Het ontstaan van de landbouw, vaak aangeduid als de neolithische revolutie, vormde de overgang van een samenleving van jager-verzamelaars met een rondtrekkend bestaan (nomadisme) naar een samenleving van mensen die in nederzettingen woonden (sedentarisme) en aan akkerbouw en veeteelt deden. Ook werden voorraden aangelegd voor slechtere tijden. Deze overgang vond plaats in meerdere streken op de wereld en onafhankelijk van elkaar.
Veelal nam de overgang vele millennia in beslag, maar de uiteindelijke verandering en invloed was groot. Akkerbouw werd mogelijk gemaakt door de domesticatie van planten, terwijl veeteelt mogelijk werd door de domesticatie van dieren.
Ontstaan in meerdere kernen en verspreiding van daaruit Lang werd gedacht dat er een beperkt aantal centra waren van waaruit akkerbouw zich verspreidde. Tegenwoordig worden er voor de domesticatie van planten minstens twaalf; ; (2012): 'Patterns and processes in crop domestication: an historical review and quantitative analysis of 203 global food crops' in New Phytologist, Volume 196, Issue 1. p. 29-48 en mogelijk meer dan twintig; (2009): 'The nature of selection during plant domestication' in Nature, Volume 457, p. 843-848; ; ; ; ; ; ; (2014): 'Convergent evolution and parallelism in plant domestication revealed by an expanding archaeological record' in Proceedings of the National Academy of Sciences, Volume 111, No. 17, p. 6147-6152 van deze centra onderscheiden.; ; ; ; ; ; ; ; ; ; ; ; ; ; ; ; ; ; ; ; ; ; ; (2014): 'Current perspectives and the future of domestication studies' in Proceedings of the National Academy of Sciences, Volume 111, No. 17, p. 6139–6146 Voor dieren lijken er slechts drie vroege domesticatiecentra te zijn geweest. Deze gebieden zijn Zuidwest-Azië, Centraal-China en de Andes. Ook binnen die gebieden vond domesticatie maar beperkt plaats, zodat het lijkt dat vroege domesticatie zeldzaam was.; (2014): 'The Evolution of Animal Domestication' in Annual Review of Ecology, Evolution, and Systematics, Volume 45, p. 115-136
Nikolaj Vavilov publiceerde in 1926 Центры происхождения культурных растений (Centra van oorsprong van gecultiveerde planten), waarin hij zijn theorie van genencentra van de belangrijkste gewassen uiteenzette. Hij kwam tot vijf en later acht regio's, meer gebaseerd op intuïtie dan op data uit onderzoek. In Afrika was nog weinig onderzoek gedaan, dus dit bleef onderbelicht. Er werden daarna de nodige gewassen gevonden die buiten de centra van Vavilov vielen, zodat verschillende wetenschappers centra groter maakten en toevoegden.
In 1968 kwam Pjotr Zjoekovski in New centres of origin and new gene centres of cultivated plants including specifically endemic microcentres of species closely allied to cultivated species tot 12 megagen-centra of megacentra.
Domesticatie van planten
Landbouw is op verschillende plaatsen onafhankelijk van elkaar ontwikkeld:, The World Transformed: From Foragers and Farmers to States and Empires, in (ed.), The Human Past: World Prehistory & the Development of Human Societies, Londen - New York, 2005, p. 186: "Research in recent decades has confirmed that agriculture arose independently during the Holocene in at least seven different regions of the world - Southwest Asia [Fertile Crescent, 9000 BC], East Asia [Yangzi and Yellow River basins 7000 BC], New Guinea highlands [7000-4000 BC] (vindplaats Kuk), sub-Saharan Africa [3000-2000 BC], Andean South America [3000-2000 BC], central Mexico [3000-2000 BC] and the eastern United States [2000-1000 BC]." Mogelijk komt daar nog een achtste bij, het Amazonebekken in Zuid-Amerika (3000-2000 v.Chr.) (zie: , Unknown Amazon: culture in nature in ancient Brazil, Londen, 2001, p. 92: "Available data suggest that farming of some sort dates back as far as 5,000-4,000 years ago, or c.3000-2000 BC, in Amazonia, well before terra preta deposits have been identified (see Oliver, this volume).29")
Domesticatie van dieren
Naast de domesticatie van planten vond onafhankelijk ook een domesticatie van dieren plaats. Dit vond plaats via verschillende evolutiepaden. Zo begon de domesticatie van de hond via het commensale pad, waarbij dieren worden aangetrokken door elementen in de menselijke omgeving, zoals voedselafval en andere kleinere dieren die hier op afkomen. Dit zal vooral gegolden hebben voor dieren met een kortere vluchtafstand. Bij deze dieren zal habituatie of gewenning zijn opgetreden. Anders dan bij synantrope dieren zal dit aanvankelijk op zijn minst een commensale verhouding zijn geweest waar de dieren voordeel bij hadden en de mensen in ieder geval geen last ondervonden.
Bij het prooi-pad werd domesticatie voorafgegaan door de jacht. Aanvankelijk werd gejaagd op grotere herbivoren. Deze dieren zullen altijd mensenschuw zijn geweest. Om de jachtopbrengst te garanderen, zal geprobeerd zijn om kuddes te hoeden, waarbij de selectiedruk volgzaamheid zou stimuleren. Dit past meer bij een sedentaire levenswijze waarbij planten worden gecultiveerd in een breedspectrum-bestaan. Rond zo'n 10.500 jaar geleden werd zo in de vruchtbare sikkel begonnen met het ruimen van jonge mannetjes bij schapen, geiten, varkens en runderen, terwijl vrouwtjes pas geslacht werden na hun piek van reproductieve jaren. Dit werd voorafgegaan aan overbejaging die een andere benadering noodzakelijk maakte, met het hoeden van kuddes tot gevolg. Zo liep het pad van de jacht op wild via beheersing van wild naar kuddes hoeden en kuddes houden naar veeteelt. Zo was ook dit domesticatiepad geen bewuste sturing, maar een reactie op teruglopende opbrengsten. In eerste instantie ging het hierbij vooral om het vlees, maar dit werd uitgebreid gedurende wat de secundaire productenrevolutie noemde. Daarbij werd ook wol en melk gebruikt, alsook de arbeid die de dieren konden verrichten. Als trek- en lastdier vergrootten ze de productie- en transportmogelijkheden in belangrijke mate. De mens was echter niet alleen veelzijdiger dan een ezel, os en paard, maar ook relatief energie-efficiënt en kon daardoor met minder voedsel toe. Mankracht, veelal in de vorm van gedwongen arbeid, bleef dan ook lange tijd de belangrijkste vorm van arbeid.
Het gestuurde pad was wel een bewust streven naar domesticatie waarbij de dieren niet noodzakelijk gedrag vertoonden dat ze in de buurt van mensen bracht. Nadat het proces bekend was geworden door de eerdere domesticaties, werden zo paarden, ezels en kamelen gedomesticeerd. Hoewel ook op deze dieren wel gejaagd werd voor voedsel, werden zij vooral voor transport gebruikt. Ook hier speelde tamheid een belangrijke rol, wat maakte dat gazellen en zebra's nooit werden gedomesticeerd.
Domesticatie volgens commensaal pad, prooi-pad en gestuurd pad; (2013): 'A population genetics view of animal domestication' in Cell, Volume 29, No. 4, p. 197-205
Theorieën Lange tijd was de oorsprong van landbouw het onderwerp van mythes waarbij het beschouwd werd als gift van de goden. Zo zou Shennong de Chinezen de landbouw hebben gebracht en gaf Ninurta de Soemeriërs raad op dat gebied en had Quetzalcoatl deze rol bij de Azteken.
19e eeuw De vroegste wetenschappelijke vragen naar de overgang naar landbouw hadden vooral betrekking op waar en in mindere mate wanneer planten en dieren gedomesticeerd waren. In eerste instantie leken deze vragen niet te beantwoorden. Charles Darwin stelde in De afstamming van de mens uit 1871: [...] de eerste stappen tot het cultiveren waren waarschijnlijk, zoals ik elders heb aangetoond, het resultaat van een of ander toeval, vergelijkbaar met de zaden van een fruitboom die op een hoop afval vielen en daardoor een buitengewoon fijne variëteit produceerden. Het probleem, echter, van de eerste stap van wilden naar beschaving, is tegenwoordig veel te moeilijk om te worden opgelost (2002): De afstamming van de mens en selectie in relatie tot sekse, Uitgeverij Nieuwezijds, p. 167, vertaling door van The Descent of Man, and Selection in Relation to Sex uit 1871
Eerder was Alexander von Humboldt tot die conclusie gekomen. Zijn reizen stelden hem in staat om verbanden te leggen tussen klimaat, geografie en planten. Daardoor kon hij planten indelen naar regio en zag zo de verschillende vegetatiezones. Hij las ook de geschiedenis uit gedomesticeerde planten die de mens hadden begeleid terwijl deze zich over de wereld verspreidde. Ook de geografische geschiedenis wist hij uit plantengroei te herleiden, zoals de overeenkomsten tussen de begroeiing in Zuid-Amerika en Afrika die voor hem een vroegere verbinding tussen de continenten suggereerden. Ook hij kon echter niet de vraag naar de oorsprong van de domesticatie beantwoorden, zoals hij in 1805 aangaf in Essai sur la géographie des plantes: De oorsprong, het land van herkomst, van de voor de mens meest nuttige planten die hem volgen sinds de vroegste tijden, is een geheim dat even ondoordringbaar is als de herkomst van alle gedomesticeerde dieren.L'origine, la première patrie, de ces végétaux les plus utiles à l'homme et qui le suivent depuis les époques les plus reculées, est un secret aussi impénétrable que la première demeure de tous les animaux domestiques. (1805): Essai Sur La Geographie Des Plantes, Accompagne D'Un Tableau Physique Des Regions Equinoxiales, p. 28 Na Humboldt bleef het vijftig jaar stil tot Alphonse de Candolle in 1855 in Géographie botanique raisonnée een eerste uiteenzetting deed. In 1883 had hij dit uitgewerkt tot Origine des plantes cultivées waarin hij op basis van plantkunde, archeologie en linguïstiek pogingen deed om de oorsprongsgebieden van gedomesticeerde planten te vinden, waarbij hij concludeerde dat er drie waren geweest: Meso-Amerika, de Vruchtbare Sikkel en Zuidoost-Azië. De combinatie van verschillende onderzoeksmethodes zou van grote invloed zijn.
Victor Hehn deed in 1870 een poging met Kulturpflanzen und Hausthiere in ihrem Übergang aus Asien nach Griechenland und Italien sowie das übrige Europa. Historisch-linguistische Skizzen waarin hij op basis van filologie zocht naar de oorsprong van planten en dieren. Candolle en Hehn konden weinig waardering voor elkaars methoden opbrengen.
20e eeuw thumb|De ondertussen niet meer volledig onderschreven genencentra van Nikolaj Vavilov Raphael Pumpelly kwam in 1908 in het tweede deel van Explorations in Turkestan tot de conclusie dat er sprake was van cycli van klimaatveranderingen met extreme verdroging (desiccatie). (1908): Explorations in Turkestan. Expedition of 1904. Prehistoric Civilizations of Anau, Origins, Growth, and Influence of Environment, Carnegie institution of Washington Mede op basis van de botanische kennis van zijn collega Johann Duerst zag hij de aanwezigheid van weit, gerst en gedomesticeerde dieren in Babylonië, Egypte en Europa als reactie op deze droogte.
Op basis van de oasetheorie van Raphael Pumpelly werd in 1925 door de Australische archeoloog Vere Gordon Childe de term neolithische revolutie gemunt. (1925): The Dawn of European Civilization, Kegan Paul Childe stelde in 1936 in Man Makes Himself dat klimaatveranderingen aan het einde van het Pleistoceen de aanzet gaven tot de overgang naar landbouw. Zo'n 10.000 jaar geleden zou verdroging op zijn getreden in West-Azië doordat de zomerregens naar het noorden verschoven. Dit zou zijn gevolgd door een concentratie van dieren, planten en mensen bij de resterende waterbronnen, wat domesticatie in de hand zou hebben gewerkt. Deze oasetheorie was zeer invloedrijk, al ontbrak het aan empirisch bewijs. Later zou blijken dat afgezien van Jericho de meeste vroege nederzettingen niet in riviervalleien of bij oases te vinden zijn.
Bevolkingsbeheersing