevangenisstraf zat hij uit in de gevangenis van Sorau. In 1895 mislukte de poging van Landauer om in Zwitserland een bestaan op te bouwen. Hij keerde terug naar Berlijn, waar hij onder zeer bescheiden materiële omstandigheden zijn leven voortzette in een kring van kunstenaars, schrijvers, acteurs en critici. Tussen 1895 en 1899 gaf hij in Berlijn opnieuw een tijdschrift uit onder de titel De Socialist. Orgaan voor Anarchisme-Socialisme.

thumb|Gedenkplaat aan het huis aan de Schloßstraße 17, Berlijn-Hermsdorf In 1899 ontmoette Landauer zijn latere tweede echtgenote, de in 1865 geboren dichteres en taallerares Hedwig Lachmann. In september 1899 vertrokken ze samen voor een verblijf van geruime tijd in Engeland, waar Landauer een nauw vriendschappelijk contact met de Russische anarchist Peter Kropotkin onderhield. Daar werd ook de dochter van Lachmann en Landauer, Gudula geboren. In 1902 keerden beiden terug naar Berlijn. In 1903 scheidde Landauer van zijn eerste vrouw, om in datzelfde jaar te trouwen met Hedwig Lachmann. In 1906 werd hun tweede dochter Brigitte geboren. Van 1909–1915 gaf hij in Berlijn het tijdschrift De Socialist uit, dat het orgaan werd van de in 1908 door Landauer opgerichte Socialistische Bond. Tot de eerste leden behoorden Erich Mühsam, Margarethe Faas-Hardegger en Martin Buber. Als politieke organisatie bleef de bond onbelangrijk.

Zelf schreef Landauer in die periode 115 artikelen voor het tijdschrift, over kunst, literatuur en filosofie, maar ook over kwesties van de actuele politiek. In dat tijdschrift publiceerde Landauer ook uitgebreid eigen vertalingen van teksten van de Franse filosoof en anarchistische theoreticus Proudhon. Een verscherping van de censuur leidde tot opheffing van het tijdschrift. In 1914 liet Landauer zich niet meeslepen door het algemene enthousiasme voor de Eerste Wereldoorlog, maar bestreed die vanuit een anarchistisch en pacifistisch standpunt. De toenemende materiële nood tijdens de oorlog noodzaakte Landauer en zijn gezin Berlijn te verlaten en zich te vestigen in Krumbach, in de buurt van Ulm. Daar overleed op 21 februari 1918 Hedwig Lachmann aan een longontsteking. Haar overlijden schokte Landauer diep.

Meteen na de oorlog en tijdens het begin van de Novemberrevolutie nodigde Kurt Eisner Landauer in een brief van 14 november 1918 uit deel te nemen aan de revolutie in Beieren: “Wat ik van jou zou willen, is dat jij je redenaarstalent in dienst stelt van de verandering der zielen.” Na de moord op Eisner door de republieksvijandige en extreem nationalistische Anton von Arco auf Valley op 21 februari 1919, namen de discussies toe over de vraag of er in de nieuwe Beierse republiek een radensysteem of een parlementair systeem moest komen. Toen op 7 april 1919 de Münchense Radenrepubliek werd uitgeroepen, tegen de gekozen regering van minister-president Johannes Hoffmann (SPD), kreeg Landauer de post van gevolmachtigde voor de volksvoorlichting. Zijn eerste en enige maatregel was het verbod op geschiedenisonderricht aan de Beierse scholen. De Radenregering werd aanvankelijk gedomineerd door onafhankelijke socialisten en pacifisten als Ernst Toller en Silvio Gesell of anarchisten als Erich Mühsam en Landauer zelf. Drie dagen na de machtsovername van de radenregering door KPD-functionarissen Eugen Leviné en Max Levien maakte Landauer, teleurgesteld door hun politiek, op 16 april 1919 zijn terugtreden bekend uit al zijn politieke functies en ambten in de radenrepubliek. Na het gewelddadige neerslaan van de Münchener Radenrepubliek, door het Rijksleger en de vrijkorpsen, werd Landauer op 1 mei 1919 in München gearresteerd en een dag later in het Tuchthuis Stadelheim door soldaten vermoord.

Landauer werd gecremeerd en bijgezet op het Waldfriedhof in München. Na de machtsgreep van 1933 vernielden de nationaalsocialisten het in 1925 opgerichte Gustav-Landauer-Gedenkteken, stuurden zijn stoffelijke resten naar de joodse gemeente van München en vergezelden die heel cynisch van een rekening. Sindsdien rust hij samen met Kurt Eisner in een gezamenlijk graf op het Nieuwe Israëlitische Kerkhof.

Hij is de grootvader van de Amerikaanse filmregisseur Mike Nichols (1931-2014).

Metafysica en religie Bij de metafysica, respectievelijk religie, moet bij Landauer een onderscheid gemaakt worden tussen zijn periode tot 1900 en de tijd daarna. Tot 1900 vertegenwoordigde Landauer in zijn verhandeling “Christendom en Anarchisme” (dat in 1895 verscheen in De Socialist) een standpunt dat de religie afwees. Vooral de monotheïstische religies (christendom, jodendom en islam) wees Landauer af op grond van het feit dat hij elke openbaring loochende. Dat bleek ook uit een tekst uit 1895 “Over de Ontwikkelingsgeschiedenis van het Individu”, waarin Landauer zich vooral uitspreekt ten gunste van Boeddha. Zijn hoogachting voor Boeddha baseerde hij op het feit, dat deze argumenten voor zijn beweringen leverde, terwijl alle andere godsdienststichters dat niet deden. Hij (Boeddha) gelooft dat hij onder het mystiek-symbolische gewaad van de leer der zielsverhuizing de diepe “kern der waarheid” heeft ontdekt en dat hij nu zonder dat gewaad de waarheid kan formuleren. Tot 1903 wees Landauer de religieuze begrippen (God, onsterfelijkheid, openbaring enz.) eenduidig af. Daartegenover stelt hij dan de eis tot rationaliteit en verheldering.

In de verhandeling “Scepsis en Mystiek”, die in 1903 is verschenen, blijkt sprake te zijn van een ommekeer in het denken van Landauer naar de mystiek. In datzelfde jaar verschijnt ook Landauers vertaling in het Duits van “De Mystieke Geschriften van Meester Eckehart.” Landauer staat dan echter nog steeds sceptisch ten opzichte van het godsbegrip van Meester Eckehart, want in plaats van over God, spreekt hij overwegend over de wereld, het wereld-ik of de wereldgeest. Het goddelijke Ene van Meester Eckehart wordt door hem vanuit het wezen en de gelukzaligheid van de natuur beschouwd. Vandaar dat er voor Landauer beslist argumenten aanwezig zijn om over pantheïsme te spreken. Landauer heeft, naast Meester Eckehart en de andere neoplatonici, vooral waardering voor Spinoza. Hij heeft ook Meester Eckehart vaak abusievelijk als pantheïst beschouwd. Bij Eckehart is echter het begrip “panentheïsme” (alle dingen zijn ín God, maar God overstijgt alle dingen en valt er derhalve niet mee samen) meer op zijn plaats. Landauers visie op de religie, in de jaren dat hij zich op de mystiek richtte, is als volgt te karakteriseren: de concrete verschijningsvorm van het “kerkelijke christendom” ziet hij nog steeds als iets negatiefs. Tot de door Landauer afgewezen figuren behoren ook “geestelijken en filosofieprofessoren”, priesters en grondvesters van filosofische systemen, die zich “al snel bij iets positiefs kunnen neerleggen”. Met sympathie beziet Landauer diegenen, “die hartstochtelijk naar rust verlangden, maar die door niets tot rust konden komen: de ketters, sektariërs en mystici”. In “Scepsis en Mystiek” noemt Landauer onder anderen Dionysius Areopagita, Johannes Scotus Eriugena, Meester Eckehart, Giovanni Pico della Mirandola, Jakob Böhme, Angelus Silesius en Alfred Mombert. Volgens hem is hun gemeenschappelijk kenmerk, dat zij intellectueel geen begrippen en begripssystemen als juist erkennen en daarom tegen de bestaande godsdienstige gemeenschappen zijn. Voor deze denkers is de zintuiglijke wereld slechts iets figuurlijks en zij zouden, door zich af te zonderen, proberen hun Ik met de wereld te verenigen. Zijn achting voor de mystiek maakt het vervolgens voor Landauer mogelijk om een positief verband te leggen met Christus. Hij interpreteert Christus als "Symbool voor de Godwording van de mens”. Godwording betekent voor Landauer het opgaan van het Ik in de wereld, en juist dat heeft Christus laten zien.